Een half jaar... Jeugdconsulent
1975-08-15
U zult zich misschien afvragen, wie is de jeugdconsulent. Sommigen hebben mijn naam wel eens ergens gelezen of gehoord. Enigen lezen nu voor 't eerst, dat er in onze kerken een jeugdconsulent is.- Jaargang 19
- nummer 30
Vorig jaar ben ik door de "STICHTING ANNO 1970 VOOR GEREFORMEERDE KINDERBESCHERMING EN MAATSCHAPPELIJK WERK" benoemd tot jeugdconsulent. In januari van dit jaar hebben we, het bestuur en de jeugdconsulent, de eerste stappen Ineen onzekere toekomst gezet.
Na de uitstoting van enige bestuursleden uit de Stichting Gereformeerde Kinderbescherming (Ede) werd door de Centrale Diaconale Conferentie te Zwolle in 1970 de wens uitgesproken een nieuwe stichting in het leven te roepen, die met de verkregen gelden haar taak voor onze kerken (buiten verband) zou kunnen voortzetten. Zo ontstond de "Stichting Anno 1970 voor gereformeerde kinderbescherming en maatschappelijk werk". Aanvankelijk werd er gewenkt zonder functionarissen, De hulp die uit de kerken aan de Stichting Anno 1970 werd gevraagd, hebben de bestuursleden zo goed en zo kwaad als het ging proberen te geven. In enkele gevallen heeft het bestuur een beroep mogen doen op de Christelijke Gereformeerde Vereniging voor Kinderbescherming, Om verschillende redenen is een nauwe samenwerking met de christelijke gereformeerden op dit gebied niet tot stand gekomen.
Gezien de maatschappelijke ontwikkelingen kwam het bestuur steeds meer tot de ontdekking, dat haar taak zou moeten liggen in wat men noemt de PREVENTIE. De nadruk komt nu te liggen op het voortkomen van problemen en moeilijkheden. Het woord "kinderbescherming" krijgt een nieuwe lading, wordt in een breder perspectief gezien. Dit komt duidelijk tot uitdrukking in de advertentie die de Stichting vorig jaar mei/juni het plaatsen, waarin sollicitanten werden opgeroepen voor de functie van jeugdconsulent. In deze advertentie stond de volgende taakomschrijving:
Het in overleg met de desbetreffende gemeenten oplossen van leef- en aanpassingsmoeilijkheden van jeugdigen.
Het waar nodig en gewenst assisteren bij de opbouw van het jeugdwerk in die gemeenten.
In dit artikel wil ik u doorgeven, wat ik zoal,op deze twee terreinen mocht doen. Behalve dat u door dit verhaal' op de hoogte komt met het werk van de Stichting, is het ook de bedoeling dat u ontdekt wat u ze[f kunt bijdragen aan dit werk. In de eerste plaats wil ik de aandacht vestigen op het jeugdwerk en in de tweede plaats op het maatschappelijk werk (gemakshalve een omschrijving van de eerste taak).
Het jeugdwerk
In deze periode heb ik verschillende gesprekken gevoerd met mensen, die op één of andere wijze nauw betrokken zijn bij de jeugd en het jeugdwerk. Predikanten, jeugdouderlingen, jeugdleiders en enige jongeren wijden graag hun ervaringen vertellen. In deze gesprekken hebben we vooral aandacht geschonken aan de jeugd van de betreffende gemeente en de organisatie van het jeugdwerk. Bovendien spraken we over de werkwijze op de jeugdverenigingen (of jeugdclubs) en over de activiteiten, die door en voor de jeugd georganiseerd werden. De gegevens uit deze gesprekken zijn op schrift gesteld met de bedoeling een globaal beeld te krijgen van het jeugdwerk in onze kerken en niet in doe laatste plaats met het doel dit materiaal te kunnen gebruiken, wanneer aan de Stichting gevraagd wordt om te adviseren bij de opbouw van het plaatselijk jeugdwerk.
Enige facetten van het beeld, dat zo langzamerhand uit de gegevens van de verschillende gesprekken is ontstaan, Wit} ik hier doorgeven. In verschillende gemeenten was gesignaleerd dat kort na de breuk in onze kerken het jeugdwerk in een impasse raakte. Jeugdverenigingen waren uit elkaar geslagen. Vrienden en kennissen groeiden uit elkaar.
Vele jongeren kregen een hartgrondige hekel aan allerlei vormen van organisatie. Nu we enige jaren verder zijn, bevolkt een nieuwe generatie jongeren de verenigingen. Deze groep jongeren heeft minder bewust de spanningen en teleurstellingen meegemaakt. Het is fijn om te mogen horen, dat sinds kort in veel gemeenten het jeugdwerk meer gestalte gaat krijgen. Er is een tendens, dat jongeren uit onze kerken meer aandacht krijgen voor de bijlbel en het leven uit het Verbond. Er is honger naar brood, ook onder onze jongeren.
Ondanks deze gunstige ontwikkelingen zijn er enige kritische opmerkingen gemaakt. Een aantal jeugdverenigingen hebben een duidelijke organisatiestructuur. U kent dat wel: een voorzitter, een secretaris, een penningmeester, notulen, rooster, inleiders, enz. Andere jeugdverenigingen kennen deze vormen niet. Ze hebben het karakter van een vrijblijvende bijbelkring. De organisatievorm waarborgt op zichzelf niet de kwaliteit van de bijeenkomsten, Toch wordt steeds meer ervaren, dat een zekere mate van leiding nodig is. Waarschijnlijk staat hiermee in verband de uitlating van enige gesprekspartners, dat veel jongeren oppervlakkig bezig zijn met bijbelstudie en andere onderwerpen. Deze oppervlakkigheid kan heel gemakkelijk leiden tot oeverloze discussies, die voor het recht leren kennen Win de Here en Zijn dienst geen enkele betekenis hebben. En die gemakkelijk kunnen leiden tot het creëren van verkeerde voorstellingen en opvattingen. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat de bijbel (en hoe vaak gebeurt dat niet) wordt gebruikt als €oen hulpmiddel, waarin veel opgeschreven staat, voor het oplossen van praktische problemen, Verschillende predikanten en jeugdleiders, die deze tendensen in hun jeugdwerk hebben onderkend, .zijn aan de slag gegaan. Ze trachtten door een bepaalde vorm van begeleiden een bijdrage te leveren aan een goede lesding in het verenigingswerk.
Zo hebben een aantal predikanten een cursus opgezet, waarin ze met kleine groepjes jongeren bijbelgedeelten en actuele onderwerpen intensief bespreken. Met deze kennis gewapend kunnen deze jongeren hun eigen verenigingen stimuleren en activeren.
De jongeren maken deel uit van de gemeente. Hun verenigingsleven kan gemakkelijk geïsoleerd daarvan raken. In een paar gemeenten bleek de jeugdvereniging nauw betrokken te zijn blij het evangelisatiewerk, vooral' in de zomer op de campings. Zo kan de vereniging een leerschool voor het loeven betekenen. Woord en daad staan niet meer los van elkaar. Bedoelt Jacobus dit ook niet te zeggen:
"weest daders des woords en niet alleen hoorders, dan zoudt ge uzelf misleiden" (Jac. 1 : 22).
In andere gemeenten krijgt dit Schriftwoord bij de jongeren gestalte in het zich inzetten voor bejaarden. zieken en alleenstaanden, Na de eerste schuchter e pogingen in het contact leggen ervaren beide partijen het als een zegen, dat ze met elkaar kunnen omgaan, vanuit hun gemeenschappelijk geloof in de Here Jezus. BijbeIstudie op de verenigingen is waardevol op zichzelf, maar krijgt nog meer waarde, wanneer de jongeren hun kennis en ervaring dienstbaar kunnen maken. aan anderen kunnen meedelen. Wanneer de jongeren getuigen van Christus willen en kunnen zijn.
Van verschillende kanten kwam de suggestie om de jeugdverenigingen te stimuleren in hun werk door een cursus of iets dergelijks te geven, waarin aandacht zou kunnen worden geschonken aan, leidinggeven, methodiek van vergaderen, methodiek van bijbelstudie, en aan allerlei inhoudelijke zaken (bijbelstudies, actuele onderwerpen). Hoewel de Stichting het niet als haar taak ztet op deze wijze met het jeugdwerk bezig te zijn, heb ik in eerste instantie permissie gekregen deze suggestie wat meer gestalte te geven, In het Gereformeerde Landelijke Jeugdcomité (GLJC), dat Iandelijke jeugddagen (dit jaar te Zwolle) organiseert, heb ik deze suggestie aan de orde gesteld. Het ziet er naar uit, dat het GLJC zo de Here wil eind september of begin oktober een studieweekend gaat organiseren voor jongeren, die leiding geven of willen geven aan hum eigen verenigingen.
Tot zover enige opmerkingen over het jeugdwerk, waarbij ik de aantekening moet maken, dat de Stichting voorop stelt, dat ze als hulpverlenende instantie dienstbaar wil zijn aan het jeugdwerk. M.a.w. adviseren en hulp bieden, wanneer jeugdleiders, of jongeren zich met hun problemen en moeilijkheden tot de Stichting wenden.
Het maatschappelijk werk
In de afgelopen tijd ben ik in aanraking gekomen met verschillende problemen, die je zou kunnen aanduiden als "leef- en aanpassingsmoeilijkheden van jeugdigen", Predikanten, ambtsdragers en gemeenteleden hebben de Stichting (Vla de secretaris, de voorzitter, een bestuurslid of de jeugdconsulent) ingelicht over personen of gezinnen die met zulke moeilijkheden te kampen hadden, dat ze dringend hulp nodig hadden.
Hoe graag ik dat ook zou willen, hier kan ik niet op de afzonderlijke probleemgevallen ingaan. We hebben de indruk, dat de confrontatie met problemen in deze korte tijd slechts een topje van de ijsberg is, Er zijn veel meer problemen, moeilijkheden en zorgen, die met gezamenlijke hulp en gebed kunnen worden verzacht of opgelost. De maatschappelijke, sociale en psychische nood van zowel gemeenteleden als niet-leden van onze kerken kan met vereende krachten worden verlicht. De Stichting mag vanuit de opdracht tot christelijke naastenliefde haar werkterrein niet beperken tot enkel leden van onze kerken, Door ambtsdragers en gemeenteleden moeten ook mensen uit andere kerken of buitenkerkelijken van de diensten van de Stichting gebruik kunnen maken.
Met de nodige voorzichtigheid wil ik hier een paar denkbeelden noemen, die in mijn korte praktijk reeds vaste vormen aannemen. In sommige gevallen waren mensen onder behandeling bij allerlei hulpverlenende instanties (denk aan Medisch Opvoedkundig Bureau, psychiaters, psychologen, maatschappelijk werkers, enz.). Deze "cliënten" kwamen vroeg of laat tot de ontdekking. dat de levensbeschouwingen in deze situatie weleens botsten. De opvattingen en levensbeschouwingen van deze hulpverleners zijn vaak fundamenteel tegenstrijdig met onze christelijke bijbelse visie. Wanneer mensen door hun omstandigheden hun vertrouwen in God dreigen te venliezen, worden ze in handen van deze hulpverleners een prooi van humanistische denkbeelden.
Zo kon iemand, die onder behandeling van een humanistische psychetherapeut was geweest, en die het rechte spoor heeft gevonden, zeg)gen: "lk begrijp nu, dat ik tijdens mijn behandeling mijn familie (ouders, broers en zusters) ben gaan haten. lik werd daarin gestimuleerd door de therapie. Nu weet ik dat die haat helemaal' fout is, onchristelijk."
In het algemeen maatschappelijk werk wordt terecht gesproken over de noodzakelijkheid van een vertrouwensbasis voor hulpverlener en "cliënt". O.i. kan deze vertrouwensrelatie zich niet goed ontwikkelen als de hulpverlener en de "cliënt" verschillende levensbeschouwingen hebben. Hulpverlening, die geen positief christelijke grondslag kent, aan oprechte christenen moet vroeg of laat leiden tot wantrouwen en conflicten. Nu moet u niet denken, dat de Stichting een pasklaar antwoord heeft op de vele vragen en probleemsituaties, maar ze heeft wel de intentie om vanuit de diaconale opdracht, vanuit onze positief christelijke gereformeerd, zou u wilt) levensovertuiging dienstbaar te zijn aan de gemeenten, aan alle mensen, die bij haar om hulp en advies vragen.
Het komt voor, waarschijnlijk vooral in onze kringen, dat de moeilijkheden in een gezin of de persoonlijke problemen niet naar buiten treden, waardoor vaak de toestand alleen maar verergert. Soms vangen ouderlingen, diakenen, predikanten of gemeenteIeden (ook ambtsdragers: het ambt der gelovigen) een signaal op, dat er ergens moeilijkheden zijn. Met vragen als "Hoe gaat het met je", "Heb je problemen?"
"Wat heb ik nu gehoord, zijn er moeilijkheden?" worden ze veelal' geen cent wijzer. Het is een eerste vereiste, dat men tactvol omgaat met mensen. die moeiten en zorgen hebben. Mensen hangen niet zomaar de vuile was buiten. Directe vragen worden als een bedreiging ervaren. Misschien doen ze vanwege hun kwetsbaarheid alsof er niets aan de hand is. Men meet eerst vertrouwen krijgen in de mensen, die de helpende hand willen bieden. De sterken moeten de problemen bij de zwakken kunnen beluisteren. Ze moeten de ernst van de moeilijkheden kunnen onderkennen. Dat kan soms veel tijd kosten! Het is van eminent belang dat men enerzijds zijn problemen kan uiten en anderzijds weet, dat de problemen worden begrepen. Eén bezoekje van een kwartier of een half uur in een heel jaar kan hiervoor nauwelijks geschikt te noemen zijn. Als men de problemen onderkent, en gelukkig gebeurt dat ook, dan wordt het tijd de handen uit de mouwen te steken. In een gemeente kunnen de leden elkaar vaak goed helpen om geestelijke en materiële nood op te lossen of te verzachten (denk aan zusterhulp. bejaardenhulp, enz.). In de ene gemeente lukt dat beter dan in de andere. Daadwerkelijk helpen kan ook betekenen, dat de "Stichting Anno 1970" wordt gevraagd om advies of hulp. Want het is niet zo eenvoudig in de warwinkel van sociale en maatschappelijke hulpverlening de juiste wegen te vinden. Om welke problemen, moeilijkheden en vragen het mag gaan? Zullen we afspreken, dat geen vraag te gek, geen moeite te klein en geen probleem te vreemd is, maar dat we u willen dienen, bijstaan in uw nood of die van anderen, en wegen zullen trachten te vinden, die de nood kunnen verzachten of de problemen kunnen oplossen. In samenwerking met onze kerken wil' de "Stichting Anno 1970" een zinvolte, positief-christelijke hulpverlenging opbouwen. Is het niet wenselijk, dat alle christenen, die vanuit hun beroepsuitoefening maatschappelijke, sociale, psychische en lichamelijke nood helpen verlichten, en, die zich kunnen verenigen met de doelstellingen van onze stichting, zich verzamelen om met vereende krachten de gemeente des Heren te dienen in deze roerige tijd? Daarbij zal' in de gemeente de liefde tot God en de liefde tot de naaste moeten heersen. Woord en daad mogen niet ontkoppeld worden. Of zoals Jacobus het zegt: ,,zuivere en onbevlekte godsdienst voor God is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk zichzelf onbesmet van de wereld bewaren" (Jac. 1 : 27). Men moet zich gerust uitbreiden tot alle. hulpbehoeftigen. Vanuit dit perspectief kan ik het lot aantrekken van wezen en weduwen, en dat laatste mogen we van harte instemmen met ds H. de Jong in zijn preek over "abortus provocatus' (Opbouw, 13 juni 1975). Wat voor het ongeboren kind geldt: is ook van toepassing op de eenzame. volwassene, het probleemkind, de vreemde snuiter, die moeilijke mensen, de wezen, de weduwen, enz.: "van God mogen ze niet weg: van .ons hoeven ze niet weg". We willen ze toch opnemen in onze gemeenschap, ze accepteren zoals ze zijn en ze met liefde omringen!
Tenslotte wil ik u attent maken op de mogelijkheid, die de Stichting Anno 1970 biedt, om kinderen tijdelijk in een pleeggezin onder te brengen.
Om allerlei redenen kan het wenselijk zijn dat één of meer kinderen uit een gezin in uw gemeente een kortere of langere tijd uit huis geplaatst worden. Het is geen schande, wanneer men van deze gelegenheid gebruik maakt. Voorkomen is beter dan genezen. Een korte tijd in een andere omgeving kan voor alle partijen tot een zegen zijn, Denkt u niet te snel, dat deze mogelijkheid in uw situatie, of die u kent, niet van toepassing is. De Stichting heeft een huis gekocht, dat in Apeldoorn staat en zal worden bewoond door een jong echtpaar met kinderen, die zich bereid verklaard heeft als pleeggezin te functioneren.
Met reacties, vragen en problemen kunt u zich wenden tot mij: Soerateastraat 58, Apeldoorn, tel. 05760-64609 of tot de voorzatter van de "Sticlhting Anno 1970" Mr C. W. Bakker, Utrecht, tel. 030-513521 of tot de secretaris de heer C. Geerse, De Biêt, tel. 030-763227 of tot de penningmeester ds heer H. Kaps, Barendrecht, tel. 01806-4307.