Stichting Anno 1970
1976-02-06
(Jaarverslag door de voorzitter van de Stichting, Mr. C. W. Bakker, uitgebracht op de Centrale Diakonale Conferentie te Enschede op 27-9-1975 gehouden.) - Jaargang 20
- nummer 6
In het afgelopen jaar is de fase van voorbereiding en bezinning op de taak van de Stichting afgesloten.
Het zal in de toekomst nog wel nodig zijn onze plannen op sommige punten te wijzigen, wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, maar verschillende onderdelen van ons werk, zoals we deze in onze beleidsnota hadden geformuleerd, zijn tot uitvoering gekomen. Wij mogen den Here danken, dat Hij ons dit in deze zo moeilijke tijden voor zijn kerk heeft mogelijk gemaakt.
Wij realiseren ons steeds weer, dat ons werk onvoldoende bekendheid geniet bij de leden onzer kerken. Wij doen er zoveel mogelijk aan om dit euvel op te heffen. Wij zijn ons er echter wel van bewust, dat een hulpverlenende instelling als die van ons, niet op publiciteit en het maken van naam uit moet zijn.
“Doe wel en zie niet om'" is ons devies.
Onze vroegere - en thans erevoorzitter - Prof. Veenhof heeft eens gezegd tijdens de opbouw van de in 1952 opgerichte en bij u welbekende "Stichting voor Gereformeerde Kinderbescherming", dat het wel 5 jaar zou duren alvorens deze in de destijds ongedeelde vrijgemaakte kerken zou worden aanvaard. Het is daarom goed dat ik nog eens herhaal wat ik op dit punt het vorige jaar op, de Centrale Diakonale Vergadering te Eindhoven gehouden, heb gezegd.
De in 1952 opgerichte Stichting had een belangrijke taak - in samenwerking met diverse overheidsinstanties en partikulieren op het terrein van de zogenaamde "justitiële kinderbescherming, waaruit in de eerste helft van deze eeuw het werk van dergelijke instellingen voor kinderbescherming hoofdzakelijk bestond, De materiële nood van grote delen der bevolking tot in het begin van de twintigste eeuw gaf daartoe aanleiding; deze nood stond in verband met de industrialisatie, kinderarbeid, slechte gezondheidszorg, het ontbreken van leerplicht en sociale voorzieningen.
De uit 1952 stammende stichting was erkend als voogdij-, gezinsvoogdij en reklasseringsinstelling en had een tehuis voor het opvangen van minderjarigen, die op een of andere wijze, niet in hun eigen of ander gezin konden verblijven .
Mede als gevolg van de kerkelijke moeilijkheden in 1967 en 1968 viel het bestuur van deze stichting uiteen. Om voor onze kerken haar rechten te behouden en het werk te blijven doen is toen de Stichting Anno 1970 in het leven geroepen.
Voor onze stichting is in 1970 de start veel moeilijker geweest dan het begin van de vorige Stichting in 1952.
De eerste jaren gingen grotendeels heen met het bespreken van een te treffen regeling met degenen uit de andere Stichting, die onze bestuursleden niet meer als zodanig aksepteerden. Daar komt bij dat de kerken buiten verband met zoveel vragen het kerkverband en de onderlinge verhoudingen betreffende werden gekonfronteerd dat zij niet steeds adekwaat hebben kunnen reageren op nieuwe ontwikkelingen, waardoor ook het ontstaan en bestaan van onze Stichting gemakkelijk op de achtergrond kon geraken. Ook de pogingen tot het aangaan van een samenwerkingsverband. met de Vereniging voor Kinderbescherming van Chr. Ger. Diakonieën liepen voor ons enigszins teleurstellend af; hoewel zij ons in bepaalde gevallen wel hulp hebben kunnen verlenen, was het als gevolg van het kerkelijk karakter van de leden dezer vereniging (de diakonieën) in wezen voor hen niet mogelijk een zodanig verband als wij wensten met ons aan te gaan.
(In aansluiting hierop kan ik u mededelen, dat wij in bespreking zijn met enkele initiatiefnemers over het deelnemen in een op te richten overkoepelende organisatie voor de kinderbescherming van de "Gereformeerde Gezindte'" die zich op het terrein van de voogdij en gezinsvoogdij wil gaan bewegen).
U dient hierbij wel te bedenken dat de overheid praktisch geen erkenning (meer) geeft aan nieuwe instellingen op dit gebied, wanneer deze in haar ogen liet van voldoende invloed en omvang zijn, zodat tot stand brengen van een dergelijke organisatie, naast het bestaan van diverse natuurlijke haken en ogen wel zeer moeizaam in zijn werk zal gaan. In de loop der jaren is namelijk bij de overheid de overtuiging gegroeid, dat het voor haar financieel voordeliger en doelmatiger zal zijn het ontstaan van kleinere stichtingen, verenigingen e.d. op maatschappelijk terrein tegen te gaan. Daarnaast vatte de mening bij de overheid post dat een instelling zich meer op een bepaald onderdoel moest specialiseren, waardoor nieuwe stichtingen - indien zij al aan de gestelde eisen wat de omvang betreft zouden voldoen - niet tegelijk een erkenning als voogdij en reklasseringsinstelling zouden verkrijgen.
Onze stichting heeft dan ook een zodanige erkenning niet! Maar dit belet haar niet ook op dit terrein - dus op dat van de justitiële kinderbescherming - hulp, steun en advies te geven aan hen die daarom vragen!
In deze tijd van voorbereiding is mede door al deze omstandigheden bij ons de visie gegroeid, dat nog veel meer dan voorheen het geval was, het accent moest komen te liggen op de preventie, dat wil zeggen op het zo vroeg mogelijk onderkennen van problemen, die zich in bepaalde gezinnen tussen ouders en kinderen, jeugdigen - en ook bij wat oudere - persoonlijk of met bepaalde groepen van minderjarigen, binnen de kerk kunnen voordoen.
In deze tijd waarin een betrekkelijk kleine groep van kerken - zoals de onze - vooral wat de jeugd betreft, aan alle kanten openligt voor beïnvloeding van buitenaf, zijn de kansen aanmerkelijk groter dan voorheen, dat de jongeren belangstelling voor de gemeente van Jezus Christus verliezen en dat zij hun heil elders gaan zoeken!
Zouden wij dan eerst aktief moeten worden wanneer justitiële en kinderbeschermingsmaatregelen dreigen en er misschien al niet veel meer te redden valt?
Het vorige jaar heb ik u de aanstelding van de heer Van der Molen, als jeugdconsulent aangekondigd.
In de advertentie, waarin sollicitanten voor deze funktie werden opgeroepen, stond als taakomschrijving:
- Het in overleg met de desbetreffende gemeenten oplossen van leef- en aanpassingsmoeilijkheden van jeugdigen.
-Het waar nodig en gewenst assisteren bij de opbouw van het jeugdwerk in die gemeenten.
De jeugdconsulent is na 1 januari van dit jaar zijn werkzaamheden begonnen.
Verschillende gesprekken met predikanten, jeugdouderlingen, jeugdleiders en jongeren heeft hij achter de rug en daarbij is gebleken, dat na de scheuring in een aantal gemeenten het jeugdwerk in een impasse is geraakt en hoe nodig het is dat het jeugdwerk weer nieuwe impulsen verkrijgt.
Waar nodig en gevraagd zijn adviezen gegeven. Daarnaast is duidelijk geworden, dat er een niet te verwaarlozen aantal leden onzer kerken is (dit kunnen zijn personen of gezinnen) die met zodanige moeilijkheden met zichzelf en/of tegenover elkaar) te kampen hebben, dat ze dringend hulp behoeven. In vele gevallen heeft 'onze jeugdconsulent adviezen en hulp kunnen geven en is er met Gods hulp een oplossing gevonden in een dikwijls uitzichtloze situatie. Wij worden overigens nog al eens gekonfronteerd met de voor ons bekende omstandigheid, dat er regelmatig algemene en juiste klachten over het gedrag van jongeren worden ingebracht, maar dat de aanwezige concrete nood van deze jonge mensen niet wordt opgemerkt, zolang er geen hulpgevende instantie functioneert.
De jeugdconsulent heeft in een augustusnummer van "Opbouw" onder het opschrift "een half jaar jeugdconsulent" zijn ervaringen op beide terreinen aan de lezers bekendgemaakt.
Enige tijd geleden heeft de Stichting een woonhuis aangekocht.
Een jong echtpaar met eigen kinderen heeft zich beschikbaar gesteld om als pleeggezin voor ons te gaan funktioneren. Bij individuele en/of gezinsmoeilijkheden biedt de Stichting de mogelijkheid een beperkt aantal kinderen in dit gezin op te vangen. Het huis voor het verblijf van pleegkinderen bevindt zich in Apeldoorn.
Sinds kort worden wij - mede in verband met onze toenemende bekendheid - uitgenodigd op gemeentevergaderingen het een en ander over het werk onzer stichting te vertellen. De daarop volgende diskussie werkt over en weer verhelderend ten aanzien van de aard en benadering van de vele menselijke problemen die zich voordoen in de huidige samenleving, waarbij de leden onzer kerken zo nauw zijn betrokken.
Gedacht wordt niet alleen aan het doen funktioneren van de vooral jeugdige leden van Christus' kerk tegenover elkaar, maar ook in het stimuleren en aktiveren van hun (en onze) opdracht tot het zijn van een zoutend zout op deze aarde.
Moge de Heilige Geest ons hierin bijstaan en ons samenbinden tot het duidelijk naar buiten herkenbare lichaam van Jezus Christus.
Om onze doelstellingen beter bekend te maken, is er een folder samengesteld. Als bijzonderheid vermeld ik hierbij, dat op de proefdruk van deze folder als bestuursleden de namen van de broeders Dik en Van Doornen voorkwamen. In verband met hun leeftijd hebben zij op de eind oktober gehouden bestuursvergadering als bestuurslid van ons afscheid genomen. Van het begin af bij de oprichting in 1952 van de Stichting voor Gereformeerde Kinderbescherming, bij de uitstoting in 1969 als lid daarvan, als ook bij de tot stand koming en beleidsbepaling van de huidige Stichting Anno 1970, hebben zij de hitte des daags en de koude des nachts doorstaan. Zij heb hen zich ieder op zijn terrein steeds voor het werk van jeugd- en gezinszorg ingezet. Broeder Dik, speciaal met zijn kennis en inzicht op sociaal terrein, broeder Van Doornen meer in het bijzonder ten aanzien van de financieeleconomische en organisatorische problemen. Wij zijn hen erg dankbaar voor wat zij voor ons werk hebben gedaan en betekend. Wij wensen hen toe, dat God hen in hun levensavond nabij is en hun ogen geric!ht doet houden op ons aller Verlosser Jezus Christus.