Bezittingen en schulden

1976-01-02
  • Jaargang 20
  • nummer 1
Dit lijkt een goed onderwerp om deze serie schetsen af te sluiten.
De uitkomsten van het overheidsbeleid zijn op lange termijn - althans financieel bezien - zichtbaar in de zgn. staatsbalans. Evenals in elke normale balans-opstelling komt daarin uit over welke bezittingen de staat der Nederlanden beschikt en welke schulden op zijn credit staan.
Vooreerst is daar als "bezit" een vrij grote post "leningen": verstrekte voorschotten b.v. voor woningwetbouw (25 miljard gulden) en aan verschillende semi-overheidsinstanties (4 mrd.), Van die laatste is een onderdeel "studievoorschotten", groot ruim 600 miljoen.
Dan zijn er de deelnemingen in staatsbedrijven (PTT, NS, Staatsmijnen enz.), die ruim 17 miljard gulden belopen. En tenslotte de roerende en onroerende goederen (landbouwgronden, gebouwencomplexen, wegen en bruggen, militair materieel enz.), die tezamen zuinig geraamd een waarde van rond 46 miljard gulden vertegenwoordigen. Het aandeel van defensie daarin is ca. 10 mrd.
Tegenover die bezittingen staan de schulden, een kleine 70 miljard gulden in totaal.
Schulden op korte termijn (schatkistpapier, verplichtingen jegens leveranciers en aannemers, te storten bedragen in internationale fondsen enz.) en ook schulden op lange termijn (obligaties, leningen van pensioenfondsen). De echte nationale schuld is eigenlijk de laatste groep en die beloopt ca. 45 miljard gulden.
Tien jaar geleden (1966) was dié schuld slechts 23,5 mrd. Trekt U nu geen haastige conclusie en zegt U niet: zie je nu wel, die schuldenlast stijgt enorm, wat een bewindvoering! Want in 1966 hadden we een nationaal inkomen van rond 68 mrd. De schuld was toen dus bijna 1/3 van ons N.I. Voor het lopende jaar (1975) rekenen we op een N.I. van omstreeks 200 mrd. en de schuld ligt dus nu beneden 1/4. De positie is dus verhoudingsgewijs verbeterd en niet onaanzienlijk.
Niettemin is het een enorme schuld. En ze drukt ook stevig op het budget, want jaarlijks moet er vrij veel voor aflossing bestemd worden, terwijl de rentelast groot is. Voor 1976 is daarvoor onderscheidenlijk 1,4 en 3,85 mrd. op de begroting uitgetrokken. Vermoedelijk is dat te weinig, als we zien dat de economische recessie de belastingopbrengsten doet teruglopen en de uitgaven (b.v. die voor steun aan bedrijven en voor werkloosheidsuitkeringen) opstuwt. Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven zal dus groter worden dan geraamden één van de middelen om dat te overbruggen is lenen, waardoor rente en aflossing verder stijgen.
De overheid heeft een zware taak. Ze moet die uitvoeren onder dikwijls moeilijke omstandigheden.
Zij ervaart, dat er veel is, wat buiten haar macht is. En toch keert zij zich als overheid - niet tot Hem, die àlle macht heeft: politieke, economische, financiële macht. Wat zouden we dat graag willen!
Maar we zien eerder het tegendeel. De mens-van-
deze-tijd zoekt het elders: in wetenschap, in systemen, in veel en diepgaand overleg. Dat leidt er ook toe, dat alle problemen zo bijzonder vaktechnisch worden, dat ze zover van ons àf komen te staan, dat we al ras denken: laat maar gaan, het raakt mij niet.
Het raakt ons echter wèl en ik trachtte daar iets van weer te geven.
Want wat de apostel Paulus aan zijn kind Timotheus schreef, nu 1900 jaar geleden, in een situatie die veel overeenkomst vertoonde met de onze, is nu nog heel actueel - juist ook gezien de beschreven vraagstukken: "Vóór alles vermaan ik u gebeden, smekingen, voorbeden en dankzeggingen te verrichten voor alle mensen, voor koningen en voor alle hooggeplaatsten, opdat wij een kalm en rustig leven leiden in alle vroomheid en waardigheid.
Dit is goed en welgevallig aan God, onze Heiland." (1 Tim. 2 : 1-3).
Wie zou er ànders bidden voor onze overheden, als de gemeenten dit nalaten?


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief