Isaäc da Costa en de Afscheiding van 1834
1975-08-01
J. Kamphuis, - Jaargang 19
- nummer 28
Isaäc da Costa en de Afscheiding van 1834.
Groningen, "De Vuurbaak" 1975.
74 blz. w.o. 30 blz. noten.
Prijs f 12,-.
Wat heeft Isaäc da Costa weerhouden om met de Afscheiding van 1834 mee te gaan? Met deze zin vangt Prof. Kamphuis zijn betoog aan. Deze indringende vraag, die eigendijk vrijwel voor de gehe, Ie Reveilkring geldt heeft al velen bezig gehouden. Wat zou de Nederlandse kerkgeschiedenis anders geweest zijn als dit niet zo geweest zou zijn!
Sommigen meenden het antwoord te vinden in een te groot sociaal en cultureel verschil tussen de Reveilkring en de Afgescheidenen.
Maar Prof. dr K. H. Miskotte heeft in zijn Haarlemse jaren in een "Korte Nabetrachting over de Afscheiding van 1834" met de karikatuur, alsof De Cock een boerse, onbeschaafde natuur zou zijn geweest, die bij die Groninger kleiboeren juist paste, wel zeer grondig afgerekend. Maar wat dan?
Een twintig jaren geleden heeft Prof. P. Deddens een hele serie artikelen in "De Reformatie" gewijd aan het onderwerp "Groen van Prinsterer en de Afgescheidenen".
Velen zouden "De Vuurbaak" dankbaar zijn als zij deze artskelen liet herdenken en ze binnen het bereik van de lezers van nu bracht, In zijn rectorale rede van 6 december 1974 bespreekt Prof. Kamphuis nu de vraag, wat heeft Da Costa weerhouden van de Afscheiding en publiceert hij zijn oratie in de "Kamper bijdragen".
Prof. Kamphuis heeft met grote speurzin veel materiaal bijeen gebracht om ons inzicht in deze tragische gang van zaken te verhelderen.
Ook diegenen die het magistrale werk van Mej. dr M. E. Kluit en de werken van Dr G. Keizer en Dr J. C. Rullmann, alsmede Piersons "Oudere Tijdgenoten" kennen zullen toch veel nieuws tegen komen. Prof. Kamphuis verdeelt zijn stof III 5 hoofdstukken. Vooral de hoofdstukken 2 en 3 zijn bizonder boeiend. In de periode oktober '34- januari '36, waarover deze hoofdstukken lopen, leeft Da Costa in grote tweestrijd. Telkens schijnt het of hij zich bij de Afscheiding zal aansluiten en telkens aarzelt hij weer. "Er moet iets gebeuren". maar wàt dan? Maar als ds H. P. Scholte, wie hij een "broederlijke genegenheid" toedraagt, zegt dat er zeker genoeg gebeurd is, dan is de aarzeling niet overwonnen, en houdt hij zijn bezwaren. Die blijven ook, als de helaas zo vroeg ontslapen Mr A. M. C. van Ham in juni 1836 zich bij de Afgescheidenen voegt. ' Ja - veelal vriendelijkheid, begrip en steun voor en aan de gescheiden broeders, maar - afwijzing van de Afscheiding zelve. Inmiddels is Ds H. de Cock geschorst en afgezet. Ja, de afwijzing wordt sterker. Wel de erkenning dat de afgesclheidenen tot de gereformeerde gezindte behoren. Hartelijke deelneming met hen, maar de Scheiding blijft veroordeeld.
Na 1836 gaat de lijn duidelijk van de Afscheiding af. Er komen dan allerlei motiveringen die het blijven in de "nationale kerk" aannemelijk moeten maken. Het gaat om het "actueel belijden" niet om de "oude formulieren". Zo duidt Prof. Kamphuis zijn standpunt kernachtig aan. Weliswaar heeft Da Costa onder dit alles zeer geleden. Het wordt stil om hem heen.
- Graag hadden we gezien dat Prof. Kamphuis ons hierover meer mededeelde, al viel dit enigszins buiten het bestek van zijn studie, Dit stuk ontroerde mij zeer.
Da Costa is niet meer de held, die Ds N. Schotsman bijviel in zijn "Eere-zuil ter gedachtenis van de voor tweehonderd jaren te Dordrecht gehoudene Nationale Synode" en die in 1823 met zijn "Bezwaren tegen den Geest der Eeuw" daartegen de strijd aanbond. Dr J. C. Rullmann vertelt zelfs dat Da Costa in 1843 in zijn "Rekenschap van gevoelens" ter gelegenheid van het adres aan de Synode van de "Zeven Haagscha Heeren", dezen nagaf "yver zonder verstand, onvoorwaardelyke gehechtheid aan Formulieren hun onbepaald en onveranderlijk vasthouden aan menselijke geschriften, hun miskenning van het levensbeginsel der Reformatie: de volstrekte genoegzaamheid der Heilige Schrift." Hun bekrompen sektarisme is hem onverdraaglijk. Hoe moet deze uitval van Da Costa de strijders voor Kerkherstel, met name Groen van Prinsterer, gekwetst hebben!
Rullmann spreekt dan ergens van de tragiek van het Reveil.
Prof. Kamphuis heeft een zeer waardevolle bijdrage geleverd voor de kennis van de Kerkhistorie van de zo zeer belangrijke 19e eeuw. Zijn er nu geen vragen meer?
Als hij concluderend zegt dat "Da Costa als romanticus gekozen heeft tijdens de Afscheiding en voor de "medische weg" van Kerkherstel. Een mythe, een droombeeld kwam in de plaats van de gehoorzaamheid", dan rijzen toch nieuwe vragen. Hoe is het dan in 1843? Dan is er zelfs geen mythe meer.
Verder, wij die staan na Afscheiding, Doleantie, Vrijmaking en weggezonden of niet ontvangen worden op meerdere vergaderingen - dit laatste geldt dan wel niet voor Prof. Kamphuis - beleven het breken met de "Nationale Kerk der Reformatie" anders dan de Reveil kring. Bovendien hebben wij de ervaring van "de medische weg".
Enige voorzichtigheid is echter wel geboden als wij denken aan figuren als Hoedemaker, Woelderink en vele anderen al kunnen wij ook instemmen met de veel krassere uitspraak van Dr J. C. Rullmann die in 1934 bij de herdenking van de Afscheiding in zijn polemiek met de Haagse Dr W.J. de Wilde, deze toevoegde dat hij door zijn blijven in de Hervormde Kerk zijn Heer openlijk verloochende.
Veel zal nog wel onduidelijk blijven in het leven van Da Costa. Misschien was zijn geest te gecompliceerd. Misschien ook te individualistisch.
Ik denk hierbij aan zijn verhouding tot Kohlbrugge, waar beider houding zeer verdrietig was. Deze aankondiging is wat uitgelopen. Het moge een bewijs zijn van de intense belangstelling in het onderwerp van dit geschrift, dat mij boven mate boeide. Het boekje is keurig verzorgd. Het kome in veler handen!