Een explosie van Gods majesteit

2005-02-11
  • Jaargang 49
  • nummer 3
‘Wat opvalt is dat het in Gods wetten aan Israël vooral draait om vergoeding van de aangebrachte schade (met een schepje erbovenop) en veel minder om straf. Er wordt met geen woord gerept over iets dat lijkt op een gevangenis. Daarnaast is van belang dat de zonden worden verzoend, waarbij ook het offer aan de Here een plaats krijgt. Bij ons draait het veel meer om straf en moet een schadevergoeding vaak via een ander proces worden binnengehaald.’

Dat was - met oog voor het hier en nu - de waarneming van Andries Mak bij de lezing van de wetten en wetjes uit Exodus 20-23. Prikkelend om met zo’n gedachte deze hoofdstukken nóg eens te lezen! Of later Numeri en Deuteronomium.

Meer dan een wetgever
Eén naam is voor altijd verbonden met de aanwijzingen, die God aan Israël meegaf en dat is die van Mozes.
Het meest intens is het moment, waarop Mozes zijn eigen bestaan riskeert in het vernietigend oordeel van God, dat dreigt na Israël’s zondeval met het gouden kalf (Exodus 34). Hij biedt zichzelf aan in de plaats van zijn volk en zegt: ‘Schrap mij dan maar uit het boek dat u geschreven hebt’. Hier sta je tegenover Mozes als middelaar en meer dan een geestelijk leider of wetgever.
Jaap Kanis wordt stil bij deze bede en ziet in Mozes trekken van de Here Jezus, die zijn leven gaf om ons te redden’. Anderen onder mijn meelezers verwonderden zich over het feit dat God zijn plan wijzigt op het gebed van een mens.
Het is in allerlei opzichten wel het diepste moment uit het boek Exodus.
Dat valt nog eens extra op, als je leest over het doen en laten van Aäron, die bij de fabricage van het afgodsbeeld nauwelijks iets deed tegen het ontketende volk. Zijn verweer tegenover de afgedaalde Mozes is niet veel meer dan afschuiven en wegkruipen: ‘Je weet dat dit volk alleen maar kwaad wil ... Toen ik hun om goud vroeg deden ze meteen hun sieraden af en gaven ze aan mij. Ik gooide ze in het vuur en toen kwam dat kalf eruit te voorschijn’ (Exodus 32). ‘Wel een heel merkwaardige manier om jezelf ergens uit te praten’, schreef Tineke Plooij en dat is het.
Toch bracht juist de figuur van Aäron Jaap Kanis tot de vraag hoe hij zelf gereageerd zou hebben in zo’n situatie.
En met eenzelfde (lees)houding zou je ook dichter in de buurt blijven van het mopperende voetvolk met vragen als ‘Is de Heer nu in ons midden of niet?’ (Exodus 17). Dat soort klemmende vragen kunnen zich vastzetten, zeker als je eigen levenom wat voor reden dan ook - iets heeft van een woestijn, waar je maar doorheen moet zien te komen.

Ik ben die er zijn zal
‘Een indrukwekkend gedeelte is in hoofdstuk 19 de verschijning van de Heer op de Sinaï, het is prachtig beschreven en je ziet het als het ware voor je ogen gebeuren’ schrijven Hans en Corrie de Vlieger. ‘Daar bij de Sinai is het een explosie van Gods majesteit en zijn aanwezigheid’, typeert Kees Bos. Zij waren niet de enigen, die al lezend onder de indruk kwamen van Gods grootheid en heiligheid. Niet minder opvallend is dat God in die majesteit en heiligheid ook zo zijn nabijheid kon laten voelen. Echt ‘Ik ben die er zijn zal’! Zo hoor je bij Gods verschijning aan Mozes: ‘De HEER, de HEER. Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft ...’ (Exodus 34). Waarna het vervolgens indringend verder gaat over God, die de zonden niet ongestraft laat!

Scherpe randen
Dat laatste klinkt nog eens extra dreigend door de gebeurtenissen even eerder, toen duizenden van het volk stierven door de straffende inzet van de Levieten.
Al lezend denk je dan: hoe verhoudt zich dat veelbelovende ‘Ik ben die er zijn zal’ met zulke strenge straffen hier en op al die plaatsen die nog zullen komen. Toch staat opvallend genoeg in de tekst zelf het één bijna zonder noemenswaardige spanning naast het ander.
Vergelijkbaar is het bij de weigering van Farao om het volk Israël te laten gaan. Tineke Plooij verwoordde in een enkele zin, waar meerderen mee zaten. ‘Ik blijf het raadselachtig vinden: 7:3, ‘ik zal ervoor zorgen dat de farao hardnekkig weigert’. Hoe zit het met de keus die toch ook de farao zou moeten hebben - toch? Ik heb hier wel preken over gehoord en commentaren gelezen, maar ik denk niet dat ik dit soort uitspraken in dit leven zal begrijpen.’ Dat laatste vrees ik ook, maar verwonderlijk vind ik wel, dat ook hier in de tekst, onbekommerd het één naast het ander wordt gezet. Hoofdstukken lang lees je afwisselend over de Farao, die hardnekkig en onverzettelijk weigert om het volk te laten gaan en de Heer die er voor zorgt dat de Farao hardnekkig blijft weigeren. Maar dan wel parallel geschakeld en niet in serie!

Gods maquette
Deze achtergrond van dat donkere en dreigende bracht mij en anderen weer opnieuw onder de indruk van Gods verlangen om temidden van zijn volk te wonen. Ik proef het ook in de breed uitgesponnen hoofdstukken over de bouw van de tabernakel.
Vreemd, vreemd, vreemd, denk je eerst, de Schepper van hemel en aarde die als binnenhuisarchitect in de weer is met een maquette. Dat God zo de details ingaat! Maar boodschap gaat er wel van uit. Je merkt hoe God in de symboliek van kleurrijke en veelvormige details spreekt tot het hart van zijn volk. En bij de bouw van de tabernakel legt de hemelse Ontwerper de uitvoering ook nog eens in de handen van zijn volk. Al doende betrekt God op die manier de mensen bij zijn grote doel. En zo zie ik in die uiterst gedetailleerde hoofdstukken van Exodus ‘van verre’ al iets van de contouren van Openbaring 21: ‘Zie, de tent van God is bij de mensen’!

Ik ben met u
Al lezend in dat tweede boek van Mozes zit je soms zomaar verder te denken. Soms een klein stukje, zoals Margreet Maljers. Haar viel op dat ‘in Exodus 22 de geboden zo toekomstgericht waren. De Heer spreekt over wijngaarden, huizen. Dat moet voor Israël een bevestiging geweest zijn.
We komen er, want de Here geeft ons ook geboden met het oog op bezittingen en situaties in het beloofde land.’. Tineke Plooij herkende ‘Een Koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk’ (Exodus 19) vanuit het Nieuwe Testament (1 Petrus 2) en verwonderde zich over deze lange wortels.
Verwonderlijk ook, zo dacht ik, omdat dit woord van het priesterschap aller gelovigen klinkt in een boek dat juist zo vol is met aanwijzingen voor een specifiek priestergeslacht.
Corrie Sonke besloot haar inbreng met twee woorden van Jezus ‘Ik ben met u al de dagen’ en ‘ik ben het licht der wereld’, die resoneren met wat anderen schreven naar aanleiding van de altijd brandende lamp in het heilige en de wolkkolom, als teken van Gods aanwezigheid.

Etappe 3: Leviticus, Numeri 1-18: 27-1- 2005 t/m 9-2-2005 (kopijdatum)
Etappe 4: Numeri 19-36; Deuteronomium: 10-2-2005 t/m 23-2-2005 (kopijdatum)
Wie een keer een étappe mee wil lezen, kan ook rustig zijn bevindingen melden. De reacties moeten wel steeds op laatstgenoemde datum binnen zijn (Bakemastraat 4, 3822 WJ Amersfoort; f.gerkema@solcon.nl)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief