Een stil en rustig leven leiden
1976-02-06
Bovenstaande zinsnede vindt u in Paulus' eerste brief aan Timotheus, het begin van hoofdstuk 2.- Jaargang 20
- nummer 6
't Gaat daar over het gebed van de gemeente.
Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan 'eigen' mensen.
Neen: "Ik vermaan u - schrijft de apostel - smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor àlle mensen ... "
In haar gebed moet de gemeente niet met de rug naar de wereld staan, maar daarbij ook mensen buiten eigen kring betrekken.
Blij met de blijden, wenend met de wenend en - zoals het heet in Rom. 12.
Biddend meeleven met anderen, wie ze ook zijn.
Als mensen wie dat biddend meeleven zeker wel mag gelden worden dan nog even met name genoemd "koningen en alle hooggeplaatsten".
Mensen immers met een bijzonder taak.
Mensen ook wie we bijzondere veeleisende en verantwoordelijke eer verschuldigd zijn.
Op deze aansporing om in de gebeden te betrekken ook de omgeving, alle mensen, hooggeplaatsten met name ook, volgt nu dat bekende zinnetje: "opdat wij een stil en rustig leven leiden in alle godsvrucht en waardigheid".
Wat wil de apostel daarmee zeggen?
Meestal wordt dit betrokken direct op die "koningen en alle hooggeplaatsten", als werd daarmee hun taak aangegeven. Zij hebben er voor te zorgen dat de gemeente stil en rustig leven kan, het evangelie verkondigen, God dienen. En daarop moet dan het gebed van de gemeente voor die overheden gericht zijn.
Het lijkt me toe dat deze gangbare mening niet juist is en de zaak waar het Paulus hier eigenlijk om gaat op de kop zet.
Wie moet er nu zorgen voor een stil en rustig leven in alle godsvrucht en waardigheid?
Niet die koningen en zo. Die worden hier ook niet aangesproken.
Neen: de gemeente, de gelovigen zelf. Die moeten zich kalm en rustig, Godvrezend, waardig gedrágen, Daar komt het op aan.
Daar gaat het Paulus om in heel dit gedeelte, hoofdstuk 2 en 3.
Zoals hij zelf het samenvat in 3 : 15: het gaat erom "hoe men zich behoort te gedragen in het huis van God, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid".
Paulus wil de gelovigen manieren leren.
Hoe zij zich als nieuwe gemeenschap heeft te gedragen.
Ze worden met argusogen bekeken.
Wat willen die mensen?
Waarvoor komen ze bij elkaar?
Ze leven onder het odium van mensenhaters te zijn en staatsvijandig, maken zich fanatiek en hooghartig los van hun oude vrienden en verwanten, van het verband waarin ze tot nu toe leefden. Ze komen niet meer in Artemis' tempel (het is in Efeze!), maar hebben hun eigen 'tempel'.
Maar wat is dat voor iets?
Nu komt het er daarom zo op aan, dat de gemeente laat zien dat zij zich niet hooghartig en verachtelijk afwendt van alle anderen, de 'gewone' mensen. Daarom: let er op, blijft in uw gebeden bezig met die anderen. Ook die regeren.
Blijft die eren. Door voor hen ook te bidden en te danken. Gewoon.
Rustig. Geen oproerkraaiers maar gewone mensen, rustige burgers, ze bidden nog voor ons.
Zo zullen ze dan ook niet alleen acceptabel zijn voor de mensen, maar ook in Gods oog (2 : 3).
Een gemeente die zo positief staat tegenover de buitenwereld dat zij ervoor bidt draagt ook en vooral Gods goedkeuring weg. Want Hij staat ook positief tegenover die wereld. Hij wil ze redden. Al die mensen. Zijn Zoon gaf zijn leven ervoor. Als losprijs niet maar voor 'n paar mensen, àlle mensen.
De gemeente weet het. Zij heeft de waarheid. Haar is die toevertrouwd.
Dan moet die gemeente bijzonder op haar gedrag letten.
Met het oog op die buitenwereld, die ook te zijner tijd het getuigenis van die waarheid zal horen.
Daarom komt het er op aan hoe en voor wie er wordt gebeden.
Zó dat daaruit blijkt: hier zijn geen oproerkraaiers en samenzweerders bijeen, maar gewone, rustige mensen, die meeleven met hun omgeving, die 'hoogheden' eren.
Dat is de bedoeling van die aansporing om in de gebeden en dankzeggingen die andere mensen, de medemensen en overheden, niet te vergeten.
Dat zij zich zo stil en rustig gedragen, in alle godsvrucht en waardigheid.
Zoals dat dan ook verder daarin uit moet komen dat de mannen geen ruzie maken (vs 8), de vrouwen zich 'waardig' kleden en zich 'rustig' houden (vs 9-11; dezelfde woorden als in vs 2!), dat de ambtsdragers in de gemeente ook rustige, beschaafde mensen zijn, "ook gunstig bekend bij de buitenstaanden' ...
Een stil en rustig leven ...
Moeten 'koningen en hooggeplaatsten' daarvoor zorgen?
Dat zal wel waar wezen, maar daar gaat het hier nu niet over.
De taak van de overheid is hier niet aan de orde.
Maar die van de gemeente. Hoe gedraagt zij zich? Hoe stelt zij zich op in die wereld, waarvoor zij een woord heeft! Het woord der waarheid.
Er staat wat op het spel.
Het 'image' van Christus' gemeente is van het grootste belang voor de loop van het woord der waarheid. Nog méér dan de zorg van de overheid.
Achter het ijzeren gordijn, waar de machthebbers vaak allerminst voor een stil en rustig leven van de gelovigen zorgen, worden toch nog telkens mensen gewonnen voor de waarheid, de echte en heilzame, getroffen door de kalme waardigheid, waarmee deze gelovigen hun weg gaan temidden van vijandige mensen en onder harde heersers. Ze bidden nog voor ze!
Dàt is "stil en rustig leven".
Denken wij in onze gebeden, ook in onze kerkelijke samenkomsten, aan àlle mensen?
Leven wij biddend mee met het wel en wee van onze omgeving?
Van onze regering?
Kritiek is er genoeg te uiten. Ja, dat is er al genoeg. En revolutie ook.
Schoppen tegen dit en dat.
Maar gebed, voorbede en dankzegging - dat ook! -, zoals we het voor onze 'eigen mensen' doen, ook voor die anderen.
Zeker als ze ook nog hooggeplaatst Zijn.
Geen grote mond, maar meelevend gebed.
Dat zijn de regels voor het huis van God.
de gemeente van de levende God, die de waarheid heeft.