In den beginne en verder
2012-08-18
Eind 2010 organiseerde de Theologische Universiteit Kampen in aansluiting op het Darwinjaar (2009) een studiedag voor predikanten over de vraag: hoe lezen we het scheppingsverhaal?- Jaargang 56
- nummer 16
De lezingen zijn uitgegeven in een boekje In den beginne en verder, uitgegeven eind 2011. Van de zeven lezingen gaan er drie over Genesis 1: een exegese van de belangrijkste verzen, de interpretatie van de zes scheppingsdagen door verschillende kerkvaders en de verhouding tot de natuurwetenschap. Andere onderwerpen zijn: andere scheppingsteksten geplaatst naast Genesis 1, de aanbidding van God als schepper en paradijsmotieven in het boek Openbaring.
Zeemonsters
Met speciale aandacht voor Genesis 1:1 en 2 brengt Gert Kwakkel in kaart wat de betekenis is van het scheppingsverhaal gezien vanuit het Oude Testament. De gedachtewereld van het oude Israël en het Midden-
Oosten blijft buiten beschouwing.
Begrijpelijk omdat een korte lezing niet toereikend zou zijn, maar toch wel jammer. Opvallend voor gereformeerde exegese is de – volgens mij juiste – uitleg dat de uitdrukking ‘de grote zeemonsters’ (vs. 21) wijst op dieren die bedreigend zijn voor de mens. De auteur spreekt over monsterachtige dieren, die behoren tot een schepping waarvan God zegt dat ze goed is! Dus zelfs voor de zondeval leefden er al dieren die niet alleen maar lief en aardig zijn (p. 24).
Poëtisch of historisch
Alle auteurs van het boek houden vast aan een schepping in zes dagen.
Kwakkel interpreteert Genesis 1:1-2 zo dat de aarde al geschapen was voor de scheppingsweek en dat God die in zes dagen klaarmaakte als leefomgeving voor de mens. Ook al heeft Genesis 1 een bijzondere stijl en structuur toch beschouwt Kwakkel het scheppingsverhaal niet uitsluitend als een poëtische beschrijving. Hij wijst de kadertheorie af, die onder meer stelt dat Genesis 1 een symbolische beschrijving van de schepping geeft en niet beoogt weer te geven op welke manier God de wereld gemaakt heeft. Maar, zegt Kwakkel, wanneer we Genesis 1 als een historisch ‘verslag’ willen zien, stuitten we ook op problemen (p. 121). Toch wil hij het scheppingsverhaal zo letterlijk mogelijk blijven lezen (p. 127), maar hij constateert steeds weer opnieuw dat de tekst geen informatie geeft die op een verantwoorde manier te combineren zou zijn met natuurwetenschappelijk onderzoek.
Scheppingsdaden
Hoe wetenschappelijke natuurkennis en Genesis 1 zich dan wel verhouden, wordt niet duidelijk. In ieder geval wordt die vraag niet opgelost door te stellen dat Gods scheppingsdaden buiten het wetenschappelijk onderzoeksveld vallen. En met scheppingsdaden bedoelt hij dan een bijzonder ingrijpen van God. Verborgen in een voetnoot (p. 124) lijkt Kwakkel voor de optie te kiezen dat God de wereld met een schijnbare ouderdom heeft gemaakt: ‘De idee van de schijnbare ouderdom kan een goede rol spelen in betogen waarin geprobeerd wordt gegevens vanuit de Bijbel en uit de natuurwetenschap met elkaar te combineren.’ Maar voegt hij toe, zijn artikel is niet bedoeld om dit thema verder uit te werken. Spijtig, want de gedachte van ingeschapen ouderdom is om meerdere redenen verwerpelijk en helpt niemand verder in deze discussie.
Nieuw begin
In ieder geval constateert Joost Smit in de epiloog dat vragen over de verhouding tussen wetenschappelijke natuurkennis en het scheppingsverhaal in deze bundel grotendeels onbeantwoord blijven – een mager resultaat.
Toch zijn er in elk van de zeven artikelen wel interessante gezichtspunten te vinden. Een daarvan staat in de bijdrage van Rob van Houwelingen over paradijsmotieven in het boek Openbaring. Uitgaande van Openbaring 21:1-5a concludeert hij dat de huidige wereld plaats zal maken voor een kwalitatief nieuwe schepping (p. 83), waarbij het niet gaat om een renovatie van het bestaande maar om een nieuw begin. In deze nieuwe constellatie zal er geen ruimte meer zijn voor de zee, die in de Bijbel als iets negatiefs en bedreigends wordt beschouwd, ook al in Genesis 1. Door Gods spreken stroomden de wateren zo samen dat er droog land ontstond en de wereld bewoonbaar werd. Dan vervolgt Van Houwelingen: ‘Sindsdien maken chaotiserende machten van de dood de wereld onveilig, maar die dreiging zal voorgoed worden weggenomen wanneer er geen zee meer bestaat’ (p. 84). Daarmee lijkt hij te zeggen dat er iets fundamenteel fout zat in de schepping die door God zeer goed genoemd werd. Overigens vind ik de idee, dat er geen zee meer zou zijn in de komende wereld, een te letterlijke uitleg van de tekst ‘de zee was er niet meer’. Evengoed zou bedoeld kunnen zijn dat de dreigende kracht van de zee voorgoed aan banden gelegd zal worden.
Al met al een interessant boekje met een aantal nieuwe inzichten, maar met een onbevredigende benadering voor de verhouding tussen scheppingsgeloof en wetenschappelijke natuurkennis.
Kwakkel, G. en P.H.R. van Houwelingen (red.) (2011), In den beginne en verder. Een bijbels-theologische reflectie op de schepping. Vuurbaak Barneveld.
134p. € 16,90.
Dr. ing. Rolie Barth is sinds 2004 predikant in de NGK na een loopbaan in het kernfusieonderzoek.