Op de Wilhelminaschool is het begonnen...
1975-08-08
Hij stond helemaal vooraan; een grote, zwaar gebouwde man. En hij was er helemaal bij. Luisterde met aandacht naar "de woorden van het eeuwige leven, die in die 'rouwdienst' gesproken werden, zong van harte de liederen van de liturgie mee: 'Vaste rots van mijn behoud ... '. Een opvallende man. En ik wist: ik kende hem. Maar thuisbrengen kon ik hem niet. Geen wonder: ik kom bijna nooit op mijn oude geboorteplaats, hoeveel banden ik daar ook heb. Meest op het kerkhof. Dáár ligt het dorp, waar ik ben gewiegd, Vader, Moeder, een oude schoolmaitres, een onvergetelijke schoolmeester, m'n oude dominee, voor mij brandende en schijnende kaarsen, helpers op de weg. Ook anderen. Maar dat is alles lang geleden. En die éne man kende ik niet, hoewel ik hem kende.- Jaargang 19
- nummer 29
Tot na de begrafenis hij op mij afkwam, mij de hand toestak, mijn naam noemde, en toen vielen me de schellen van de ogen: Jan Mons ... ! We hadden elkaar in meer dan veertig jaar niet gezien, en we hadden zo heel dicht bij elkaar geleefd, woonden en speelden als kinderen in dezelfde straat. Daar spéélde je toen nog. En 'de straat' was niet maar een geografisch, de straat was toen nog een sociaal begrip; in die dagen, waarin de sociologie nog niet was uitgevonden. Maar onze kennismaking dateert van 1913. Op de eerste juli werden we door de juf van de eerste klas naast elkaar in de bank geschoven. En van toen af waren we onafscheidelijk.
Hij was uit een onkerkelijk en niet-godsdienstig gezin. Vader een vakbekwaam werkman, moeder een volksvrouw, bèste mensen. Dat wel. Maar ze stuurden Jantje naar de Christelijke, naar de Gereformeerde school niet om 'de school met de Bijbel', maar omdat het zo lekker dicht in de buurt was, om de hoek zogezegd. En de bovenmeester en de"
bestuurders van die school waren toen nog wel zo Christelijk en zo Gereformeerd, dat de schooldeur open stond voor zo'n heidens kind. Want we wisten, dat God de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen. Maar met máte: slechts tor in het derde en vierde geslacht. En dat zijn barmhartigheid gaat over duizenden degenen, die Hem liefhebben.
Dat God ook naar verdoolde verbondskinderen omziet.
We zaten na de herdenking al gauw in een haastig gesprek. En ik wilde niet scheiden zonder één ding te weten. En omdat de tijd kort was, zette ik hem de pistool op de borst en zei: Jan, vertel me eens: Vrees jij God? U vind dat misschien ontactisch, zo’n vraag op de man af.
Maar het is catechetische wijsheid: de Heidelbergse catechismus valt U en mij ook bijna rauwelings op het dak met de vraag: Wat is Uw enige troost, beide in het leven en in het sterven? ... Met dit verschil dat de catechismus 'Uw' niet met een hoofdletter schrijft. En zo waagde ik het er op: Jan, vertel me eens, vrees jij God? En vlot kwam het antwoord: Ja, ik heb de Here Jezus lief ... Toen deed ik een tweede schot in tijdnood: Jo, hoe is dat zo gekomen? En het antwoord: Dat is een lang verhaal, maar het is begonnen op de Wilhelminaschool... Dat heb ik nooit vergeten.
In een keer zag ik het weer voor me: die schoollokalen, die juffrouw, de meesters. Dat waren ze: nog èchte meesters. Die hadden elke morgen argeloos de Bijbelse geschiedenis verteld. Behalve 's maandagsmorgens. De maandagmorgen was voor het psalmversje. Maar op de andere dagen begon het met de Bijbelvertelling.
Die meesters vertèlden. Echt. Zonder stichtelijkheden. Zonder toepassing.
Ze vertelden en ze preekten niet. Van de Here bij Abram onder de eikenbomen van Mamre, van de uittocht uit Egypte, van de muren van Jericho.
Allemaal ècht gebeurd. Van de kribbe van Bethlehern. En van een léég graf. Omdat Jezus was opgestaan. Zo hebben ze vertèld. En dat is iets geweldigs. Want de vertelling is de meest autochtone, de meest originele, de meest krachtdadige en de meest effectieve manier van de verkondiging. Uit de Bijbel vertellen is altijd návertellen. Want de Bijbel is Gods grote Vertelboek. De profeten en de apostelen hebben nooit getheoretiseerd, getheologiseerd, nooit in het afgetrokkene gesproken, maar ze hebben verteld, zoals de HERE zelf verteld had aan hen. En in die verhalen van God komt Hij op ons aan: de God van de schepping, de God van Abraham, Izaäk en Jakob; de God, die de sterren bij name roept, de God en Vader van onze Here Jezus Christus, een God om te vrezen, een God om lief te hebben; de God, die midden in de geschiedenis zijn gangen gaat 'zo vol roem en eer', de God van Vader en Moeder ook. God heeft ons nooit vermoeid met theorieën over het Middelaarschap, met 'alternatieve' leringen, maar Hij heeft verteld door de mond van de Getuigen: 'Zie het Lam Gods. En zo is het begonnen. Op de Wilhelminaschool. Op de 'School met de Bijbel'. Van negen tot half tien. Daar hebben de zaaiers het zaad gestrooid.
Argeloos. In de harten van geheide Gereformeerde kinderen. En in harten van vreemden. En toen zijn ze gaan slapen. En het ontkiemde en zij wisten zelf niet hóe.
'Het is begonnen op de Wilhelminaschool'.
Wat zou je het die oude meesters graag eens vertellen.
Maar ze zijn dood.
Hun kinderen kwamen tot eer en ze weten het niet.
Maar de dag komt.
De doden, die in de graven zijn, zullen horen de stem van de Zoon des mensen en zullen opstaan.
En dan zullen ze zien, dat hun arbeid niet ijdel was in de Here.