OPERATIE SUPERMENS (2)
1976-01-16
N.a.v. Dr W. J. Ouweneel: "Operatie Supermens"- Jaargang 20
- nummer 3
uitg. Buiten en Schipperheijn en de Vuurbaak 1975 - prijs f 29,75
Eugenese
Eugenese kan vrij vertaald worden met het van buitenaf veranderen van die erfelijke eigenschappen (genese) en dan liefst in een goede richting (eu-).
Dr Ouweneel beschrijft de oorsprong en geschiedenis van het woord eugenese.
Met de eugenese kan men als bedoeling hebben om allerlei zieke of schadelijke factoren uit te schakelen, wat men dan negatieve eugenese noemt, of om gunstige eigenschappen te bevorderen en daardoor' de mensheid op een hoger peil te brengen, wat positieve eugenese wordt genoemd. De twee soorten overlappen elkaar natuurlijk daar uitroeiing van een bepaalde ziekte ook een verbetering van de mensheid in het geheel is.
De meest simpele manier van eugenese, althans van genetisch en niet van menselijk standpunt gezien, is de beïnvloeding van mensen om al dan niet met elkaar te trouwen en al dan niet kinderen te krijgen. Zo worden ziektes niet meer overgeërfd als de dragers van die erfelijke ziekte( die dus het ziekte gen hebben) afzien van het krijgen van kinderen. Ook kan het van belang zijn dat de erfelijke afwijking soms alleen ontstaat als van beide ouders een zelfde afwijkend gen wordt overgeërfd.
Dit laatste lijkt bijna onmogelijk (zou toevallig zijn) en is dat in de meeste gevallen ook maar er zijn toch ziekten die zoveel voorkomen dat de kans dat beide ouders het hebben toeneemt (bijvoorbeeld suikerziekte en misschien ook de aanleg voor kanker).
Een bijkomend probleem is dat veel mensen die een erfelijke ziekte hebben in leven blijven door de toegenomen medische kennis.
Daardoor zijn ze in staat hun ziekte gen aan het nageslacht door te geven. Vroeger zouden ze zijn gestorven aan hun ziekte vóór de leeftijd dat ze kinderen konden krijgen, Sommigen menen zelfs dat er daardoor een erfelijk verval is van het menselijk ras, een langzame achteruitgang dus. Dit mede door het toegenomen gebruik van radioaktiviteit en chemische middelen die immers mutaties konden veroorzaken; en mutaties zijn bijna zonder uitzondering veranderingen ten kwade.
Verder heeft ook door de toegenomen vermenging van die mensen een aantal erfelijke ziekten dat vroeger alleen binnen een besloten gemeenschap voorkwam zich over grotere groepen verspreid.
Hoe kan nu zoveel mogelijk voorkomen worden dat slechte erfelijke eigenschappen worden doorgegeven.
Dr Ouweneel noemt die mogelijkheden in zijn boek: Allereerst kunnen mensen die zich bewust zijn van hun, al dan niet openlijke, afwijking vrijwillig afzien van nageslacht. Ze kunnen dus of niet trouwen of anticonceptie toepassen. In zekere mate man door een deskundige van te voren enigszins voorspeld worden hoe groot de kans is dat het nageslacht ook afwijkend zal zijn.
Dit vergt onderzoek naar de precieze aard van de afwijking van degene die om advies vraagt en onderzoek van de partner en daarnaast "genetische berekeningen".
Ook gezonde aanstaande echtparen vragen wel dergelijke adviezen.
Men noemt dit "genetic counseling".
Het spreekt vanzelf dat het hier om een vrijwillig gevraagd onderzoek gaat en dat de beslissing wat te doen ongeacht de uitslag, is aan de (a.s.) echtgenoten zelf. Het ligt niet voor de hand dat veel mensen op grond van die uitslag van een dergelijk onderzoek besluiten om niet te trouwen.
Wel komt men er soms toe af te zien van nageslacht, wat met de beschikbare methodes van anticonceptie op zich niet moeilijk is.
Vooral ook omdat genetic counseling nooit honderd procent zekerheid geeft, zelfs niet bij benadering, zal het rendement niet hoog zijn. En dan nog zal het nauwelijks of geen invloed hebben op de eugenese, de verbetering van het menselijke ras, maar hoogstens in alleenstaande, persoonlijke gevallen láter leed en zorgen voorkomen, Heel anders is het wanneer men die eugenese gaat bevorderen door op gehandicapt geboren kinderen euthanasie toe te passen, met andere woorden ze dood te laten gaan of te doden. In sommige culturen worden zwakke kinderen aan hun lot overgelaten en sterven.
Vaak missen deze culturen ook de mógelijkheid van een goede (o.a. medische) verzorging van deze kinderen, maar ook wanneer die verzorging wel mogelijk is, en dat geldt vooral voor de "meer ontwikkelde" vermaterialiseerde landen, staakt men die omdat men met nut van deze gehandicapte mensjes niet inziet. Dr Ouweneel wijst op het gevaar van verkeerde beoordeling omdat een zeer zwak kind best een genie kan worden, waarvan in de geschiedenis voorbeelden genoeg zijn. Ook noemt hij het gevaar dat er werk dat nu door gehandicapten gedaan kan worden dan door niemand gedaan wil worden. Maar deze argumenten zijn volledig secundair aan het belangrijke argument dat het verboden is te doden. Alleen blijkt het steeds moeilijker te zijn voor veel mensen om dat argument te accepteren. Vaak wordt dan gewezen op die kolossale hoeveelheid ernstige ingrepen en handelingen die toegepast worden om een zeer gehandicapt geborene een tijdje in lieven te houden. Natuurdijk moet er nagedacht worden of er niet te veel wordt omgesold met in wezen niet (meer) levensvatbaren, maar deze bezinning mag niet uitlopen op een klakkeloze acceptatie van euthanasie, zeker niet van doe aktieve euthanasie waarbij het leven door een ingreep wordt beeindigd.
Een methode die in het algemeen al zeer geaccepteerd wordt is het aborteren van foetussen die een ernstige erfelijke ziekte of afwijking hebben. Het is de vraag of abortus wel toegestaan is wanneer een kind gehandicapt is en niet als het gezond is. Waarschijnlijk kan bij de beoordeling van abortus geen verschil tussen beide gemaakt worden als men leven ziet als uit Gods hand gegeven, ook gehandicapt leven Op dit moment spreken we verder niet over toelaatbaarheid van abortus al doet dr Ouwencel dat wei, maar in zo'n beknopte vorm dat zijn mening niet geheel uit die werf komt. Met name is het de vraag of het wel zin heeft bij de beoordeling rekening te houden met het moment waarop de menselijke foetus zijn ziel krijgt, al is dit een historisch interessant onderwerp.
In het kader van ons onderwerp is het wel van belang om te weten komen weet of een foetus al dan niet gehandicapt is. Bij het gewone lichamelijke onderzoek van een zwangere vrouw zijn alleen in zeer uitzonderlijke gevallen (heel (grove) op erfelijke factoren berustende afwijkingen van de vrucht te konstateren. De laatste jaren is men echter bedreven genaakt in 't onderzoeken van vruchtwater, het vocht waarin de groeiende foebue drijft. Mij kan een beetje van dit vruchtwater met een naald via de buikwand opzuigen en onderzoeken. In de eerste plaats komen er bij bepaalde ziekten (bijvoorbeeld open rug of waterhoofd) steeds diezelfde chemische stoffen in het vruchtwater voor, die gemeten (kunnen worden en in de tweede plaats bevat het vruchtwater afvalstoffen (o.a. huid-cellen van de foetus, die gekweekt kunnen worden. In deze cellenweek kan dan chromosomenonderzoek worden gedaan en genetische afwijkingen kunnen worden vastgesteld, Deze onderzoeken zijn zeer specialistisch en ook is een vruchtwaterprik in het begin van die zwangerschap niet zonder risico's (en men wil het juist in het begin doen om eventueel nog tijdig een abortus te kunnen doen). Men doet daarom het onderzoek alleen (op verzoek) bij vrouwen die een erfelijk belaste voorgeschiedenis hebben, dus waarbij en erfelijke ziekte in de familie voorkomt, of die al eerder kinderen kregen met een erfelijk bepaalde ziekte of afwijking.
Tot nu toe lag het allemaal in het vlak van de negatieve eugenese (voorkómen van uitbreiding van erfelijke afwijkingen) en dan op beperkte schaal, eigenlijk alleen van persoonlijke aard. Soms ook met het oog op deze negatieve eugenese meent men sterilisatie van erfelijk belaste personen verplicht te moeten stellen, terwijl ook sommigen meenden of menen (men denke maar aan A. Hitler en consorten) dat de positieve eugenese gediend wordt met verplichte sterilisatie en euthanasie van minderwaardig geachte groepen of rassen. Het idee is afschuwelijk en volkomen verwerpelijk, maar het is goed te bedenken dat zeer brave mensen 35 jaar geleden deze ideeën op grote schaal- toepasten!
Positieve eugenese
Het hoofdstuk in het boek van dr Ouweneel dat handelt over de positieve eugenese, heeft de duidelijke titel: "schudden en knutselen met genen". Immers om veranderingen aan te brengen en dan nog wel in verbeterende zin in het menselijk ras zal er met de genen gespeeld moeten worden. In grove lijnen zijn daar twee methodenvoor in de eerste plaats kan er kunstmatig geselecteerd worden op gunstige eigenschappen (schudden) en in de tweede plaats kunnen met verfijnde methoden microscopische veranderingen in de genen worden aangebracht met het doel een gunstige eigenschap in te bouwen (knutselen).
De eerste methode berust op het geboren laten worden van kinderen met zoveel mogelijke gunstige eigenschappen waarvoor dan een gerichte keuze van vaderlijke zaadcel en moederlijke eicel nodig is. De "eenvoudigste" manier om dit te bereiken is om voortplanting aan vergunningen onderhevig te maken. De genetic counseleng is daarbij een verplichte zaak geworden, Mensen kan verboden worden met elkaar te trouwen of kinderen te krijgen terwijl anderen worden verplicht met een uitgezochte partner te trouwen (vroeger en hier en daar ook nu nog wel werd door ouders of verwanten een huwelijkspartner voor de kinderen uitgezocht maar dat was meer om sociale dan om eugenetische redenen. Bovendien zal er nu een overkoepelende instantie met computer moeten zijn die de vergunningen regelt).
Een minder ingrijpende methode is het om voor sommigen kinderen krijgen aantrekkelijk te maken en voor anderen juist onaantrekkelijk, bijvoorbeeld door financiële tegemoetkomingen respectievelijk represailles.
Een andere vorm van kunstmatige selectie kan verricht worden door kunstmatige inseminatie toe te passen waarbij bewaard zaad met goede kwalitatieve eigenschappen bij vrouwen wordt ingebracht. Dit kan het zaad van de eigen echtgenoot zijn, ontdaan van eventuele kwalijke eigenschappen, of dat van een uitgezochte donor. Het zal iedereen duidelijk zijn dat in deze gevallen de mens meer en meer de koe navolgt. Technisch!h moeilijker, maar zeker ook te realiseren is de implantatie van gunstige eicellen van één vrouw in baarmoeders van meerdere vrouwen, Het aantal eicellen van een vrouw is maar beperkt en wordt tijdens het leven niet aangevuld terwijl mannelijke zaadcellen "het hele leven door" worden geproduceerd in grote hoeveelheden, waardoor het technisch makkelijker is ermee te werken, ook al omdat het verkrijgen van eicellen in tegenstelling tot van zaadcellen een kleine operatieve ingreep vereist.
Het is zelfs al mogelijk eicellen in een reageerbuis te bevruchten en een stukje te laten groeien, waarna overplanting in een baarmoeder kan plaatsvinden.
Tenslotte is er die mogelijkheid klonen te vormen. Klonen zijn groepen cellen die uit een enkele cel zijn voortgekomen, allen met dezelfde eigenschappen, die elk op zich aas stamcellen van een nieuw individu kunnen optreden. Al deze individuen zijn identiek, dat betekent exact gelijk. Een voorbeeld dat in de natuur voorkomt maakt het duidelijk en wel de eeniige tweeling. Bij een twee-eiige tweeling zijn er "toevallig" twee eitjes bij' de vrouw bevrucht, bij een eeneiige uiteraard één, maar in het laatste geval treedt er een extra deling op vóórdat de cellen zich gaan differentiëren tot een volledig kompleet individu, zodat er nu twee precies dezelfde individuen ontstaan zijn. Dat is ook de reden dat eeneiige tweegen zo op elkaar lijken, ze hebben immer precies dezelfde chromosomen, terwijl een twee-eiige tweeling zowel uit een andere eicel als zaadcel stamt met als gevolg twee zeer verschillende Individuen (net zo verschillend als meerdere kinderen in een gezin).
Op kunstmatige wijze kan men nu cellen splitsen voordat ze zich differentiëren zodat een eeneiige groep individuen ontstaat. Met kikkers is dit al gelukt, met mensen zal het ook wel kunnen. Tot nu toe is het voor mensen alleen nog maar geschreven in een soort sciencefiction stijl en als belangrijkste voorbeeld geldt wel het in 1932 verschenen boek "Brave new world:" van Aldous Huxley, Het boek beschrijft een toekomstige wereld en laat de lezer onder anderen een kijkje nemen in de Londense Broed en Kweekcentrale waar men het "Bokanovskyproces" toepast. "Eén ei, één embryo, één volwassene, dat was normaal.
Maar een gebokanovskyseerd ei vormt knoppen, vermenigvuldigt zich, deelt zich van acht tot zesennegentig knoppen en elke knop ontwikkelt zich tot een volmaakt gevormd embryo en ieder embryo tot een volwassene van normale lengte. Zodat er zesennegentig menselijke wezens ontstaan waar er vroeger maar één ontstond.
Vooruitgang ... " En wat was dan de vooruitgang? De direkteur van de centrale vertelt het: "Standaard, mannen en vrouwen, van hetzelfde bloed, Heel een kleine fabriek gedreven door de produkten van één enkel gebokanovskyseerd ei. Zesennegentig precies dezelfde mensen die zesennegentig precies dezelfde machines bedienen. Men weet nu werkelijk waar men aan toe is, voor het eerst in de geschiedenis", Inmiddels weten wij dat het niet nodig is om zesennegentig mensen te hebben om zesennegentig gelijke machines te bedienen, want wij hebben de computer die dat regelt, maar voor verwezenlijking van andere idealen die men steeds wel weer verzint, zal men blijven vragen om kloonmensen. En is het ook niet een logisch gevolg van de roep om gelijkheid om ook de genetische gelijkheid te gaan verwezenlijken?
Bij bovenstaande gevallen werden de genen zelf intakt gelaten en werd er, om in de terminologie van Ouweneel te blijven, slechts mee geschud.
Het ligt voor de hand, dat men ook ging proberen veranderingen in de genen zelf aan te brengen, dus te ,,knutselen". En ook dat is mogelijk gebleken.
Sinds 1953 weet men, zoals al eerder vermeld, dat genen opgebouwd zijn uit nucleïnezuren (ontdekt door Nobelprijswinnaars Watson en Criek). Uitgebreid gaat dr Ouweneel op dit onderwerp in (dit is immers juist zijn vakgebied) en het is zeer de moeite van het lezen waard. Besproken worden de genregulatie (de mogelijkheid van de genen gespecialiseerde functies te stimuleren of te onderhouden, of zoals in de woordenlijst staat: "het regelen van de genaktivatie in plaats en tijd" wat waarschijnlijk wel beter geformuleerd is maar m.i. voor de meeste lezers onbegrijpelijk, zoals wel meer in de verklarende woordenlijst); transduktie (overbrengen van genen van de ene cel naar die andere) waardoor zieke cellen kunnen worden genezen. Het is fascinerend hoe dit kan gebeuren met gebruik van virussen, met alle risico’s van dien. Voorlopig zijn deze risico's zodanig dat men soms niet verder kan of wil gaan met het onderzoek, Vorig jaar publiceerde de Amerikaanse Nationale Akademie van Wetenschappen een oproep van een aantal biochemici om vrijwillig te stoppen met bepaalde experimenten omdat men niet alle risico's kende. Zo zou een ongelukje in een laboratorium een levensgevaarlijke bacterie of virus over de aarde kunnen doen verspreiden (zie VUmagazine mei 1975) .
De toepassing van deze zogenaamde "geneticengineer-ing" kan zijn op ernstige zieke patiënten met het doel zieke of afwijkende genen te vervangen, of op gezonde personen met het doel hen veredelde of gewenste eigenschappen toe te voegen. Waarmee de meest gevaar lijke terreinen worden betreden!
Want zoals het gegaan is met de nuttige atoomenergie, zo zal ook de genetic engineering allerlei kwaadbedoelende manipulators wapens in handen geven om hun bedoelingen ten uitvoer te brengen.
(wordt vervolgd)