Een boek van Dr. Woelderink (2)

1975-08-01
  • Jaargang 19
  • nummer 28
Een uiterst belangrijke vraag, ja misschien wel de beslissende, in het leven des geloofs is deze: Wat is ten principale het Woord van God, wat is het naar zijn typische aard, wat is de functie ervan, wat wil God ermee doen? Is dat Woord een mededeling van waarheden?
Waarheden over God, zijn werk; over zonde en genade; over de mens en de duivel; over de hel en de hemel? Ja dat is het Woord óók - maar dat is niet het eigenlijke, het diepste, de kern daarvan. Is dat Woord dan mededeling van feiten, van gebeurtenissen? Van de feiten en gebeurtenissen zoals die in het Oude en Nieuwe Testament worden verhaald?
Ja, dat ook. We ontvangen in het Woord van God betrouwbare mededelingen over het ]even en werk van Abraham, van Mozes, van David. Bovenal over het leven, lijden, sterven en de opstanding van Jezus Christus. En vooral ook omtrent Hem zoals Hij nu in de hemel is en vandaar uit zijn Verlossingswerk voltooit - Ja, maar dat is toch ook weer niet het eigenlijke, het diepste, het laatste van dat Woord.
Is het Woord van God dan de weergave van de voorschriften, de aanwijzingen die God daarvan geeft hoe de mensen moeten - beter gezegd: mogen - leven voor zijn aangezicht midden in deze wereld? Ja dat ook. De Schrift is daar vol van. We vinden daarin de wetten die God d!oor Mozes gaf. De profeten zijn vol richtlijnen voor het goede menselijke lieven. En denlk eens aan de bergrede en aan de laatste gedeelten van de brieven van Paulus!
Maar ook die wetten en leefregels zijn het eigenlijke, het centrale, de “scopus" van het Woord Gods in de Schriften niet. Geeft de bijbel ons dan een beschrijving van wat er in het leven, het "innerlijke" en het "uiterlijke" leven, van de gelovigen - en de ongelovigen - zo al kan voorkomen?
Inderdaad ook daarvan is de Schrift vol. We leven daarin over de zonde en de ellende der mensen; over hun berouw, aanvechting, moedeloosheid; hun opstand tegen Gods oen en laten.
En ook over de zekerheid, de rust, de blijdschap die in het leven van Gods kinderen voorkomen. De bijlbel geeft ons een gehele scala van alles wat zich in het hart, de ziel, het leven van de gelovigen kan voorkomen en van alles wat met hen in deze wereld gebeuren kan.
Maar ook dit alles is het wezenlijke, het hart van dat Woord niet. Dat alles is niet de kern en de bedoeling van het Woord des HEEREN.

Met die vraag: Wat is het Woord van God, wat doet het, wat wij God ermee doen - mèt alles wat daarmee samenhangt - is Woelderink heel zijn leven bezig geweest.
Niet als met een theoretische kwestie, maar als een zaak van a1les of niets, van leven of dood. Anders gezegd: hij was er mee bezig op existentiële en op pastorale wijze. Heel zijn omvangrijke, grondige, en scherp onderscheidende theologische kennis heeft hij aan het beantwoorden van die vraag, ten belhoeve van de gemeente van Christus, dienstbaar gemaakt.
Ik wrl zonder op systematische orde te letten op enkele facetten van wat Woelderink over het Woord van God in dit nieuwe boek Verbond en Bevinding - evenals in zijn andere geschriften - zegt, aanduiden.

Vóór alles wijst Woelderink er op dat het Woord der Schriften, het eigen, het levende Woord van God zelf is. Hij sprak het. Hij spreekt het. Hij blijft het spreken. Het is en blijft door alle eeuwen heen een actueel dat wil zeggen: precies op de situatie van de mensen toegespitste - en een dynamisch dat wij zeggen: een kracht uitoefenend woord van de levende God. Dit te zeggen lijkt op het open trappen van een open deur. Maar niets is minder waar!
Misschien werd en wordt in de kerk niets meer vergeten dan juist deze waarheid en werkelijkheid. In de greep van het rationalisme "de grootste vijand van het Christendom", het kwaad waarin zich "de zonde van de mens die als God wil zijn in zijn meest verfijnde vorm optreedt" maakte en maakt men het Woord der Schriften los van "Hem die het gesproken heeft en spreekt, zodat de bijbel een samenstel van geopenbaarde waarheden wordt." Voorts wordt de klaarblijkelijkheid daarvan vaak ook nog gegrond op de toestemming van de menselijke rede, het menselijk verstand. En dan durft men deze "toestemming" nota bene ook nog met de naam "geloof"aanduiden! Maar het Woord van God is niet zonder meer "een Woord" of "het Woord". Het Woord der Schrift is het Woord van God, omdat Hij het spreekt, God komt daarin naar ons toe. Hij grijpt ons daarmee onontkoombaar beet. Wij hebben daarin met Hem zelf te doen. Dit wordt bijzonder duidelijk uit wat we van Abraham lezen. Er staat niet geschreven: En Abraham geloofde het Woord van God. Neen, nadat er verhaald wordt dat God zijn Woord tot Abraham sprak, lezen we: En Abraham geloofde God. Dit wil zeggen: Abraham kreeg met de levende, barmhartige, verkiezende God te doen, werd door Hem, door de kracht van zijn genade, overwonnen en gaf zich daardoor en daarna aan God en diens genade gewonnen. God, God Zelf werd voor Hem zo staat het er ei\genlij:k - de Betrouwbare, de Waarheid, de Rots waarop hij aan kon. Dat Woelderink zo de nadruk legt op die uitspraak: En Abraham geloofde God doet hij niet uit "spitsvondigheid", maar omdat men onder de christenen, gedreven door 'n rationalistische geest. "de Schrift, het Woord van God losmaakt van God zelf, van de levende God. En daardoor ook het geloof losmaakt van de waarachtige, levende Godsopenbaring en dat tot een op zichzelf staand positief iets maakt". Het geloof wordt dan een menselijke daad. En dan zakt het terug in de subjectiviteit, de relativiteit, de dubbelzinnigheid van alle menselijke daden - Abraham geloofde niet maar: hij geloofde God.
Men kan dit alles ook zo zeggen: het Woord van God is het getuigenis van de Heilige Geest, het is Geestesuiting, Geesteskracht, de Geest is er altijd "in" en "achter". En daarom hebben we in het Woord der Schrift met "de waarachtig levende Godsopenbaring" te doen.
"Het gaat daarin niet om een openbaring Gods die in de Schrift beschreven is maar om de levende Godsopenbaring aan ons in en door het geschreven Woord. God spreekt in het ;.
Woord tot ons en als God spreekt, dan getuigt de Heilige Geest."
Dit waarachtige, levende Woord van God werkt nu het geloof. Men moet dit geloof scherp onderscheiden van geloofswerkzaamheden, geloofsdaden. Die vloeien uit het geloof voort, maar zijn het geloof zèlf niet. Het geloof in het levende Woord van God, het geloven in God is niet een of andere "psychische werkzaamheid". Het geloof is juist "het op zij schuiven van de mens, van 's mensen woord en 's mensen wijsheid, opdat God plaats krijge om te spreken; het is juist een sterven, opdat God als de Levende worde gekend, misschien beter: omdat God als de Levende wordt gekend. "Die niet werkt, maar gelooft in Hem"."

Woelderink wijst er voorts op dat het Woord van God tot "inhoud" heeft Wet en Evangelie.
Men kan ook zeggen: Wet en belofte des Evangelies, Wet en Evangelie dat naar zijn typische aard belofte is. Wanneer men spreekt van Wet en Evangelie moet men terdege op zijn hoede zijn voor een verkeerde gedachteassociatie, Steeds was en is men namelijk geneigd ten gevolge van dat verbindingswoordje "en" Wet en Evangelie op te vatten als twee zelfstandige grootheden die aan elkaar worden gekoppeld. Precies hetzelfde als wordt gedaan met Woord en Geest.
Die worden, ook al weer ten gevolge van dat gevaarlijke, tot misverstand aanleiding gevende, koppelwoordje en eveneens dikwijls ars twee naast elkaar staande en werkende instanties opgevat. ,-,Twee paarden voor één wagen", Men beseft dan niet dat Woord en Geest een éénheid vormen, Het Woord is, het zij nog eens gezegd, Geestesuiting, Geesteskracht, Geesteswerking. Waar de Geest werkt werkt Hij mèt en dóór het Woord. En waar het Woord gehoord wordt is de Geest aanwezig en werkt Hij, De Geest werkt" getuigt, overtuigt, verzekert, verzegelt door het Woord. En wie het Woord verwerpt, verwerpt, wederstaat, bedroeft de Heilige Geest. Zoals nu Woord en Geest onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn zo is dat ook het geval met Wet en Evangelie. "Wet en Evangelie zijn onlosmakelijk met elkander verbonden in een wondere levenseenheid; wie hier scheiden wil wat God verenigd heeft, zal berde verliezen. Een Evangelie zonder Wet is niets dan een fantastische droom, die gelijk opium de mens bedwelmen kan, daarna wordt de ellende des mensen nog groter en vreselijker: en de Wet zonder het Evangelie wordt een aan het Evangelie vijandige macht gelijk het farizeïsme doet zien: een macht die niet behoudt maar de mens juist ten verder vervoert."
Op prachtige wijze wordt de eenheid van Wet en Evangelie ons voor ogen gesteld door de ark, de "verbondskist". Die ark is het teken, het blijk van de verbondseenheid, de verbondsvereniging van God en zijn volk. Welnu, in die kist zijn de twee tafelen van de Wet neergelegd! Dat is een bijzonder mooie en duidelijke uitbeelding van wat op de Sinaï is gebeurd. De wetgeving is daar namelijk opgenomen in de verbondssluiting. Zelfs vóórdat de HEERE de .,tien woorden" spreekt, wordt het volk herinnerd aan de verlossing uit Egypte, het diensthuis van zonde en slavernij, en maakt God het vonk Israël tot zijn volk.
De HEERE begint immers met te zeggen: "Ik ben de HEERE Uw God, die U uit Egypteland heeft uitgeleid". Met dit Woord maakt God de HEERE zich tot God van zijn volk, en dat volk tot zijn volk. Hij zegt niet: als je dat en dat doet zal Ik je God zijn; of: je moet er maar dringend om smeken dat Ik je God wordt; of: wat zou het heerlijk zijn als Ik je God en jullie mijn volk werd. Neen, God zegt: Ik ben de HEERE Uw God. En door en in dat woord is Hij dat. Dát is het Evangelie. En als God dat gezegd heeft, niet eerder, spreekt Hij de tien woorden der wet!
In Gods omgang met zijn volk gaan nu Evangelie en Wet altijd hand in hand. Als Paulus aan de stokbewaarder de weg ten leven, in het Evangelie geopenbaard, bekend maakt kan hij dat niet anders doen dan door te zeggen: geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden. Het Evangelie eist geloof. En als eis, behoort deze eis tot de wet. In de Catechismus wordt het eerste gebod terecht omschreven als het gebod om te geloven. Maar het is duidelijk en moet ook in volle klaarheid worden gezien, dat juist het Evangelie met deze eis, met deze wet komt. dat ook het Evangelie deze eis, deze wet dráágt. En daarbij moet steeds bedacht worden dat op deze wijze het Evangelie niets van zijn karakter als Evangelie verliest en evenmin de Wet iets van haar karakter als Wet.
Wanneer men dit alles goed inziet zal men nooit tot de bewering kunnen Nomen dat de wet aan het Evangelie voorafgaat om ons van zonde en schuld te overtuigen! Het is dan immers duidelijk dat de eis, de wet der geloofs, het Evangelie vooronderstelt, uit het Evangelie voortvloeit. Paulus wordt op de weg naar Damascus niet aan een of andere zonde, zeg maar tegen het vijfde, zesde of zevende gebod, ontdekt. Neen, het wordt hem duidelijk, opeens, plotseling; dat hij Jezus die God gezonden heeft heeft verworpen. Dat wil zeggen: hlij wordt aan zijn ongeloof ontdekt, waardoor hij de Christus verworpen heeft! Zo is de kennis der zonde - van de hoofdzonde, de grootste zonde: het verwerpen van Jezus Christus - uit de wet. Maar deze wet is zo met het Evangelie verbonden dat men ook kan zeggen dat de krach] van het Evangelie Paulus' ogen opent en hem levend maakt. "Het Evangelie omvat en hanteert de wet, opdat wij, onze zonden kennende, Gods genade zouden aannemen." Uit dit alles volgt ook dat er geen kennis van zonde is zonder kennis van de genade. En omgekeerd: geen kennis van genade zonder kennis van zonde. Deze tweeërlei kennis is één. Ze zijn twee zijden van eenzelfde geloofskennis.

Dit zijn een paar momenten uit wat Woelderink, worstelend met de taal, zegt over het wondere Woord van onze Vader die in de hemelen is. En dit wordt uiteraard in het nieuwe Woelderink-boek op veel duidelijker, omvattender en heerlijker wijze gezegd dan ik het hier kon aanduiden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief