Hebt uw vijanden lief (1)
2005-02-25
Een tijdje geleden begon ik een preek over het woord van Jezus uit Matteüs 5:44 (Hebt uw vijanden lief) met de volgende inleiding: ‘Ik weet een mooi cadeautje voor u, om te vragen voor Sinterklaas. Een exemplaar van de Koran. Maar dominee toch! Ja heus, ik meen het. Maar vindt u dan ook niet dat de bijbelkennis onder de christenen met sprongen achteruit gaat? En wou u ons dan zetten aan het lezen van een andere bijbel? Van een andere godsdienst?- Jaargang 49
- nummer 4
Nu, luister. Niet om God te leren kennen spoor ik u daartoe aan (daar hebt u uw eigen bijbel voor), maar uw moslimbuurman. Ik verwacht trouwens dat het uw kennis van de bijbel geen kwaad maar goed zal doen.
Want u leest en denkt bij uzelf: Wat zegt onze bijbel daar ook al weer van? U gaat vergelijken en dan komt, het kan niet anders, de bijbel in zijn eigenheid weer duidelijk voor u te staan. Want het verschil tussen die twee is groot. Ja, maar het kan toch ook anders uitpakken? Dat we voor de Koran gewonnen worden? Dat kan, ja, maar de Heilige Geest is er ook nog. U hebt een godsdienst die er tegen kan dat ze met andere vergeleken wordt’. Tot zover de opening van de preek.
Gesprek
De islam is nadrukkelijk onder ons en de Here wil dat we ons in de godsdienst van onze buurman verdiepen.
Zoals de Here Jezus zich verdiepte in wat de Samaritanen geloofden en bezig hield. Anders had Hij nooit dat gesprek bij de bron met die vrouw uit Sichar kunnen voeren (Johannes 4).
Heel dat in de weer zijn van onze Here met de Samaritanen is vandaag voor ons leerzaam. Alsof Hij de multireligieuze samenleving van deze tijd voorzien heeft. En waarom zouden we dat eigenlijk niet geloven? Hij is toch Gods Zoon die de tijden overziet?
Hij heeft het ons voorgedaan hoe we met religieverschillen om moeten gaan. Niet arrogant, niet neerbuigend, niet eigenwijs, maar belangstellend. En dan ook - zeker!met kritiek, scherpe kritiek: 'Gij aanbidt wat gij niet weet', zegt Hij tegen de Samaritaanse vrouw. 'Wij aanbidden wat wij weten', gaat Hij verder en dat is taal van iemand die een overtuiging heeft en waar dus iedere onverschillige en iedere vrijblijvende zich aan ergert (Johannes 4:22). Het bijbelse voorbeeld waar ik mee kom zegt dus wel iets over de soort gesprekken die ik me tussen moslims en christenen voorstel. Echt niet zoetsappig.
En behalve dat ik geen zoetsappig gesprek bedoel, gaat het me ook niet om een gesprek op hoog niveau.
Daar is teveel publiek bij en dat komt de eerlijkheid niet ten goede. Nee, gewoon een gesprek aan de deur of tijdens een koffievisite bij de buren, als u tenminste een relatie met hen hebt opgebouwd.
Een zelfbewuste godsdienst
De islam is nadrukkelijk onder ons.
Met een missie. Een vooraanstaand leider van de moslims (Nazim Abu Salim, een Palestijn) zei het een paar jaar geleden als volgt: 'Wat is islam?
Islam is het grootste geschenk dat God aan de mens heeft gegeven. De profeet Mohammed kwam op deze wereld om het werk van Mozes en Jezus Christus te voltooien. En zijn komst kondigde het einde aan van de rol van de andere godsdiensten.
Daarom zeg ik u, dat het gedaan is met iedereen die niet op de islamitische trein springt. Wie zeker wil zijn in dit leven en ook na zijn dood, moet zich tot de islam bekeren. Uiteindelijk zal er maar één godsdienst op deze wereld overblijven: de islam. En de hele wereld weet dat' (uit TROUW, Letter en Geest, 6 oktober 2001). Het is duidelijk dat in deze aanhaling een zelfbewuste godsdienst aan het woord is.
Het gebod de naaste lief te hebben vraagt van ons dat we hier niet met angst of met spot (verborgen angst, vaak) op reageren, maar dat we met mensen die dit geloven het gesprek zoeken. Wat was er dan nog aan het werk van Jezus Christus te voltooien?
Het werk van Mozes - ja, maar dat van de Here Jezus ook?
Verder is er voor ons alle reden om te trachten te verstaan hoe een moslim tegen de in zijn ogen verdorven westerse samenleving aankijkt. Hoe dan?
Met afschuw en verontwaardiging.
Zoals, denk ik, de Israëliet destijds, in de dagen van Jozua, tegen de cultuur van Kanaän aankeek, waarvan hij geloofde dat ze ten dode opgeschreven was. Dat moet bij ons, bijbellezers van professie die we zijn, toch overkomen?
Moeten wij ons als westerlingen niet in veel opzichten schamen en voor de moslims onder ons de ogen neerslaan? Vanwege inderdaad de verwording van onze cultuur? We moeten er rekening mee houden dat dit voor het besef van de moslim een smaad op onze godsdienst werpt.
Het begrip ‘naaste‘
Ik noemde het gebod tot naastenliefde.
Hiermee raken we aan een belangrijk verschilpunt met de islam. Ik herinner mij dat mevrouw Rookmaaker destijds in verband met haar werk voor de stichting 'Redt een kind' door India reisde en bij terugkomst zei: Het begrip 'naaste' is daar onbekend.
Ze bedoelde dat van de Hindoegoddienst, maar het gaat ook op voor de islam. Ik tenminste ben in de Koran het woord 'naaste' niet tegengekomen.
Maar zit er dan geen humaniteit in de islam? Zeker kom je die daar tegen, als ook bij de Indiërs, maar die humaniteit zit wel te veel opgesloten in de eigen groep. Wees goed voor de ouders, de verwant, de vriend, de volksgenoot en vooral de geloofsgenoot - dat vind je daar allemaal en wel op een soms indrukwekkende manier. In ziekenhuizen zie je niet zelden hele families rondom het bed zitten, zo leeft men met elkaar mee. En wat te denken van de zo bekende gastvrijheid onder de Arabieren? Toch kom ik hier kritisch aan met het bijbelse woord 'naaste'.
Wat betekent dat eigenaardige woord (waaraan we toch zo gewend zijn) eigenlijk? ‘Naaste’ is een woord dat haast irriteert door z’n kleurloosheid maar dat juist daardoor een enorm bereik heeft. De naaste, dat is de mens naast je waar je geen enkele band mee hebt dan alleen het blote feit dat hij naast je staat en dat je hem tegenkomt. Hij kan als vriend je pad kruisen, als broeder, als geliefde, als vreemdeling (waar Huub Oosterhuis in zijn toespraak bij de begrafenis van Prins Claus zo de nadruk op legde), maar ook als vijand, als mens die met onverdraagzame opvattingen en onvriendelijke bedoelingen op je afkomt. Onverschillig hoe - hij is je naaste. U zegt: De islamitische Arabier is gastvrij naar iedereen, dan kent hij toch de naaste in die ruime zin? Maar dan begrijpt u me nog niet goed.
Gastvrijheid is een deugd waarbij je thuis kunt blijven. Het is jouw gast die jouw drempel overschrijdt en daarmee jouw domein en jouw groep binnentreedt.
Hem bewijs je dan gastvrijheid als ware hij een van jouw groep. Een naaste, in die onbestemd-ruime zin die de bijbel aan dat woord geeft, is die gast dus eigenlijk niet. Nee, de klant en de juffrouw aan de kassa, de automobilist en zijn tegenligger op de weg, zij zijn elkaars naasten. Dat wil zeggen: Zij hebben niets met elkaar en toch kan er zomaar een appèl uitgaan van de een op de ander. En daar moet je voor openstaan. De naaste is de ander in de ruimste zin van het woord. Maar dan wel altijd in de praktische zin van de ander die je tegenkomt. Het woord leent zich niet voor theoretisch gebruik.
Naaste-vreemdeling-vijand
Het is onze Here Jezus die deze ruimste zin van het woord ‘naaste’ heeft laten zien. Hij heeft er de grootst mogelijke uitbreiding aan gegeven.
Als Hij mensen ontmoet die zeggen: 'Je moet je naaste liefhebben, maar je vijand moet je haten', dan valt Hij ze daarop aan. Dan gaat Hij met dat woord 'naaste' over de grenzen van de eigen groep en zelfs over de grenzen van het eigen gevoel heen, met zijn gebod: 'Hebt uw vijanden lief en zegent wie u vervolgen'. Hij zei dat tegen de Joden van zijn dagen, maar Hij moet het nog steeds zeggen, ook tegen ons, want het is een zeer vreemd woord in de wereld van de godsdiensten. Godsdienst immers heeft de eenkennigheid in zichzelf ingebakken zitten. Godsdienst is een scheidingmakende factor van de allergrootste soort. Godsdienst is haast per definitie een zaak van grenzen en barrières tussen mensen. De Here Jezus stuurt ons niettemin over die grenzen en barrières heen. En wat Hij in zijn gebod zei heeft Hij geïllustreerd met zijn gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan (Lucas 10:25-35). Oosterhuis hoorden we zeggen dat het gebod tot naastenliefde z’n uiterste toespitsing gekregen heeft in het gebod de vreemdeling lief te hebben. Hij dacht daarbij natuurlijk aan de grote verdienste van Prins Claus voor het vreemdelingenvraagstuk.
Terecht. Maar Christus ging toch nog verder dan de vreemdeling toen Hij zei: ‘Hebt uw vijanden lief’. Wel kunnen we zeggen dat het gebod de vreemdeling lief te hebben (waar Mozes het in de wet betrekkelijk vaak over heeft, Exodus 22:9; 23:9; Leviticus 19:34; Deuteronomium 10:19) Jezus’ gebod om die liefde ook uit te strekken tot de vijand heeft voorbereid. Het gaat in het Oude Testament immers vaak over de naaste, maar steeds kan dat nog verstaan worden van de vriend of de volksgenoot, de mens van de eigen groep. Dat is in de uitleg van de synagoge ook gebeurd. Mozes’ gebod de vreemdeling lief te hebben moest deze inperking al vroeg tegengaan.
Maar helaas, de joodse uitleg verstond onder die vreemdeling de bekeerde vreemdeling en bleef zo ook met dit gebod weer binnen de eigen groep.