Een boek van Dr. Woelderink (4)

1975-08-15
  • Jaargang 19
  • nummer 30
Nog een artikel moet in verband met het nieuwe boek van dr Woelderink geschreven worden. Het is dat ook ten volte waard.
Ik wil namelijk nog iets zeggen over de betekenis van Woelderink ten opzichte van de "Vrijmaking". En dan niet zozeer in verband daarmee als een kerkhistorisch gebeuren, als wel met het oog op het aspect van het Evangelie waarom het bij die Vrijmaking ging.
Want dat is van blijvende waarde en is daarom van grote betekenis.
Woelderink is zonder twijfel een van de voornaamste promotoren van de "Vrijmaking" geweest - onbewust en onbedoeld, maar tegeIijk zeer effectief! Heel velen zijn namelijk in verzet gekomen tegen de synodale leeruitspraken uit de jaren veertig omdat zij uit dat boek hadden geleerd dat de Evangelische, reformatorische opvatting omtrent verbond en doop is. Later we dr Woelderink meer direct bij de gebeurtenissen rond de Vrijmaking betrokken en heeft hij er zich ook opzettelijk over uitgelaten. .
Daarover wil ik nu wat zeggen,

Nadat de leeruitspraken waren uitgevaardigd en bevestigd kwam een groot aantal bezwaarden onder leiding van de prof. Vollenhoven en Dooyeweerd bijeen om een uiterste poging te ondernemen een kerkelijke breuk te voorkomen. Er werden in die samenkomst twee studiecommissies benoemd om resp. het dogmatische en de kerkrechtelijke aspect van het conflict te bestuderen. 1) Aan dr Dam, Holwerda en ondergetekende, werd in het kader van de "dogmatische commissie" verzocht na te gaan wat er precies rondom de synode van 1905 - die ook een soort leeruitspraak over verbond en doop had ontworpen - aan de hand was geweest. De resultaten van .dit onderzoek publiceerden wij in het boekje "Rondom '1905'''. Deze brochure stuurde ik aan dr Woelderink met de vraag of hij daarover zijn oordeel wilde geven Ik kreeg een brief van hem, d.d. 31 juli 1944,' als antwoord op mijn vraag. En daarin schreef hij o.a. het volgende: “Bijzonder dankbaar ben ik voor de verschijning. Dat de theologische school van Kuyper de Geref. Kerken aan zich en haar doeleinden dienstbaar heeft gemaakt, was mij van de aanvang af duidelijk; dat de A. broeders van den beginne af tegen Kuyper's leer geprotesteerd hebben was mij eveneens bekend. Maar daarom was mij de verklaring van 1905 onverklaarbaar geworden, maar ik moet tevens zeggen, dat de B. broeders schoon misschien in 1905 nog in de minderheid, de meerderen waren in tactiek, zodat men haast kan zeggen, dat A erin gelopen is. De situatie is thans "wel zeer moeilijk geworden... Een oplossing zie ik met nu de Synode zo ver is gegaan. Er zal voor de bezwaarden grote wijsheid nodig zijn om geen onberaden stappen te doen."
Tot zover deze brief van Woelderink.

Een tijd daarna zond hij een brochure in het licht met de titel: "Belofte en Werkelijkheid". Daarover heb ik ook contact met hem gehad.
In deze studie ging Woelderink breedvoerig in op de problematiek, zoals die door de leeruitspraken van 1944 aan de orde was gekomen. Hij formuleerde de bedoeling van zijn schrijven als volgt: "Misschien heeft menig lezer uit de titel van deze brochure en het opschrift van dit hoofdstuk - Belofte en Werkelijkheid of Belofte en Verbond - de conclusie getrokken dat hier gehandeld wordt over de beloften des verbonds. Dat is echter allerminst mijn bedoeling geweest. Daarom liet ik het woord belofte voorafgaan om de zelfstandigheid van de belofte tegenover het verbond primair te noemen; de belofte, waaraan ik hier denk, volgt het verbond niet en is niet in het verbond begrepen, maar zij draagt veeleer het verbond; in de belofte van Gods barmhartigheid ligt het ganse verbond besloten.

Meestal gaat men uit van de werkelijkheid van het verbond, om vandaar tot de beloften te komen, die in het verbond begrepen zijn.
Wanneer we echter schriftuurlijk gaan denken moeten we uitgaan van de belofte, om vandaar te komen tot de werkelijkheid van Gods genade, tot de werkelijkheid ook van G:0ds genadeverbond. Bij deze richting is het uitgesloten, dat men deze werkelijkheden op enigerlei wijze constateren kan; zij bestaan alleen voor het geloof, d.w.z, alleen in en krachtens Gods belofte."
Uitgaande van deze probleemstelling leverde Woelderink in deze brochure een vlijmscherpe, maar tegelijk nobele, kritiek op de leeruitspraken.
van de synode van 1942 en de theologie waarvan ze de concretisering waren.
Op een passage uit deze brochure wil ik in 't bijzonder wijzen, Met de profetische helderziendheid die men Z!O dikwijls opmerkt bij mensen die jarenlang intensief en gelovig met de Schrift hebben omgegaan zegt hij daarin namelijk ook hoe het na en ten gevolge van de leeruitspraken en de daaruit voortgevloeide tuchtoefening in de Geref. Kerken gaan zou. Woelderink schrijft namelijk dit: "Daarmede - nl. met de genoemde synodale handelangen - zal in de geschiedenis der Gereformeerde Kerken een nieuwe periode aanbreken.
Een tijd van strijd naar buiten en naar binnen. Ja, ook naar binnen. Want niemand bedenke in zijn eenvoudigheid, dat alle bezwaarden met de huidige Gereformeerde Kerken zullen breken. Integendeel. En de bezwaarden, die heengaan zullen vervangen worden door nieuwe. Ik acht het zeer waarschijnlijk, dat zich herhalen zal, wat ook in de Hervormde Kerk na de Afscheiding gezien is geworden, nl. een toeneming van de bezwaren tegen de GEEST, waartegen degenen die heengingen, geprotesteerd hebben."
Deze profetie van Woelderink is zoals ieder weet ten volle uitgekomen. Het protest tegen die "geest" is nu algemeen. Ik geloof niet dat er nog iemand is in de Gereformeerde Kerken die de manipulaties van de synoden uit de jaren '40 voor zijn rekening neemt. En het gevolg van de verengde confessionaliteit uit die dagen is een confessionele losbandigheid in die kerken welke de van de Hervormde Kerk evenaart! Het trauma, dat de kerkelijke handelingen uit de dagen van de Tweede Wereldoorlog bij de kerkelijke leiders heeft veroorzaakt werkt zich uit in een feitelijk toelaten in de kerken wat om Gods wil en het hem der gemeente nooit zoumogen worden geduld.

Er is nog een reactie - en een zeer belangrijke - van Woelderink op de gebeurtenissen rond de vrijmaking die vermelding verdient. De "bezwaarden" van voor ruim veertig jaar werden door de "synodalen" beschuldigd van "objectivisme". Drs De Jong wees daar nog onlangs in ons blad op.
Dit was eigenlijk vanzelfsprekend. De leidende synodale figuren zaten nl. gevangen in een subject-object-schema ook en vooral ten opzichte van verbond en' doop. Zij spraken van een "uitwendige" zijde van het verbond - dat was het "objectieve" - en een "inwendige" - het "subjectieve". De doop verzegelde niet alleen iets ",aan" de dopeling, nl. de "aanbieding van het heil" de bijzondere positie" van alle dopelingen' ten aanzien van de belofte en het verbond - het "objectieve" - maar ook dat de dopelingen het heil reeds ontvangen hebben, nl. het gewassen zijn in Christus' bloed; een "in" de dopeling aanwezige genade, dus de wedergeboorte en de afwassing der zonden als genadegaven die aan de dopeling geschonken zijn - het subjectieve".
"Wij, bezwaarden, verwierpen dat subjec-object-schema radicaal. Wij keerden ons met alle kracht tegen het dilemma dat daaruit ontsprong. Aangezien wij daarom ook dàt "subjectieve" van de doop verwierpen, konden de "synodalen", die in het subject-object-schema vastgeklemd zaten, niet anders doen dan ons als "objectivisten" diskwalificeren. Zij konden natuurlijk niet beweren dat wij aan de doop geen enkele verzegelende en verzekerende kracht toeschreven! En daarom kon onze visie op de doop alleen maar objectivistisch" zijn!”
Naar onze overtuiging doorbrak de echte werkelijke doop dat fatale subject-object- schema. Die doop is immers een handeling, een spreken, een verzekeren en verzegelen die van God uitgaat, waarin de dopelingen met God zelf te doen krijgen. En wat moet men ten opzichte daarvan met dat zielige object-subject-schema bezinnen? In de doop hebben wij immers met de levende "serieus" handelende, sprekende, verzegelende God te doen. De doop is geen "ding", geen "zaak", maar en daad van God die voor de dopeling actueel, reëel blijft tot zijn dood, ja voor eeuwig! Als de dopende God in zijn doophandeling wordt geloofd betekent dat eeuwig heil, als Hij wordt verworpen betekent dat eeuwig verderf. En of men nu zegt dat de doop "aan" of ‘m de dopeling de belofte verzekert of verzegelt - dat maakt geen verschil. Als men maar vasthoudt dat de doop is een serieus spreken, verzekeren, verzegelen, handelen van God aan of in ieder dopeling persoonlijk! Een spreken, verzekeren, verzegelen betekenen van zijn belovende Woord dat het verbond, het ganse heil omvat. 2)

Ten aanzien van déze beschuldiging van de bezwaarden heeft nu ook dr Woelderink zich uitgelaten. Wat was het geval?
Dr Zuidema gaf indertijd een zeer lovende recensie van Woelderinks "Het Doopsformulier". Hij zei o.a. dat dit boek "Calvinistisch staal in onze aderen goot"! Maar hij meende toch in Woelderinks beschouwingen een zeker "objectivisme" te ontdekken. Toen ik Zuidema's opvattingen in verband met mijn boek “Om de Unica Catholica" bestudeerde, vroeg ik aan Woelderink een reactie op deze kritiek.
Prompt kreeg ik antwoord op mijn vraag. Woelderink schreef mij dat de beschuldiging van "objectivisme" hem wel zeer vreemd aandeed!
Hij vroeg zich af of die oo!k samenhing met het door mij genoemde object-subjectschema. Daarom ook. Zo schreef hij letterlijk, "doet mij deze beschuldiging zo vreemd aan, omdat ik juist in het sacrament God de HEERE aan het woord willaten komen, zodat Hij veeleer subject is en wij het object van zijn handelen. Hij verzekert ons de waarachtigheid van zijn beloften. De doop is meer dan een zegel. een verzekering; wij moeten oppassen dat we de sacramenten niet verzakelijken (m.a.w.: er een "obj,ect" van maken C.V.) maar ze laten rusten in het levende getuigenis van de Heilige Geest, dat op zo bijzondere wijze door middel van een zichtbaar teken tot ons komt. Als men dit in gedachtenis houdt, is het toch duidelijk, dat dit getuigenis niet in de lucht wordt gesproken, maar tot de gemeente Gods uitgaat en als zodanig tot de gedoopte, van wie wij belijden, dat hij (zij) als lidmaat van Christus' gemeente behoort gedoopt te wezen. Waarom zouden we bij, de doop de naam van de dopeling uitspreken, als hun persoonlijk niet de beloften Gods verzegeld werden?
Waarom zouden we dan allen dopen en niet liever zo nu en dan een dcopsbediendng in de gemeente doen plaats vinden. als de verzegeling in de lucht hing en het voldoende was om door dit teken voor de gemeente in haar geheel de afwassing der zonden af te beelden?
Maar al ontken ik niet de noodzakelijkheid van een persoonlijk geloof ter omhelzing van Gods beloften, ik wil wel bekennen, dat ik dit geloof geen plaats toegewezen wil hebben volgens het subject-object-schema; want dan wordt de betekenis daarvan immer overdreven. Dan komt immer het geloof 'aan het woord als een openbaring van leven, terwijl de rijlkdom van Gods genade in het sacrament zo levend en krachtig is, dat er voor het geloof als kenmerk van een levend gemaakte wedergeboren ziel geen plaats is. Ons leven ligt niet in ons geloof, maar wij hebben door het geloof al ons leven in Christus. De sacramentsbediening en de sacramentsviering zal hier een schaduw moeten zijn van de eindelijke heerlijkheid: God zal wezen alles in allen, wil men dit "objectivisme" noemen, het zij zo."

Ik meen dat deze uiteenzetting van Woelderink de meest radicale afwijzing is van het verwijt van "objectivtisme"! Maar dat neemt niet weg dat men het demonische kwaad - ik zeg het met nadruk zo scherp - van "objectivisme" ten aanzien van de sacramenten inderdaad bedrijven kan!
Dat gebeurt vooral als het intellectualisme ons parten gaat spelen.
In de Griekse mythologie is koning Midas een bekende figuur. Alles wat hij aanraakte veranderde in goud! Zo verandert alles wat het intellectualisme, de doodsvijand van het geloof alles wat het aangrijpt in "gedachten", "theorieën", "Satzen"; kortom in "objecten" die een moord op de ware religie betekenen.
Het intellectualisme, schreef Woelderink ergens. "heef,t een kameleontische natuur. Het is in staat alle mogelijke houdingen aan te nemen om zijn eigenlijke bedoeling te verbergen, het zegt ,amen" zelfs op wat bedoelt hem te veroordelen; het komt binnen als vriend en bondgenoot om daarna' zijn verwoestend werk te beginnen."
Woelderink wijst als voorbeeld van de werking van het intellectualisme op de Ethichen. Tegenover de dorre orthodoxie hieven zij in de aanvang de leus op "niet de leer, maar de Heer". Maar al heel gauw werd deze zin 'Ook bij hen tot niet meer dan een begrip een leus!
Massa's z.g. gereformeerden leven in de ban van dat intellectualisme. Als ze over zonde, genade, ervaring, bevinding, doodsstaat verdoemenis spraken, zijn dit voor hen in feite geen realiteiten maar niet meer dan begrippen.
En achter dit begrippen-complex leeft de ongebroken. verdorven mens met zijn zelfzuchtig, goddeloos leven ongestoord voort. En als een dominee deze begrippen maar goed uiteenzet en benadrukt is hij "trouw" en "bevindelijk", Maar alles is zo schijn, soms zelfs huichelarij.

En nu moet ik ophouden met het praten over het nieuwe boek van Woelderink, al zou ik er nog veel meer van kunnen en willen zeggen. De lezers begrijpen wel dat ik dit boek als een weldaad, een zegen beschouw. Te midden van en tegenover de vele mode-theologieën van onze tijd leidt het ons weer naar de kern. het hart van het "eeuwig Evangelie". Het is een boek om elke zin ervan te "proeven".
En het steeds weer te herlezen. Ik hoop dat er spoedig nog een bundel studies van Woelderink verschijnt. Want er zijn er nog veel meer!
Aan Woelderink is ook te zien - laat ik dit tegenover alle verachtig van "de theologie"
nog mogen zeggen - welk een zegen een grote, diepe, solide theologische eruditie kan hebben voor het verstaan van de Heilige Schrift!


Noten
1 In die "dogmatische commissie" heeft ds Visee een prachtige studie geleverd over verbond etc. in de kerkelijke formulieren. Helaas werd dat niet gepubliceerd.
Uit de "kerkrechtelIJke commissie" waartoe o.a, prof. Dooyeweerd en ds Rietberg behoorden kwam het magistrale bezwaarschrift van Vollen hoven en Dooyeweerd tegen de kerkrechtelijke manipulaties van de synode voort. Zie mijn Om de Unica Catholica, 219 v.

2) Dit heeft ds Van Teylingen in zijn prachtige brochure "Aard en Achtergrond van het geschil in de Gereformeerde Kerken'" reeds betoogd. Hij schrijft daarin: "Men mag art. XXXIII N.G.B. niet zo lezen, alsof daar van een dubbele verzegeling door het Sacrament wordt gesproken, éérst een van het Woord en schied is. Ook hetgeen God "doet inwendig in onze dan ook een van hetgeen inwendig in de harten geharten" wordt door het Sacrament "aan onze uiterlijke zinnen voorgesteld." Zowel het Woord wordt "te beter te verstaan gegeven" in de tekenen van het Sacramens, alsook in de sacramentele handeling die in het Woord toegezegde reiniging van de zonden en de voeding ten eeuwige leven. Maar het is de ene verzekering van het éne Woord der genade. Men zie over het subject-object mijn Prediking en Uitverkiezing; 167-172.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief