Rentmeester en ondernemer 1)

1975-06-27
  • Jaargang 19
  • nummer 26
In 1891, dus meer dan 80 jaar geleden, verscheen er in Engeland een heel merkwaardig boekje, Het was geschreven door een zekere mijnheer Morris. Moe van alle industriële bedrijvig1heid om hem heen, ontvouwde hij in dit boekje hoe naar zijn mening de toekomst er eens uit zou zien. Hij zag voor zich "een deken van groen gras uitgespreid over de ruïnes van fabrieken, steden, machines, spoorwegen en reclame.
Een samenleving waarin de mens weer van heler harte was teruggekeerd naar de ruwe, ongeraffineerde natuur. Tuinen, bossen, heidelandschappen en ri:vierstromen. En temidden van deze natuurpracht woonden de mensen in hun kleine tuindorpen, rustig, levensblij en gezond. Ze hielden zich bezig met akkerbouw, tuinbouw en kunstnijverheid.
En omdat zij zichzelf in kleine groepen regeerden bestond er ook geen overheid meer. Londen - zo droomde Morris - was met de grond gelijk gemaakt en van de regeringsgebouwen was alleen nog het parlementsgebouw over, dat als opslagplaats voor mest werd gebezigd." Een merkwaardig toekomstbeeld. Het is een romantisch plaatje van een natuur, die eerst door de techniek was bedreigd, maar die daarna diezelfde techniek weer definitief heeft kunnen overmeesteren. Net zoals je op romantische schilderijen van de vorige eeuw ook wel eens door het oerwoud overwoekerde ruïnes van kastelen ziet staan. Maar nu zijn het de machines en fabrieken, die onder een grastapijt zijn bedolven en uit de lopen van geweren en kanonnen groeien vergeet-mij-nietjes. Zo'n toekomstbeeld heeft op het eerste gezicht iets heel bekoorlijks, maar bij nader inzien klopt het toch niet. Er schuilt in zo’n toekomsbeeld een verheerlijking van de natuur, die fel afsteekt tegen de verguizing van elke vorm van stedenbouw en techniek.
Ik heb dit fantastische toekomstbeeld dan ook niet naar voren gebracht om U te vertellen dat daar, in zo'n samenleving, ons ideaal moet liggen. Maar toch is zo'n toekomstbeeld van vele jaren terug heel nuttig om eens te gebruiken als kontrast met de situatie, waarin wij, ook met onze boerenbedrijven, nu zijn komen te verkeren. Want dat i's eigenlijk precies het tegendeel van wat de dromer Morris in 1891 voorzag. Morris voorzag een overwinning van de natuur over de techniek, maar juist in onze tijd treft ons zo sterk de onderwerping van de natuur door de techniek. En in plaats van een overwinning van de stad door het groene platteland, is het platteland steeds meer en steeds intenser, binnen de sfeer van het stadsleven getrokken. Niet de industrie is door groen en bloemen overdekt, maar de landbouw is in toenemende mate verindustrialiseerd. En in plaats van een parlement, dat als mestvaalt dient, bemoeien regering en parlement zich tot aan de mestvaalt toe met de boerenbedrijven.
Kan dat altijd maarzo doorgaan, mede nu we zien hoe door de opmars van techniek en industrie het milieu schade lijdt en grondstoffen en
energie steeds schaarser worden? Hiermee zitten we nu al in het hart van de problemen van elke dag. In veel boerengezinnen is er oprechte zorgen vaak nog niet eens zozeer over de vraag hoe vandaag kan worden geleefd, maar hoe het leven er morgen en overmorgen uit zal zien. Zal in verband met de toenemende problemen van milieufbederf, energieschaarste, wereldvoedselnood en wat dies meer? Jij, het ondernemerschap in de agrarische sector niet' elke zin en betekenis verliezen? Zal de overheid niet de gronden gaan nationaliseren en de boerenbedrijven opnemen als kleine natuurmonumenten in grote landschapsparken? Ook agrarische voortbrenging wordt steeds meer een gespecialiseerde vorm van industriële voortbrenging. Het ogenblik lijkt niet ver te zijn, dat agrarische bedrijven zo grootschalig zijn geworden en met zulke dure apparatuur bewerkt moeten worden, dat ze in meerderheid door agrarische bedrijfsdirecties in de vorm van grote naamloze vennootschappen gedreven moeten worden. En welke boer, die houdt van de natuur, van zijn land en zijn beesten, ziet dat nu als een aanlokkelijk toekomstbeeld?

Wanneer we over deze problemen nadenken, moeten we er voor uitkijken niet aan de oppervlakte te blijven hangen. Juist van christenen mag worden verwacht dat ze oog hebben voor de vele problemen in dit leven en dat ze weten dat achter zulke problemen nooit de dommekracht schuilt van een fataal noodlot. Zo dachten de oude Grieken er over, en zo denken ook vele moderne denkers er over. Van christenen wordt een andere houding verwacht - en wel dat ze de moed hebben achter levensproblemen de doorwerking te zien van menselijke zonde en ongeloof. Dat is een soms pijnlijke constatering, maar wel nodig, omdat zonder dat mensen hun eigen bevrijding in de weg kunnen staan.
Een groot probleem als de voortgaande inflatie is zo moeilijk oplosbaar omdat we hebben afgeleerd een verschijnsel als dit met menselijke zelfzucht, met materialisme, en met groepsegoïsme in verband te brengen.
Als we niet naar de wortels van de problemen toewillen, staan we ook bij het zoeken van oplossingen onszelf in de weg. Terugkerend naar de vragen van daarnet ontkomen we er dan ook niet aan, ons af te vragen hoe die zorgen en moeiten van vandaag zijn ontstaan.
Daar zijn natuurlijk vele oorzaken voor. Maar één zou ik op de voorgrond willen stenen namelijk de kwade rol die ons geloof ineen voortdurende economische- en technische vooruitgang op ons leven en op onze gehele samenleving heeft uitgeoefend.
Ik ,bedoel daarmee natuurlijk niet dat technische vernieuwingen fout zijn en dat het streven naar een verbetering' van het economisch welvaartspeil zondig is. Welvaart en techniek zijn gaven van onze Heer, en ze zijn de mens, als rentmeester, ter beschikking gesteld. Niet om ze te begraven, maar om ze als talenten in dienst van God en onze medemens te gebruiken. Daar zit de pijn dus niet, maar veelal hierin, dat wij in het westen aan de mogelijkheden van techniek en welstandsgroei een betekenis hebben toegekend als van gidsen, als van heilanden, die ons zonder twijfel naar een altijd betere toekomst zouden kunnen brengen.
Je kunt de betekenis van techniek en welstandsgroei onderschatten, maar ook overschatten. Je kunt er je vertrouwen op stellen en een blinde volgeling worden van alles wat technisch nieuw is en iets meer geld in het laatje brengt.
Hier komen we heel dicht bij de eigenlijke oorzaak van veel van onze hedendaagse problemen. Want wanneer individuen, groepen en organisaties in de samenleving jaren en jarenlang zó hun eigen gelukshorizon kiezen, gaat dat natuurlijk ook doorwerken in de manier waarop ze met elkaar omgaan, met de natuur omgaan, en ook hun samenleving bouwen. Dan kun je verwachten dat zelfs een gehele samenlevingsorde gaat staan naar het doel van een voortgaande economische en technische groei. En dat je, wanneer je er als éénling tegen in zou willen, ook door die zelfde samenlevingsorde wordt afgestraft. Als je bij anderen achterblijft in technische vernieuwing, dan loop je het risico onverbiddelijk te worden uitgeschakeld. Maar dat is dan niet omdat een soort noodlot over je beslist, maar omdat we met elkaar een samenlevingsorde hebben gevormd, die berust op de stilzwijgende afspraak dat natuurlijk in alles aan technische en economische groei onverkort de voorrang moet worden gegeven. Want zij zijn immers de gidsen, die ons naar een betere toekomst kunnen leiden? Wel nu, dan moet je ook niet Zeuren als de minder groeikrachtige bedrijven er aangaan, terwille van de bedrijven die het hardst groeien. Want van die groei hangt tenslotte ons aller geluk af.
Beklemmend is het wel. Als dit waar is, zijn wij kennelijk op een heel ingewikkelde manier bezig onszelf nog steeds bij de neus te nemen.
Afhankelijk als wij zijn geworden van een te groot stilzwijgend vertrouwen in de gelukbrengende kracht van economie en techniek voor onze gehele samenleving.


Staan blijven is dat het enige wat we kunnen doen bij die beklemmende constatering? Dat zou opnieuw een terugvallen in noodlotsdenken inhouden, Nee, als wijzelf mede door ons eigen toedoen deze situatie hebben doen ontstaan, moet er ook een weg zijn om er, zij het niet zonder enige pijn, weer uit te komen.
In dit verband nu is het van betekenis dat we geleidelijk aan ons er steeds meer van bewust worden, dat het blinde vertrouwen in techniek en welvaartsgroei het westen echt niet bij het beloofde geluk heeft gebracht.
Aan alle kanten zijn de kraken en scheuren te zien, zoals op het vlak van de grondstoffen- en energievoorziening. Al jagend naar meer welstand hebben we de voorraadschuren van de schepping bepaald niet als goede rentmeesters beheerd, zodat nu op sommige plekken de bodem al te zien is. En is het leven van de planten ,en dieren om ons heen er nu beter en gelukkiger op geworden?
De natuur is door ons vaak zo intens gebruikt en overbelast dat ze zich nu op sommige punten tegen ons lijkt te keren. Tenslotte zijn ook wijzelf levende wezens, die het echt niet zonder een gezond levensmilieu kunnen stellen. Ook moeten we constateren dat onze hedendaagse westerse welstandsgroei de arme landen soms alleen maar verder de vernieling in heeft gejaagd. De hongersnood in de SAHEL landen bijvoorbeeld is mede zo hard aangekomen omdat het beste gedeelte van de grondoppervlakte is beplant met gewassen als thee, koffie en cacao, die wel geschikt zijn voor consumptie in het rijke westen, maar voor de arme bevolking daar geen enkele voedingswaarde hebben. Alles optellend ligt de conclusie voor de hand: de rijke westerse landen" die vertrouwd hebben op welvaartsgroei en techniek, hebben tegelijkertijd ook een ontstellend gebrek aan rentmeesterschap aan de dag gelegd.
Om aan te geven hoe het zover gekomen is, moet ik 'nog een ander punt ter sprake brengen, namelijk onze neiging tot welhaast oeverloze specialisatie en delegatie van taken en bevoegdheden. Haast alles wat een meer gerichte aandacht of zorg behoeft, hebben we gedelegeerd aan afzonderlijke lichamen en instanties. Voor onze bejaarden is er een afzonderlijke bejaardenzorg. Maatschappelijke werksters moeten onze bejaarden verzorgen. Voor het elkaar opzoeken binnen een kerkelijke gemeente hoeven we - zo denken we - ons evenmin druk te maken, want daar hebben we onze kerkenraden voor.
Zo delegeren we steeds meer, en houden zelf een steeds smaller leven over. Diezelfde ontwikkeling nu geldt ook in het groot. Een bedrijf, of het nu agrarisch is of niet, heeft volgens ons geen eigen taak op het vlak van het milieubehoud, want daar hebben wede overheid voor. Die maakt milieuwetten en zorgt ook voor de noodzakelijke dierenbescherming.
En het is ook diezelfde overheid, die door haar sociale wetten zorgt voor de sociale positie van onze werknemers. Ook op dat punt hebben we dus weer een zorg minder. Dat we niet te veel kunstmest en insecticiden gebruiken, is wl evenmin onze eigen directe verantwoordelijkheid, die zorg is immers gedelegeerd aan het Ministerie van Volksgezondheid. En zo blijft over een agrarisch bedrijf, dat nog maar één zorg over heeft, namelijk de zorg om zo goedkoop mogelijk te produceren en dan vervolgens ook nog vaak aan die éne nog overgebleven zorg ten onder gaat.
Ik hoop dat U met mij voelt dat hier iets niet klopt. Want als alle bedrijven, agrarisch of niet, alleen maar deze éne zorg - om zo goedkoop mogelijk te produceren - overhouden" dan ligt de keuze voor een zo snel mogelijke economische en technische groei, ook voor de samenleving als geheel, al zonder meer vast. En dan komt van het rentmeesterschap steeds minder terecht. Het blijft dan steken in moeilijke nota's van met elkaar vechtende departementen. Als rentmeesterschap iets wordt dat er nog bijkomt, nadat de keuze voor een zogroot mogelijke productie reeds is gemaakt, dan kun je dat rentmeesterschap wel vergeten. En daarom zijn. de huidige problemen in onze samenleving, met inbegrip van onsfalend milieu- en grondstoffenbeheer, er mede een bewijs van dat we in onze specialisatiedrift eenvoudig te ver zijn gegaan en er teveel op hebben gerekend dat in het grote geheel alles weer op z'n pootjes terecht zou komen.

Ondernemer en Rentmeester zijn nog niet in deze combinatie genoemd.
Toch wordt uit het voorgaande duidelijk hoe actueel juist die combinatie is. Rentmeesterschap vergt dat wij als samenleving toekomen aan een betere zorg voor het milieu, aan een zorgvuldiger gebruik van grondstoffen en energie en ook aan een meer verantwoord gedrag ten aanzien van onze arme naaste. Maar dan zullen we juist terwille van dat Rentmeesterschap af moeten van een agrarisch ondernemingschap dat is afgeplat tot het zo kostend rukkend mogelijk eruit jagen van éénvormige productie. Dan zullen we ons. er voor moeten inzetten dat een samenlevingsortie ontstaat, waarin ook het agrarisch bedrijf kans krijgt weer op te veren tot rentmeesterschap, waarin een eigen zorg voor het land mogelijk is, waarin het geven aan dieren van een meer dierwaardig leven als vanzelfsprekende zaken thuishoren en waarin het toepassen van een eigen organische bemesting niet door een genadeloze prijsstelling van landbouwproducten van meet af aan onmogelijk wordt g~ maakt. Het echte agrarische bedrijf van de toekomst zal niet het bedrijf kunnen en mogen zijn, dat volledig gespecialiseerd is en dat uitmunt in grootschaligheid en dat zich om niets anders bekommert dan om kosten te drukken en productiegroei mogelijk te maken. Het zal juist het bedrijf moeten zijn, dat vanwege zijn niet al te grote omvang nog overzichtelijk genoeg is om toe te komen aan een eigen rentmeesterschap over het milieu, aan een verantwoorde zorg voor land en dieren, aan een natuurlijk beheer van het landschap, en mogelijkerwijs ook aan een combinatie van taken, die b.v. ook een eigen bemesting en vuilverwerking mogelijk maakt.

Ik vermoed dat zo'n toekomstbeeld U wel zint. Maar in stilte verdenk ik U ervan, dat U bij U zelf denkt dat zoiets toch niet haalbaar zal zijn, en dat het toch te veel weg heeft van die droom van Morris waarmee ik begon. U weet wel, van dat liefelijke landleven van blije mensen in kleine tuindorpen.
Daarom, wil ik nu tot slot enkele opmerkingen maken die U toch misschien nog een wat andere kijk kunnen geven, en waardoor dit toekomstbeeld realistische wordt dan het nu misschien nog lijkt. Om te beginnen haak ik aan bij de energieschaarste, de toenemende grondstoffenschaarste en de milieuproblematiek. Dat zijn nieuwe omstandigheden die hun invloed in de komende jaren steeds sterker zullen doen gevoelen. Hoe zal hiervan de invloed op de agrarische bedrijven zijn?
Eén van de meest voor de hand liggende effecten is die op het vlak van de prijzen. De energieprijzen zijn nu al in korte tijd enorm gestegen, en naarmate de milieuproblematiek ernstiger wordt is de kans groot dat ook dat prijsverhogende invloeden tot gevolg zal hebben. Het zou kunnen betekenen, dat de verhouding op het boerenbedrijf van arbeid en kapitaal verandering zou kunnen ondergaan. Kapitaal, dus de investering in dure bedrijfsapparatuur en machines, zou in de nabije toekomst wel eens duurder kunnen worden dan arbeid, omdat tenslotte iedere verdere mechanisatie het energieverbruik doet toenemen en vaak ook een milieuverontreinigend effect heeft. Zou dat op langere termijn niet kunnen betekenen, dat er een zekere rem komt te staan op de huidige mechaniseringswoede, ook in de landbouw en ook de trek van arbeidskrachten uit de landbouw wat tot stilstand komt?
Daarvoor is temeer reden, nu we weten, dat we mogelijkerwijs in de wereld te maken zullen krijgen met ingrijpende voedseltekorten. Vooruitzien betekent niet alleen de aanleg van voedselvoorraden, maar het houdt op langere termijn ook in, dat de nog op de wereld beschikbare bebouwbare oppervlakte intensiever dan tot nu toe zal moeten worden benut. Dat kan betekenen, dat per hektare een grotere inzet van arbeid althans gemiddeld, nodig kan zijn.
Beide verschijnselen versterken elkaar. Wanneer de inzet van machines in verhouding duurder zou gaan worden dan arbeid, en bovendien per ha. een intensievere bewerking nodig is, dan wijst dat in de richting van een bedrijfsomvang, die niet al te groot is, waar de mechanisatie niet al te ver is voortgeschreden en waar bovendien voldoende overzicht nog mogelijk is om b.v. heffingen wegens milieuschade zoveel mogelijk te voorkomen. Zo zou ook in economisch opzicht het toekomstbeeld voor het optimale bedrijf er wel eens anders uit zien dan velen nu nog denken. Een expert van de FAO, Ulrich van Pufendorf zei hierover het volgende: "In de zeventiger- en tachtiger jaren moet werk gevonden worden voor nog eens 600 miljoen mensen. W,e kunnen immers ineens niet aannemen dat de bevolkingsgroei zal stoppen. Bovendien zijn de mensen waarvoor over 10 jaar welk nodig is, allang geboren.
Dat werk kan goeddeels worden gevonden in de landbouw.
Daartoe moet de kleine landbouw - met een hoge arbeidsintensiviteit - kansen geboden worden". Wel moet aan dit alles nog nadrukkelijk worden toegevoegd dat men niet moet denken er in dat toekomstbeeld in financieel opzicht aanmerkelijk verder op vooruit te kunnen gaan. In zeker opzicht geldt maatschappelijk gezien zelfs het omgekeerde.
Pas wanneer het er financieel op vooruitgaan in onze maatschappij niet meer het hoogste en enige doel is, ontstaat er ook de economische ruimte om naar een hernieuwd verantwoord rentmeesterschap toe te groeien. Het is heel goed denkbaar dat de prijzen voor landbouwproducten aanmerkelijk verder verhoogd worden dan tot nu toe is gebeurd, maar de bestemming van die verhoging zou dan allereerst gericht dienen te zijn op de bedrijfsverbetering in de zin zoals bovenstaand omschreven. Een opening naar een meer intens rentmeesterschap. Dit is een bijeenkomst van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond.
Juist bij problemen als waar wij met elkaar nu voor zijn gesteld, zal dat christen zijn gemerkt moeten kunnen worden. Landbouworganisaties staan bekend als goede vragers - en dat moeten ze ook wel zijn voor de vele harde zwoegers in deze bedrijfstak, die in veel gevallen met ontstellend lage inkomens moeten zien rond te komen. Maar zou het christelijke van een landbouworganisatie vandaag de dag ook met name niet kunnen en moeten uitkomen in het aanbieden, in het doen van een aanbod b.v. aan een regering om bepaalde taken door de boer weer zelf te laten uitoefenen, die in zijn rentmeesterschap kunnen worden thuisgebracht? Dat kan in de richting gaan van een grotere rechtstreekse milieuzorg; in het oprichten van eigen dierenbeschermingsdiensten; in het maken van bepaalde bedrijven tot experimenteerbedrijf om tot een meer organische landbouw te komen. Ik ruil deze voorstellen graag om voor betere, maar bent U het niet met mij eens, dat de aanbod-houding juist bij de visie op ondernemerschap als rentmeesterschap bijzonder goed past?
Juist daarom zogoed past, omdat we weten dat we allemaal op de grote dag waarop de Heer komt over onszelf, onze economie, techniek en bedrijf aan Hem verantwoording als rentmeester zullen moten afleggen.


1) Dit was de titel van het onderwerp waarover Professor Dr B. Goudzwaard, hoogleraar in de economie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, sprak op de Toogdag van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond - IJsselmeerpolders, gehouden op dinsdag 18 februari j.l.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief