Een gesprek over de charismatische beweging (2 - slot)
1976-01-23
Maar als er zo gehongerd wordt naar een onvervangbaar persoonlijke Godservaring of, wat m.i. hetzelfde is, gebeden wordt om een opnieuw vervuld worden met de Heilige Geest, dan vindt ds Vonk dat ondankbaar. In dit verband wordt op p. 3 dr J. G. Woelderink aangehaald die ooit eens uiting heeft gegeven "aan de ernstige verzuchting om een nieuwe uitstorting des Heiligen Geestes op het erf onzer kerk". Ik ben om twee redenen blij met deze aanhaling. In de eerste plaats omdat het de zuivere zakelijkheid van Vonk's studie aantoont. Ds Vonk noemt immers Woelderink een auteur, aan wie hij heel veel te danken heeft.- Jaargang 20
- nummer 4
En toch neemt hij hier kritisch afstand van hem. Dat kan dus.
Daaraan een voorbeeld nemend, stel ik me in gelijke geest op tegenover ds Vonk - een auteur, van wie ik op. mijn beurt ook heel veel geleerd heb, maar die ik nu zakelijk bestrijd. Verder ben ik blij met deze aanhaling, omdat ik, het opnemend voor dr Woelderink, niet de schijn op mij laad, zelf een pinkster-enthousiast te zijn. Want genoemde Woelderink stond wel ver af van de charismatische beweging.
Maar wat is dan Vonk's bedenking?
Hij stelt in het hoofd van de onderhavige paragraaf deze vraag: "Heeft de Heilige Geest Zich nooit iets aan ons gelegen laten liggen?"
Er wordt dan op de historie gewezen, die er toe geleid heeft dat Nederland een gedoopte natie is geworden.
Deze loop der historie hebben wij aan de Heilige Geest te danken. Ziet men daaraan niet in- ondankbaarheid voorbij, als er vandaag gezucht wordt om een "nieuwe Geestesuitstorting"? Hebben we daartegenover niet de taak "om de hedendaagse ontrouwe Christenheid te herinneren aan haar historie, historie, historie, historie, en zodoende aan haar schuld, schuld, schuld tegenover de Heilige Geest!" (p. 4).
Gewezen wordt op het voorbeeld van de profeten. "Hebben de profeten ons niet een heel ander voorbeeld gegeven? Zijn zij niet steeds tegenover een ongehoorzaam Israël en juda uitgegaan van Gods "claim" op dat volk? Op het rècht, dat God op Zijn volk had ?" (p.4).
Dit valt zeker niet te ontkennen.
Ook heeft ds Vonk gelijk dat er een geroep om de Heilige Geest mogelijk is, dat uit grote ondankbaarheid voortkomt en over de schuld van de ingezonkenheid en afval heen schreeuwt. Toch wil ik ook aandacht vragen, via een wat lange aanhaling, voor een andere zijde van de profetie, naast het vermaan aan het volk, namelijk de voorbede. Bijvoorbeeld die van Jesaja 63/64: "Schouw uit de hemel en zie uit uw heilige en luisterrijke woning. Waar zijn uw ijver en uw machtige daden? Uw innerlijke bewogenheid en uw ontferming hebben zich jegens mij niet laten gelden. Gij immers zijt onze Vader, want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet; Gij, HERE, zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsher is uw naam.
Waarom liet Gij ons afdwalen, HERE, van uw wegen, verharder Gij ons hart, zodat wij U niet vreesden? Keer weder ter wille van uw knechten, de stammen van uw erfdeel. Voor een korte tijd is uw heilig volk in het bezit daarvan geweest; onze tegenstanders hebben uw heiligdom vertrapt. Wij zijn geworden als degenen over wie Gij van ouds niet hebt geheerst, over wie uw naam niet is uitgeroepen.
Ooh, dat Gij den hemel scheurder. dat Gij neerdaaldet ... "
Op dit laatste gebed komt het Nieuwe Testament in Marcus 1 : 10 terug: "En terstond, toen Hij (Jezus) uit het water opsteeg, zag Hij de hemelen scheuren en den Geest als een duif op Zich neerdalen."
Ook trouwens in Jesaja 63 zelf is op meerdere plaatsen sprake van de Heilige Geest. Zodat ik meen niet te ver te gaan, als ik hier spreek over een profetisch gebed om de Heilige Geest.
Men zou ook van dit profetische gebed om de Heilige Geest kunnen zeggen, dat het niet overloopt van dankbaarheid voor het verleden ("wij zijn geworden als degenen over wie Gij van ouds niet hebt geheerst"), hoewel aan het aangehaalde stuk voorafgaande ook weer een heel andere stem aan het woord komt: "In zijn liefde en in zijn mededogen heeft Hijzelf hen verlost en Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van ouds". Men kan in bijbels licht op meerdere wijzen over het verleden spreken.
Ik zou hier samenvattend willen zeggen, dat de profeet met zijn volk is aangeland op een punt in de historie, waarop hij vaststelt: ons verleden is een machtig rijke geschiedenis van goddelijke bemoeienis, maar het is niettemin onmachtig om de krisis van vandaag te overwinnen: "Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet; Gij, HERE, zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsher is uw naam". Hier wordt gezocht naar en gebeden om een Godservaring die niet over het verleden loopt, zelfs niet over de beroemdste mannen uit het verleden. Hoezeer dat verleden ook mee blijft spreken, is er toch daarnaast iets waar van wat de historikus Renke gezegd heeft: "Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott" - elk tijdperk heeft een eigen opening naar boven.
Juist in Christus is dat waar, in Hem die gisteren en heden dezelfde is.
Hier ligt mijn grote bezwaar tegen de voorstelling van ds Vonk.
De Heilige Geest wordt door hem te veel opgesloten in het verleden, "de historie, de historie, de historie, de historie" (p. 4). Dit is historistisch en objektivistisch. Toen ik de brochure las, moest ik denken aan een oud verschilpunt tussen de Gereformeerden en de Luthersen.
De Gereformeerden zeiden, dat de Heilige Geest met het Woord werkt (cum verbo). De Luthersen echter sloten de Heilige Geest haast op in het genademiddel en zeiden: de Heilige Geest werkt door het Woord (per verbum).
Het komt mij voor dat ds Vonk deze Lutheranen nog voorbij streeft en de indruk wekt dat de Heilige Geest in het Woord (in verbo) of eerder nog in de Schrift (in scriptura) is. De gelovige moet zich naar het "huis" der Schriften (p. 2) begeven, daar binnen gaan en wonen, en ontmoet dan de Heilige Geest, die ooit aan de Bijbelschrijvers gegeven was.
Maar bieden wij zo de diepe krisis van vandaag voldoende het hoofd?
Vonk herleidt de problematiek die de charismatische beweging aan de orde stelt, tot de vraag of de Bijbel af is (zie de eerste zin van de brochure). Ik denk niet, dat de pinkster-mensen zich in deze vraagstelling zullen herkennen. Ik heb hun tenminste deze vraag nog nooit horen stellen, laat staan ontkennend horen beantwoorden. Hun vragen cirkelen niet om de Bijbel, maar om de God van de Bijbel.
Als God de Levende is, zoals de Bijbel zegt, waar is Hij dan vandaag?
Als Christus gisteren en heden dezelfde is, zoals de Schrift zegt, waar is Hij dan voor nu?
Deze vraag is ten diepste terecht.
Iedere generatie zou zich die behoren te stellen. Maar als men in plaats daarvan eeuwen op het verleden teert, dan breekt die vraag zich tenslotte met geweld baan.
Dat gebeurt nu. Neem nu Rome.
Dat is dan een kerk die vanouds de Schrift met de traditie heeft aangevuld en dus (volgens ds Vonk net als de charismatische beweging) gezegd heeft dat de Bijbel niet af is. Maar betekent dit dat de Geestesbeweging aan de roomse kerk voorbij kan gaan, omdat ze daar toch niets van haar gading vin.dt? Helemaal niet.
Zit er dus voor ons niets anders op dan dat we ons met deze stroom laten meedrijven? Nee, dat is zeker mijn opvatting niet. Er moet goede leiding aan dit onder ons opkomende enthousiasme gegeven worden. Zonder volledig te zijn, wil ik in dit verband een paar punten noemen.
1) Elk nieuw geestelijk leven in de geschiedenis van Gods volk is gekenmerkt geweest door weer een nieuw zicht op de bijbelse beloften en geboden. De teruggrijpende beweging is iets waaraan je de echte opleving kunt herkennen. Op nieuwe wijze stráált dan de aktualiteit van Gods Woord. Heel bekend is dat natuurlijk bij Luther. Maar ik wil het ook even aanwijzen in de Bijbel zelf. Daarbij denk ik aan 't boek Deuteronomium. Dat boek beschrijft de aktualisering van het Horeb-verbond in een nieuwe situatie.
Mozes zei niet: je hebt genoeg aan Sinaï, maar we horen uit zijn mond: "De HERE, onze God, heeft met ons een verbond gesloten op Horeb. Niet met onze vaderen heeft de HERE dit verbond gesloten, maar met óns, zoals wij hier heden allen in leven zijn.
Van aangezicht tot aangezicht heeft de HERE met u gesproken op den berg uit het midden van het vuur ... " Zoals we zien, een rechtstreekse verhouding, die niet over de vaders loopt. En toch spreekt heel Deuteronomium van de kontinuïteit met het verleden. Nagenoeg dezelfde tien geboden immers komen we tegen als in Exodus en ook de overige inzettingen brengen ons op z'n minst in hetzelfde geestelijke klimaat als die van de vorige boeken. Alleen, ze zijn geaktualiseerd, opnieuw toegepast, er is onder de hulp van de Heilige Geest opnieuw mee gewerkt, in een situatie die voor nieuwe vragen stelde.
Wat ik dus onder dit punt wil zeggen, is dat in een tijd van nieuwe Geestesbeweging op de kontinuïteit gelet moet worden. Niemand moet in z'n enthousiasme denken, dat hij de eerste Christen is. Bij alle gebed om de Heilige Geest, dat ik, anders dan ds Vonk, niet alleen geoorloofd, maar ook dringend nodig acht, blijve de Bijbel vooral toch open. Dit laatste is ds Vonk natuurlijk van harte met me eens. Meer nog, hij heeft zelf er z'n levenswerk van gemaakt, de Schriften te ontsluiten.
Alle pinkster-gelovigen zou ik naar zijn boeken willen verwijzen.
2. Het moet ons voorts wel om het wezenlijke blijven gaan in de charismatische beweging. We moeten niet in de uiterlijke tekenen van wonderlijke genezing of tongen taal blijven hangen. Er wordt wel eens onderscheiden tussen de vrucht van de Geest (Gal. 5 : 22) en de bizondere genadegaven van de Geest (1 Kor. 12:4-11).
Dit is een bruikbaar onderscheid.
Ik heb ds Glashouwer in een radio-lezing eens de vergelijking horen maken, dat de bizondere genadegaven de bladeren aan de boom waren, maar dat de vruchten (waarbij hij aan de opsomming van Gal. 5 dacht) belangrijker waren.
Ik vond dat een bezonnen woord en voeg daar nog aan toe, dat de lijst van Gal. 5 begint met de liefde en dat de verhandeling van Paulus over de genadegaven uitloopt op de liefde, als de weg die veel verder omhoog voert. De liefde is de voornaamste vrucht en tevens de voornaamste genadegave. Men kan de mensen niet genoeg naar dit sentrum toespreken. Want we doen erg graag interessanterig en zoeken her bij voorkeur in het buitenissige.
Daarom val ik ds Vonk van harte bij in zijn verzet tegen de voorstelling, dat die bizondere dingen er altijd bij zouden horen. Inderdaad niet, want zelfs in de nieuwtestamentische tijd is er verschil.
In Korinte hoor je ervan, maar bij de Efezieërs weer niet. Is dat karakter-verschil geweest of iets anders?
Het is goed, hier de vrijheid van de Geest te benadrukken.
Maar dan wel de vrijheid naar twee kanten. Dus dat het bizondere, behalve achterwege blijven, ook voorkomen kan. Want ik voor mij kan toch niet akkoord gaan met de. gangbare theologische redenering: "Daarmee (met die gaven) heeft Christus Zijn gemeente door de eerste moeilijke tijd heengeholpen" (p. 31). Op z'n minst zijn er toch in alle tijden zendingssituaties geweest, die met die aanvangsperiode vergelijkbaar waren.
En dat niet alleen. Ik kan me ook niet goed voorstellen, dat ons in de eerste Korinthiërs-brief hele hoofdstukken over deze aangelegenheid bewaard zouden zijn gebleven, als het toch ging om een zaak van strikt tijdelijke aard. De Heilige Geest, van wie uiteindelijk de Bijbel is, had toch kunnen voorzien, dat latere generaties hier op af zouden vliegen met de vraag: hé, waarom toen wel en nu niet?
Zouden we daarom wanneer het over de buitengewone genadegaven gaat, de apostel niet soepel achterna kunnen zeggen: "Zodan, mijn broeders, streeft ernaar te profeteren, en belemmert het spreken in tongen niet." (1 Kor. 14 : 39). Paulus beoordeelde de gaven op hun nut voor de gemeente en gaf derhalve aan profeteren de voorkeur boven het spreken in tongen. Toch wil hij dat laatste niet belemmeren. Die soepelheid zouden wij op z'n minst ook op kunnen brengen. We hoeven dan niet eens te stimuleren, laat staan te drammen.
Misschien, dat we uit de gegevens van het boek Handelingen op dit punt nog deze les mogen trekken, dat de Heilige Geest door zijn toerusting met bizondere gaven in bepaalde situaties iets van een planmatigheid, iets van een strategie aan de gemeente te kennen geeft.
Dat Hij de weg die Hij gaat door sporen kenmaar maakt. Misschien doet Hij dat nu nog wel eens.
Maar om zoiets te duiden, is weer een aparte gave nodig.
3) Tenslotte is van belang dat ieder die zich bij een Geestesbeweging betrokken voelt, bereid is zich daarover voor zijn broeders te verantwoorden en zijn gave ter gelovige diskussie te stellen. Als ik goed ben ingelicht heeft 't daaraan in Breda schromelijk ontbroken.
Het gevaar is hier trouwens in het algemeen bizonder groot, dat men zich in een religieuze hooghartigheid terugtrek t. Verschrikkelijk autoritair poneert men zijn gaven en wie er maar naar wijst, maakt zich schuldig aan heiligschennis.
Daartegenover moet herinnerd worden aan Paulus' opmerking, dat de geesten der profeten aan de profeten onderworpen zijn (1 Kor. 14 : 32). Hij bedoelde wel, dat je innerlijk afstand moet kunnen nemen van je gaven, dat je er kontrêl e over hebt en dat je ze alleen inzet, als je er de gemeente mee kunt dienen.
deze pun ten niet meer dan, met Maar, tenslotte, ik bedoelde met mijn kollega ds Vonk, een nodig gesprek over deze dingen op gang te brengen. Nog eens, ik ben blij dat ds Vonk de ban van het zwijgen gebroken heeft. Hij draagt ook prachtige gegevens aan. Mijn zorg is alleen, dat wij niet in het tegenovergestelde van de Pinksterbewegingen vervallen.