Gij zijt kerk - weest kerk
1976-01-30
In de Heilige Schrift treft men een bepaalde merkwaardige spreekwijze aan die onze volle opmerkzaamheid verdient, maar die ze helaas al te weinig ontvangt.- Jaargang 20
- nummer 5
Het is deze dat de "indikatief" - de "aantonende wijs" - en de "imperatief" - de "gebiedende wijs" - in het spreken van God in allerlei verband onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Laat ik er een paar voorbeelden van geven.
De HEERE zegt tegen Abraham: Ik richt mijn verbond op met u en met uw zaad na u in hun geslachten tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. Dat is de indicatief. Onmiddellijk daarop, als im één adem, laat God daarop volgen: Gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht in hun geslachten, - Dat is de imperatief. (Gen. 17).
Als Israël uit Egypte, het land van afgoderij en slavernij, is uitgeleid, zegt de HEERE tot dat volk: Ik ben de HEERE uw God die u uit het land Egypte, wit het diensthuis heb uitgevoerd.
Dat is de indicatief. Op deze positieve verzekering, op deze belofte, laat de HEERE onmiddellijk volgen: Gij zult geen andere goden voor mijn aanzicht hebben, met nog een reeks andere geboden - de imperatief.
De bergrede begint met een reeks zaligsprekingen door Jezus gericht tot zijn discipelen - de indicatief Maar daarna komt een aanwijzing hoe dezen als zijn discipelen moeten, beter gezegd: mogen, leven - de imperatief.
Een bizonder duidelijke combinatie van indicatief en imperatief vindt men in 1 Kor. 5.
Paulus schrijft daar aan de gemeente van Korinthe, en aan de gemeente van alle tijden: Doet het oude zuurdeeg - de zonde - weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn - de imperatief.
Gij zijt immers ongezuurd, want ook ons paaslam is geslacht: Christus - de indicatief, Uit dit paulinische woord blijkt duidelijk wat voor het verstaan van het verband tussen die indicatief en die imperatief onmisbare voorwaarde is - dat deze relatie nooit logisch doorzichtig kan worden gemaakt, dat zij ons menselijk denken te boven gaat. Het is immers volgens menselijk denken zo dat een bevel om oud zuurdeeg weg te doen alleen dan zinvol is als dat "zuurdeeg" in de door dat bevel aangesproken mensen voorhanden is! Wat er niet is kan men niet wegdoen.
Maar nu wordt door Paulus tegelijk tot hen die dat bevel ontvangen gezegd: gij zijt immers ongezuurd! Maar als mensen werkelijk ongezuurd zijn is het, alweer volgens menselijke logica, onzinnig tot hen te zeggen: doet het oude zuurdeeg weg!
Het niet ernst maken met dit onderlinge, onverbrekelijke verband tussen deze goddelijke indicatief en de even goddelijke imperatief èn het niet ernst maken met de ondoorzichtigheid daarvan heeft in het leven der kerk door alle eeuwen heen heel veel ellende veroorzaakt.
Laat ik één voorbeeld noemen.
lik denk aan de strijd over verbond en doop in de Geref. Kerken in de jaren veertig die voor deze kerken zulke katastrofale gevolgen heeft gehad.
In het verbond en dan nader in de doop waarin het verbond tussen God en zijn Volk een concrete gestalte krijgt, worden wij namelijk zeer nadrukkelijk geconfronteerd met die onverbrekelijke en ondoorzichtige samenhang en samengang van goddelijke indicatief en imperatief.
AIls een kind wordt gedoopt verzekert en verzegelt volgens het aloude doopsformudier God de Vader dat Hij een eeuwig verbond der genade met de dopehng opricht; verzegelt de Zoon dat Hij die wast in zijn bloed en verzekert de Heilige Geest dat Hij in hem (haar) wonen wil. Maar tegelijk is die doop voor de gedoopte een "vermaning", een "bevel" een "imperatief" - om in een "nieuwe gehoorzaamheid"
te leven. Een nieuwe gehoorzaamheid die bestaat in het "aanhangen, betrouwen en liefhebben" van God.
Men heeft nu enerzijds de "indicatief" - de belofte - losgemaakt van de "imperatief"de vermaning -, die belofte op zichzelf gesteld en de "vermaning" verwaarloosd, in ieder geval als iets secundairs beschouwd. En men kwam dan tot de opvatting dat de "volle doop" ahleen aan de uitverkorenen of gelovigen toekomt en dat alleen de aan dezen bediende doop een "echte" doop is.
Maar anderzijds heeft men de belofte - de indicatief - gedevalueerd, uitgehold en tot 'm "algemene aanbieding" verlaagd. Men hield dit doende van de doop niet veel meer over dan een "vermaning" gericht tot de dopelingen en hun ouders. Daarbij viel dan vaak ook nog vol accent op de "onmacht" van de mens. En zo werd men slachtoffer, of liever, producent van - activistisch of lijdelijk remonstrantisme.
De pogingen om op een of andere wijze het verband, de ondoorzichtige samenhang van de "belofte" en de “verandering" , doorzichtig te maken leidde tot allerlei constructies zoals die van "inwendig" en "uitwendig" verbond, "inwendige" en "uitwendige zijde" van het verbond; "wezen" en "verschijning" daarvan; het houden van de dopelingen "voor wedergeboren en in Christus geheiligd"; dopen op grond van veronderstelde wedergeboorte; “volle" en "niet volle" doop enz. enz. enz.
Het is niet te berekenen welk een enorme schade deze constructie in de kerk en dan speciaal in de zgn. "gereformeerde gezindte" heeft aangericht en nog elke dag aanricht.
Het onverbrekelijke en ondoorzichtige verband tussen de goddelijke indicatief en imperatief speelt nu ook een dominerende rol in de bijbelse boodschap omtrent de kerk.
We hebben er hier reeds meermalen op gewezen dat volgens de Schrift de kerk de vergadering is van alle ware Christgelovigen. De kerk, zo formuleerde Bavinck het prachtig, is de vergadering van alle gelovigen uit alle tijden, onder alle volken in alle kerken.
Maar hiermee is nog lang niet all es over de kerk gezegd. Wel het eerste en fundamentele.
Maar niet alles.
De kerk die kerk is, moet ook metterdaad kerk zijn, zich als echte kerk in alles wat ze is en doet openbaren. Ook ten opzichte van haar geldt dat de indicatief onlosmakelijk verbonden is met de imperatief. Ook van haar geldt: Gij zijt kerk, wees nu ook kerk.
Wees wat gij zijt!
Tot haar opdracht om metterdaad kerk te zijn behoort het fungeren van "herders en leraars" daarin. Die zijn een geschenk van Christus aan zijn kerk. Maar de kerk moet ze :aanstellenen aas zodanig erkennen. Deze "herders en leraars" moeten bezig zijn in het toerusten van de kerk tot een alomvattend dienstbetoon met het oog op de opbouw van de kerk (Ef. 4 : 11, 12). Er moeten in de kerk voorts ouderlingen en diakenen optreden. De Schrift geeft precies aan aan welke voorwaarden deze moeten voldoen (1 Tim. 3, 4).
Onder die ouderlingen behoren er te zijn die in het bizonder belast zijn met "de prediking en het onderricht". Die moeten daarvoor ook worden "gehonoreerd" (1 Tim. 4 : 17, 18).
Tot de taak van de kerk behoort vóór alles de prediking van het Woord. Want alles wat Christus door zijn Geest in en aan en door de kerk wil geven en doen, geeft en doet Hij door die prediking. En onverbreekbaar aan de "hoorbare" prediking is de "zichtbare" verbonden: de bediening van de sacramenten.
Waar de kerk vooral maar moet streven is haar- zichtbare - eenheid. Zij, moet er zich met alle kracht op toeleggen dat de eenheid die zij in Christus vormt ook naar buiten openbaar, zichtbaar wordt. Men leze Ef. 4 en Fit 2 maar eens aandachtig na. Het is zeker zo dat Christus de voortgang van zijn werk in de wereld van die eenheid afhankelijk heeft gemaakt, Hij bidt immers tot zijn Vader: Ik bid voor hen - voor allen die de Vader Hem gaf - opdat ze allen één mogen zijn zoals Gij Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. (Joh. 17 : 20, 21).
De kerk in haar optreden naar buiten, speciaal door de dienst van de ambtsdragers ten aanzien van prediking, sacramentsbediening, ambtelijke zorg, evangelisatie, zending, diakonale arbeid enz. heeft men wel genoemd de institutaire kerk of de kerk als instituut. Die aanduiding is niet gelukkig. Onwillekeurig wekt zij de suggestie dat die institutaire kerk een ding is naast of boven, of onder, of in de kerk-als-gerneenschap-van-alle-gelovigen. Of ook dat dat instituut een soort raamwerk of organisatie is die aan de kerk van buiten af wordt opgelegd. Of, nog erger, dat er een zichtbare kerk is die moet onderscheiden worden van de kerk-als-vergadering-van-aIle-gelovigen welke dan de onzichtbare kerk zou zijn.
Op deze wijze heeft men weer de indikatief losgemaakt en apart of tegenover gesteld ten opzichte van de imperatief, nu ten aanzien van de kerk. En dan ziet men steeds weer dat Of die indicatief ver en ver verheven wordt boven de imperatief, welke dan voorts soms zelfs praktisch of theoretisch van weinig of geen waarde wordt geacht. Of ook, omgekeerd, men accentueert die imperatief zo geforceerd, dat de indicatief genegeerd of verloochend wordt.
Het eerste geschiedt vooral door allerlei buiten-
of onkerkelijke stromingen, revivals, pinkstergroepen. Men spreekt dan graag van een "geestelijke eenheid" of "geestelijke gemeenschap" met verwaarlozing van de ambtelijke dienst, de sacramenten, speciaal van de kinderdoop. Graag onderscheidt men dan tussen de "gemeente" die een "geestelijk" karakter draagt en de "kerk" die niet meer dan een organisatie, bestuur, administratie, bureaucratie of hiërarchie is.
Maar ook kan men zo zwaar accent leggen op het institutaire aspect van de kerk dat dat het een en het al van de kerk wordt. Kerk is dan alleen wat in de institutaire kaders, waarin men zelf is een praats vond, is opgenomen.
Daarbuiten geen kerk. Gelovigen die niet tot dat instituut behoren leven buiten e kerk, zijn niet-kerkelijk, of on-kerkelijk, of misschien zelfs wel anti-kerkelijk.
Het denkpatroon dat men zo hanteert is in wezen gelijk aan dat waartegen de "bezwaarden" uit de jaren veertig zich verzetten in hun strijd tegen de “leeruitspraken" van 1942!
Men is "synodaal" geworden en aanzien van de kerk.
Met dit verschil dat de synodalen bij het uiteenscheuren van indicatief en imperatief ten opzichte van het verbond en de doop alle accent lieten vallen op de indicatief. En dat men dat in de zo juist genoemde kerkopvatting doet ten aanzien van de Imperatief!
Maar - ook als het om de kerk gaat scheide men niet wat God heeft samengevoegd.
En daarom moet tot alle "ware Christgelovigen" steeds gezegd worden: "Gij zijt kerk, wees nu ook kerk."