De verhouding tot de kerken binnen verband

1976-01-30
  • Jaargang 20
  • nummer 5
De Psalmberijming

Eén van de redenen waarom ik aandacht heb besteed aan de verhouding tot de kerken binnen verband is het feit dat de synode van Kampen een eigen psalmberijming en gezangenbundel heeft aanvaard.
Wanneer deze plannen doorgang vinden is de tijd nabij waarin de gebrokenheid van het kerkelijk leven zich ook manifesteert bij het zingen van psalmen.
In de reacties die ik op mijn schrijven heb ontvangen zijn mij ook vragen gesteld over deze zaak.
Er zijn broeders en zusters die er bezwaar tegen hebben dat de nieuwe berijming in onze kerken steeds meer inburgert.
Het kan daarom zijn nut hebben iets te vertellen over de gang van zaken binnen de vrijgemaakte kerken op dit punt.
Van de wenselijkheid van een nieuwe berijming van de psalmen was men in onze kringen reeds lang overtuigd.
In een opstel over deze zaak schreef K. Schilder in het jaar 1927: "Een gemeente die zichzelf respecteert moet niet volstaan met het verlangen dat er worde gepreekt "naar de mening van de Heilige Geest". Zij móét ook zelf zóó willen zingen. Dat is te zeggen: onze huidige psalmberijming moet wèg."
De omstreeks 1936 uitgegeven psalmberijming van ds H. Hasper werd aanvankelijk met groot enthousiasme begroet.
Op de agenda van de synoden van de vrijgemaakte kerken kwam al spoedig het punt Psalmberijming voor en terzake kundige deputaten zetten zich aan 't werk.
Ik wil nu iets vertellen over de behandeling van deze zaak op de synode van Rotterdam-Delfshaven in de jaren 1964-65.
Het is praktisch de laatste synode geweest waarop de kerken nog ongedeeld bijeen waren.
Deze synode is vooral bekend geworden door het trieste feit dat zij is uiteengevallen na de behandeling van de zaak "Groningen-Zuid", en heeft daarom, zeker Onder ons, geen beste pers gehad.
Toch zijn er op deze synode besluiten genomen om blij mee te zijn en één daarvan was het besluit t.a.v. de psalmberijming.
De voorbereiding van de hierop betrekking hebbende stukken was in handen gegeven van commissie drie, die ook de zo gevoelige zaak Groningen-Zuid kreeg toegewezen.
Aan de commissie werd o.m. in handen gegeven het rapport van deputaten inzake de psalmberijming dat ondertekend was door de broeders: P. A. Hekstra, G. A. Hoekstra, B. Jongeling, M. Lok, D. W. L. Milo, E. Teunis, D.Jzn en J. J. Verleur, allen terzake kundige mannen.
Deputaten hadden te adviseren over een psalmberijming uit het voorhanden materiaal en dat was nogal wat.
In de eerste plaats moet genoemd het Psalter 1949 (Hasper), daarnaast waren er proeven van Ds L.W. Muns, J. Luijkenaar Francken en een aantal berijmingen van broeders uit onze kerken.
Als algemene conclusie van deputaten vermeldde het rapport: Het psalter 1949 is - mits na enige ingrijpende wijzigingen - wellicht het beste bruikbaar te maken.
In het rapport kwam geen woord voor over de nieuwe berijming van de interkerkelijke stichting, die haar voltooiing naderde.
In de besprekingen in de commissie werd wel de aandacht op deze bundel gevestigd, Er waren synodeleden met mij van mening dat onze kerken er goed aan zouden doen wanneer zij hun medewerking verleenden aan het tot stand komen van deze berijming. Het lag in de lijn der verwachtingen dat de Ned. Herv. Kerk en de Geref. Kerken (syn.) deze berijming zouden aanvaarden; ook de Christ. Geref. Kerken hadden leden afgevaardigd voor de werkcommissie, zodat het er naar uitzag dat deze berijming algemene aanvaarding zou vinden.
Waarom zouden onze kerken in zo'n belangrijke zaak niet meewerken.
Voor dit standpunt was in de commissie geen meerderheid te vinden, men gaf er de voorkeur aan om verder te gaan met het toetsen van Psalter 1949 en de berijmingen die ik zoëven noemde.
De voorstanders hebben zich toen bij de meerderheid aangesloten, daar we alle niet direkt nodige spanningen ter synode wilden vermijden, omdat we vooral in commissie drie wisten wat er nog op het vuur stond.
De voorstellen van de commissie in een uitnemend en helder betoog werden door wijlen br. D. Roorda aan de synode voorgelegd.
Wie schetst onze verrassing toen bij de bespreking van de zaak Prof. H. J. Schilder een pleidooi voerde voor medewerking aan de bundel van de interkerkelijke stichting, intussen bekend als de nieuwe berijming.
Er kwam zoveel bijval dat rapport en voorstellen naar de commissie teruggingen voor aanvulling op dit punt.
U ziet: het valt ook wel eens mee met een synode!
Dit alles staat me nog zo helder voor de geest, omdat ik namens oommissie drie van de synode contact heb opgenomen met één van de leden van de werkcommissie van de Stichting en toen terecht kwam bij mijn vroegere leermeester Prof. dr W. H. Gispen, die bijzonder blij was met medewerking van onze kant en aanspoorde om haast te maken, omdat men met de berijming al ver was gevorderd.
Uit de acta is mij verder bekend dat de synode besloot aan deputaten op te dragen, naast de toetsing van de diverse berijmingen, enkele broeders op te dragen om zo mogelijk als waarnemers deel te nemen aan de arbeid van de revisie in de Interkerkelijke Stichting voor de Psalmberijming en te onderzoeken of genoemde berijming bruikbaar zou zijn voor de eredienst in de Gereformeerde Kerken.
Tengevolge van dit besluit hebben namens onze kerken de broeders H. J. Schilder, M. Lok en H. de Jong. als waarnemers de vergaderingen van de werkcommissie bijgewoond en naar mij is verzekerd gewaardeerde, positieve bijdragen geleverd.
Uit het bestluit van de synode van Kampen blijkt nu dat de nieuwe psalmberijming, ondanks onze -medewerking, is gewogen en te 1icht bevonden.
De bezwaren tegen deze berijming zijn bekend; zij leven ook elders b.v. in de Christ. Geref. Kerken en onze kerken.
Na een ervaring van enige jaren met deze bundel vraag ik mij af, of deze bezwaren opwegen tegen de verbetering t.o.v. de oude berijming, die zo duidelijk de sporen van een leer over "God, deugd en onsterfelijkheid" draagt.
Een volmaakte berijming zullen we op deze aarde nooit krijgen en voor één psalmberijming voor de kerken in Nederland moeten we bereid zijn een offer te brengen.
De bezwaren moeten de broeders en zusters binnen verband wel zwaar wegen, om het isolement waarin men komt te rechtvaardigen.

De vraag mag gesteld worden of er op dit punt enig overleg mogelijk is met andere kerken van gereformeerde belijdenis, want het wordt een chaotische toestand.
Wanneer de vrijgemaakte psalmberijming wordt ingevoerd zingt men in gereformeerde kringen drie verschillende berijmingen: de "oude" van 1773, de I.K.B. van 1967 en de vrijgemaakte van 1975.
Het kan nu al moeilijk zijn, wanneer een kerkelijk verdeelde familie in blijde of droeve dagen een psalm wil zingen.
En hoe dikwijls komt het voor dat b.v. de ouders binnen verband zijn maar de kinderen buiten verband of omgekeerd.
Hoewel ik terwille van de eenheid en gemeenschap, ook in gebrokenheid, bereid zou zijn tot een overleg op dit punt, moeten we er m.i. de ogen niet voor sluiten dat de nieuwe berijming intussen zoveel ingang heeft gevonden dat zij niet meer is terug te dringen.
Wanneer iemand er moeite mee heeft dat in onze kerken al meer uit de nieuwe berijming wordt gezongen, dient te worden bedacht dat wij geen keus hebben.
Wij hebben geen eigen scholen n wanneer de kinderen op school een psalmvers leren is dit in de regel uit de nieuwe berijming.
Overigens, wanneer er onder ons meer zekerheid is over de regels voor het kerkverband, zal één van de eerste zaken van overleg naar goede orde in de kerk moeten zijn die van de psalmen en gezangen in de erediensten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief