Jeremia en Ebed-Melech
1975-08-08
Een lijdende knecht- Jaargang 19
- nummer 29
Voor ons besef spreekt Jes. 53 (“de lijdende knecht des HEREN") zonder meer van de Messias. Maar waarom zou deze profetie Dolk niet van toepassing zijn op andere knechten, zoals Ezechiël (Ez. 4 : 1-8), de profeet of de priesterprofeet Jeremia? Waren ook (hogepriesters en profeten geen gezalfden? En is Jeremia iets bespaard gebleven? Hij werd, letterlijk en figuurlijk lijdend voorwerp: hij handelt niet meer - er wordt met hem gehandeld; en hoe (Jer. 38: 1-13)! Hij, de priesterzoon wordt profeet tegen wil en dank - hij kan de dag van zijn geboorte wel vervloeken (20 : 7-18). En àls hij het is, weet hij van te voren wat hem te wachten staat: ze kunnen zijn bloed wel drinken. Zelden is er zo'n rampzalige profeet geweest. Het beste wat hij de mensen raden kan, is zidh zonder slag of stoot aan Nebukadnezar over te geven. In de ogen van zijn volksgenoten een défaitist, een landverrader.
't Doet denken aan Colijn in 1940 met diens brochure "Op de grens van twee werelden". Alleen: Colijn was een profeet die brood at, en Jeremia ... wals óók een profeet die brood at (37 : 21). Maar Jeremia had i.t.t. Colijn een uitdrukkelijke opdracht: te profeteren "die Untergang des Morgenlandes" en de opkomst van het Groot-babylonische Rijk van Nebukadnezar.
De baemhaetigheden dee goddelozen
Een priester profeteert de ondergang van tempel, stad en volk van Jahweh in naam van Jahweh zèlf - kan het vreemder? Met hoeveel vraagtekens moet de man zelf hebben gezeten? God heeft niet alleen rare kostgangers in de Bakkerstraat (37 : 21) - broodetende profeten, maar ook vreemde "broodbezorgers": van wat Jeremia profeteert lusten de honden nog geen brood, laat staan ministers en generaals (38 : 1 V.V., vgl. 21 : 1-10). Het moderne levensgevoel moet Jeremia niet vreemd zijn geweest: wat je ook doet of zegt - je doet het altijd verkeerd. Hij walgde ervan (20 : 7-18). Met dit verschil, dat Jeremia het nog veel moeilijker had: de mensen van nu walgen van het leven omdat zij niet in God (kunnen) geloven en Jeremia walgde ervan juist omdat hij niet anders kon dan God geloven... Intussen is, zoals gezegd, de rol van de koning Zedekia praktisch uitgespeeld. Hij is óók een speelbal geworden, en geeft dat machteloos toe (37 : 5). Een mens zonder geloof is een zwak mens, een weifelaar. Goddelozen maken er g; etig gebruik van en nemen het heft in handen: Jeremia, de gelovige, moet er aan geloven. En hoe: een langzame dood - levend begraven (38 : 6). Hoe voorzichtig behandelen ze hun (staats)vijand ... Leedvermaak is het deel van het lijdend voorwerp en...de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed (Spr. 12 : 10).
God zal het u lonen
Het touw waaraan Jeremia voorzichtig wordt neergelaten is lang, maar de arm des HEREN is niet verkort, te kort (Jes. 59 : 1) om te verlossen! De éérste van wie Jeremia hulp mocht verwachten - de koning -llaat hem vallen, De laatste van wie hij' hulp kon verwachten, een Moorman, een Ethiopiër, redt hem het leven. Ebed-Melech: knécht van de koning; op eigen initiatief. 't Gaat a'l!1erna al' buiten Jeremia om. En vrijwel' ook buiten de koning. De verantwoordelijkheid blijft voor de Meerman: de barmlhartigheden van een heiden zijn gróót (38 : 12)!
Misschien heeft Jeremia, toen Elbed-Melech zich over de rand van de put boog, terug moeten denken aan zijn eigen profetie tegen Israël: kan een Moorman zijn huid veranderen of een panter zijn vlekken? Dan zoudt ook gij in staat zijn goed te doen, gij die gewend zijt kwaad te doen (13 : 23)!
God ziet een Moorman het verder brengen dan een Davidszoon: hij doet goèd. Al kan hij zijn huidskleur niet veranderen. En God zal 't hem lonen! Bi} de ondergang van Jeruzalem worden aanvankelijk maar twee namen van geredden genoemd, twee mensen die in leven b1ijrven. De ene is Jeremia (39 : 11 v.v.), De andere is Ebed-Melech (39 : 15-18).
Gods reserves
Ik weet niet of ze elkaar toen nog tegengekomen zijn, de Moorman en de zoon van Abraham-Levi. Maar ik weet wel dat, al is de kerk gekerkerd, het Woord van God niet geboeid is (2 Tim. 2 : 9). Dat is 't fascinerende: Zedekia doet niets, Jeremia kàn niets doen, maar de God van Israël doet alles wat Hem behaagt (Ps. 135 : 6).
Zijn Woord houdt stand in eeuwigheid. Jazeker - want het eerste dat Jeremia deze Ethiopiër (zijn landsaard staat er nadrukkelijk bij vermeldt) moet zeggen, is: zie, Ik doe mijn woorden over deze stad in vervulling gaan ten kwade en niet ten goede, en zij zullen voor uw ogen geschieden te dien dage. Met eigen ogen zal deze "heiden" zien dat de God van Israël zijn stad, volk en tempel', ja zelfs zijn goede naam prijsgeeft - voorlopig. Israël krijgt waar het om gevraagd had.
Maar deze Moorman krijgt wat hij niet heeft durven hopen. Hij heeft zrijn leven willen verliezen en zal het behouden. Hij zal het zien en beleven dat de God van Israël dingen doet die in geens mensen hart waren opgeklommen.
De schrik mag de man om het hart slaan, als hij' aan de vervulling van deze profetie denkt (op gezag van de meest ongeloofwaardige, hulpeloze profeet die hij ooit is tegengekomen: heeft hij hemzelf niet van de dood moeten redden?).
En wat de inwoners van Jeruzalem te zien krijgen en ervaren ziet hij evengoed. Een stad rondom omsingeld, afgesneden van alle toevoer van brood en van alle hulp. Een machtig leger waartegen alle verzet machteloos bleek en dat en passant farao Hofra (en dus Egypte) tot een roemloze terugtocht noopte. Een onafzienbaar leger getrainde, weldoorvoede soldaten, Maar wat Israël, ondanks heugenis aan Eliza's dagen, niet meer kern inspireren, zal zijn betrouwen in die angstige situatie zijn, Met nadruk moet Jeremia hem meedelen: zo zegt de HERE der legerscharen, de God van Israël...
Zonder geloof vaart niemand wel
Zelfs al overstromen de plunderaars straks de stad dronken van lust tot moorden en plunderen, de God van Israël zal zijn legers opdracht geven deze Moorman te beschermen. Het blijft de omgekeerde wereld. Beschermden Gods engelen Israël op zijn tocht door de woestijn vanuit Egypte (Ps. 91 : 11), nu laten ze Israël schieten en zullen ze deze man uit het land ten zuiden van Egypte behoeden. En over op buit beluste soldaten gesproken (wat past God zich aan aan het taalgebruik van een belegerde stad!), Jeremia bood Israël aan uit Gods naam: wie de stad uitgaat naar de Chaldeeën, zal leven en zijn ziel als buit hebben (38 : 2). Maar ais Israël weigert, wordt wat het nog heeft aan anderen gegeven, aan een Moorman, een heiden: Ik (!) zal u voorzeker doen ontkomen...uw leven zal u (!) ten buit zijn. Een zaak van vertrouwen, geloof - in Israël niet gevonden. Maar desondanks: mijn rechtvaardige zal door geloof leven! Een andere weg ten leven is er niet...