Schriftbeweging of belijdenisbeweging (1)
1975-06-27
Hoewel ds Van Ommen in het vorige week aangehaalde artikel zegt, volledig in te stemmen met de beoordeling, die ds Velema van mijn artikel over Schriftbeweging of belijdenisbeweging gaf, heb ik er zelf toch behoefte aan, een onderscheid tussen hen beiden te maken. Ds Van O. stelt vragen, goede vragen, terwijl ds V. te snel oordeelt en mij met behulp van een weinig genuanceerde indeIingstechniek in een hoek zet, waar ik me niet thuis voel. Direct al het opschrift: 'Schrift of belijdenis' ervaar ik als een vergroving van het onderscheid dat ik bedoelde aan te wijzen tussen schriftbeweging en belijdenisbeweging.- Jaargang 19
- nummer 26
Deze vergroving wreekt zich, want een ein-d verder wordt de nog grovere onderscheiding biblicisme-confessionalisme ingevoerd, waarvan de strekking toch wel zal zijn, dat ik ergens bij het biblicisme thuis hoor, Van dit biblicisme wordt deze typering gegeven: "Biblicisme wil niets weten van een belijdenis, wil teruggaan naar de Bijbel alleen en de Bijbel uitleggen zonder rekening te houden met alles wat in de loop der eeuwen aan Bijbelverklaring is gegeven. Men neemt elke tekst letterlijk, houdt geen rekening met de geschiedenis der godsopenbaring en verwaarloost in de regel dat elk bijbelboek niet op dezelfde wijze kan worden uitgelegd."
Ieder die wel eens wat van mij gelezen heeft, zal kunnen begrijpen, dat ik, bij deze zinnen van V.'s artikel aangeland, mezelf de vraag stelde: Zou hij misschien een ander’s artikel aan het bespreken zijn? (Hij noemt immers mijn naam niet.) Ik herken hierin niet veel van mezelf, eigenlijk niets. Daarom kan ik ook met V.'s artikel niet zoveel aanvangen.
Ik zou hem deze vraag in overweging willen geven: is het mogelijk, dat iemand, zonder biblicist te zijn, constateert dat de rol v:an onze belijdenisgeschriften zo langzamerhand uitgespeeld raakt? Let wel, ik bedoel niet te zeggen, dat het geloof, -dat in die geschriften beleden wordt, z'n actualiteit verliest.
Het geloof der vaderen is ook mijn geloof. Ik heb voor mijn eigen geloof ook zeer veel te danken aan het geloof der vaderen.
Ik besef heel goed, dat ik niet de eerste ben die de Bijbel lees. De stem der vaders heb ik nodig. En toch begin ik het langzamerhand willekeurig te vinden, dat alleen de stem der vaders, zoals die kldnkt in de bekende drie formulieren van enigheid, een kerkelijke - luidspreker gekregen heeft. De kerk kent meer klassieken dan Olevianus, Ursinus, de Brès en Gorriarus. Zeker, onder die klassieken is niet alles even goed, lang niet alles haalt het niveau van de genoemden. Er is in de 16e eeuw echt wel zo iets als een hoogtepunt van Schriftverstaan geweest. Maar waarom zou de gemeente in haar leerdienst niet ook eens een mooi stuk Irenaeus, of Augustinus of Thomas of Pascal uitgelegd mogen krijgen? Die zijn toch ook van ons? Toch komen ze door de kerkelijke monopoliepositie van de drie formulieren niet aan bod.
Ieder merkt, dat dit veraf staat van biblicisme. Ook trouwens van confessionalisme, Het valt zelfs niet te ontkennen, dat deze opvatting van mij de gereformeerde identiteit van onze kerken verzwakt. Dit gereformeerde karakter was dan ook slechts hulpmiddel, dienstig om gemeente van Christus te zijn. We moeten het kunnen relativeren,zonder het overigens te laten verloren gaan.
Wel een zekere verzwakking dus. Maar daar staat iets tegenover.
Hoe goed is het -niet om stemmen uit meerdere periodes van de kerkgeschiedenis te vernemen en daaruit op te maken, hoe men toen en daar, in deze en gene situatie het Woord der Schriften las. Hoe de vroege kerk de Bijbel gebruikte in de tijd, dat de christelijke godsdienst nog niet de publiek begunstigde was. Hoe men het deed in de glansperiode van het Constantijnse tijdperk en hoe in de eeuw van piëtisme en beginnende zending.
Dat alles om ons te leren hoe het nu moet. Nog aan geen enkele generatie vóór ons heeft het verleden zo ter beschikking gestaan als aan de onze. Nooit heeft men nog zo overzichtelijk kunnen terugkijken als vandaag. Daar mogen we goddelijke beschikking in zien. Blijkbaar hebben wij dat voor onze toerusting van heden nodig.
Juist vanwege onze ruime toegang tot het verleden immers is aan onze tijd het historisch besef zo eigen. Wij vragen, juist nadat we de vele stemmen uit de kerkgeschiedenis gehoord en vergeleken hebben, terug naar de oorsprongen van ons geloof en lezen de Schriften met historische belangstelling.
We willen, voor zover ons dat mogelijk is, tijdgenoten worden van Abraham, oplopen met Jeremia, discipel worden achter de rabbi van Nazareth. We herkennen ons zelf in de schare, die het dagelijks werk vergat en zonder eten mee te nemen, als een kind achter de muziek aan, Jezus volgde, de wildernis in, om daar door Hem wonderbaar gespijzigd te worden.
Wij voelen namelijk dat het verleden
van de kerkgeschiedenis ons wel kan helpen, maar niet afdoende.
Het verleden helpt ons aan de 'oude dingen" het reeds bekende, hoe verrassend actueel dat meer": malen ook op ons af kan komen, 1iaar hoe dankbaar het ons ook kan maken, het laat ons toch onvoldaan, Wij weten uit het eigen woord van Jezus, van de Schriftgeleerde, die discipel geworden is van het koninkrijk van God en nu uit zijn schat nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt. Dat wil zeggen, dat de Schrift werkelijk aan onze moderne behoefte tegemoet komt, doordat ze zich juist in onze tijd presenteert als de historische weg van het heil. Dit is het nieuwe, dat wij inderdaad met de Bijbel mogen oplopen, om te zien hoe het gekomen is, dat deze Jezus van Nazareth wordt beleden als de Christus, de , Zoon van de levende God.
Vorige geslachten lazen de Schrift, de hele Schrift, vanuit deze belijdenis.
Ook het Oude Testament Men liep, om zo te zeggen, met het geslachtsregister van Luc, 3 rugwaarts het Oude Testament in. Het Oude Testament. ja de hele Bijbel, was zodoende geen Genesis meer, geen boek der wording, maar een voltooid tegenwoordige tijd. En nu zeg ik niet dat zulk lezen van de Schrift voor ons afgedaan heeft: Het zou niet kunnen.
Wij kunnen niet doen alsof alles nog gebeuren moet, Maar wel hebben wij nu daarnaast weet van een andere leeswijze, even rechtmatig, en wel die van het andere geslachtsregister van Jezus in Mattheus 1. waar vanuit hert Oude Testament mee opgelopen wordt naar het Nieuwe. Deze lezing geeft aan de hele Schrift een Genesis-karakter. Voor deze twee benaderingen naast elkaar valt ook te denken aan het begin van het vierde evangelie, waar enerzijds, meteen al in de inleiding, Jezus omkranst wordt met de hoogste wezensaanduidingen: in den beginne was het Woord ... en het Woord was God (Joh. 1 : 1) en anderzijds de kennismaking met Hem werkelijk van de grond af begonnen wordt: rabbi, waar houdt gij verblijf (1 : 39)?
Van deze historische belangstelling bij het Schriftlezen beweer ik nu, dat ze in de eerste helft van onze eeuwen vooral in de dertiger jaren onder ons doorgebroken is.
Natuurlijk is ze daarvóór nooit helemaal afwezig geweest, maar dat was toch een onopvallende aanwezigheid. En zonder dat degenen, die er aandacht voor vroegen, dat onmiddellijk door hadden, kwam deze methode van Schriftbenadering in conflict met de confessie. Niet ernstig, maar niettemin. Niet terzake van de hoofdinhoud van ons' geloof, maar toch.
Laat ik dat aan een concreet punt duidelijk maken. Ik heb nu het oog op de verklaring die destijds dr J. Ridderbos in zijn boek 'Abraham, de vriend Gods' (Kampen, 1928) gaf van de belangrijke tekst uit Gen. 15 : 6: "en hij (Abraham) geloofde in de Here, en Hij rekende het hem toe als Gerechtigheid", een tekstwoord dat Paulus gebruikt bij de uiteenzetting van zijn boodschap van de rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus.
(Rom. 4 : 3 v., 9 v., 22 v.). Ridderbos legt deze tekst dan zo uit, dat met dat wat aan Abraham werd toegerekend de 'pas genoemde geloofsoefening bedoeld' wordt (p.
197). In deze uitleg is de exegeet aan het woord, die zonder dogmatische vooringenomenheid een rechtstreekse toegang tot de tekst zoekt en vindt. Maar natuurlijk moet hij zich hiermee tegenover de traditie verantwoorden. Als volgt: "De vraag kan opkomen, hoe deze (geloofsoefening) aan Abraham tot gerechtigheid kon worden gerekend.
Wij zijn toch gewoon, op grond der Schrift te zeggen, dat wij geen andere gerechtigheid bezitten dan de gerechtigheid van Christus, die ons door God wordt toegerekend als ware zij de onze. En natuurlijk geschiedt dit in den weg des geloofs, maar dan is toch niet het geloof of het geloven in eigenlijken zin onze gerechtigheid, maar wij hebben door het geloof deel aan die gerechtigheid, die in Christus, dus buiten ons, aanwezig is." (z.p.). Op de achtergrond staat art. 22 van de N.G.B: "Doch wij verstaan niet dat het, om eigenlijk te spreken, het geloof zelf is, dat ons rechtvaardigt; want het is maar een instrument, waarmede wij Christus, onze gerechtigheid, omhelzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenende al zijne verdiensten en zovele heilige werken als Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid; en het geloof is een instrument, dat ons met Hem, in de gemeenschap van al zijne goederen houdt."
Inderdaad ligt hier een verschil tussen de confessie en de uitleg van Ridderbos. Hoe lost deze geleerde dat nu op? "Om op de hier gestelde vraag het antwoord te vinden. hebben we uit te gaan van het Oudtestamentisch spraakgebruik", (z.p.) Hoe dat dan verder uitgewerkt wordt, interesseert ons nu niet. Belangrijk is te zien, dat hier een historisch argument gebruikt wordt, waar de traditionele geloofsomschrijving, zoals die in de confessie te vinden is, blijkbaar geen oog voor had.
Het punt is niet al te splinterig. De exegese van R. is later overgenomen door dr J. G. Woelderink in een serie artikelen over "De Rechtvaardigmaking" in de Waarheidsvriend van 1935-1936 (later in boekvorm "De rechtvaardiging uit het geloof" 1941) en door (onze professor) dr H. J. Jager in zijn proefschrift "Rechtvaardiging en zekerheid des geloofs" (Utrecht 1939). Beiden zijn bestreden door dr G. C. Berkouwer in "Geloof en rechtvaardiging" (Kampen 1949) in zijn reeks 'Dogmatische Studiën'.
M.i. is men er toen met z'n allen niet helemaal uitgekomen. Het is, geloof ik, achteraf ook beter te zien, wat er toen aan de hand was.
De historische dimensie is toen wel opgemerkt, maar onvoldoende uitgewerkt. Laat ik met een paar zinnen aangeven. in welke richting dat 2l0U moeten: Abraham geloofde in de belofte van God. Pas veel later heeft deze belofte van het verbond de concrete, persoonlijke gestalte aangenomen van Jezus Christus en zijn gerechtigheid.
Sindsdien was het mogelijk Jezus Christus en zijn gerechtigheid als objectieve realiteit te onderscheiden van en te verzelfstandigen tegenover de subjectieve geloofshouding, waardoor men zich Hem toe-eigende. Deze onderscheiding terugprojecteren in Abraham's situatie, is niet mogelijk. Dit betekent dus, dat woorden als 'geloof' en 'rechtvaardiging' in de Schrifteen ontwikkeling, een geschiedenis doormaken.
De confessie verwaarloost die en gaat uit van het uiteindelijk resultaat van die ontwikkeling.
Dat geeft aan de confessie vaak zo'n tijddoos karakter, waar wij met ons meer historisch denken wat vreemd tegenover staan. De geloofsverwoording in de confessies lijkt wat op oud-Egyptische kunst, beeldende kunst in het platte vlak: tweedimensionaal, zonder diepte, zonder perspectief. Het nieuwe is, dat er voor ons een dimensie bijgekomen is. Ach, en zo zeg ik het toch nog te scherp. Want eigenlijk kenden die vroegere generaties die derde dimensie best, maar ze kwam destijds niet goed tot haar recht. Om het dan maar zó te zeggen: de vaders maakten foto's van de Schrift, wij vertonen dia's. En daarom is onze houding tegenover de confessie: dankbaar, maar niet voldaan,
Volgende keer hoop ik verder te gaan.