DEFINITIEVE UITSTOTING
1976-02-13
Zoals onze lezers weten werd in dec. 1971 de (vrijgemaakt) Geref. Kerk van Maassluis vanwege haar verzet tegen het "Wegroepingskerkrecht", zoals dat door prof. Kamphuis gepropageerd en in vele kerken in praktijk gebracht werd, door de classis Schiedam uit het kerkverband gestoten.- Jaargang 20
- nummer 7
Deze kerk heeft daarna alle mogelijke moeite gedaan om dit vonnis ongedaan gemaakt te krijgen.
Zij wilde het verband met de zusterkerken per se niet verbreken.
Ze ging o.a. in beroep op de particuliere synode van Zuid-Holland.
Maar niets hielp. Het vonnis bleef van kracht.
Tenslotte wendde die kerk zich tot de Generale Synode van Kampen (1974). Daar werden alle zusterkerken geconfronteerd met wat de kerk van Maassluis was aangedaan en daar zou een definitieve beslissing over het uitstotingsvonnis worden uitgesproken.
Dat is geschied!
En wat deze synode uitsprak heeft de kerk van Maassluis in een "Laatst Appèl" dat zij aan alle zusterkerken toezond duidelijk gemaakt.
Hier volgt dat stuk.
Samenvatting van het onderstaande:
De Classis Schiedam heeft ons uit het kerkverband gestoten.
De Generale Synode Kampen-1975 heeft onze bezwaren tegen deze uitstoting afgewezen.
De generale synode (Gs) zond ons tevens een brief waarin zij ons de weg wijst "die terugvoert naar het verband der kerken."
Brief en besluiten hebben ons niet overtuigd. Integendeel, wij hebben hierin dezelfde geest opgemerkt die ons in de afgelopen jaren in uitspraken van kerkelijke vergaderingen heeft benauwd; de geest waardoor de eenheid van de Kerk van Christus werd geschonden.
Wij hadden gehoopt dat deze geest door deze Gs zou worden doorbroken.
Het tegendeel is geschied.
Wij zijn in heel het geding nimmer beschuldigd van verlating van Gods Woord of ontrouw aan de belijdenis. Het punt van geschil waarom wij zijn uitgestoten is, dat wij' niet kunnen aanvaarden dat door de toepassing van het "wegroepings-kerkrecht" de Kerk van Christus wordt gescheurd.
Welnu, voor dit "wegroepingskerkrecht" moesten wij buigen.
Dat buigen betekent in ons geval: wij moesten als juist erkennen wat degenen, die in mei 1974 onze Gemeente verlieten, ons voorhielden nl.: "dat Christus in de huidige situatie bij u de kerk niet meer vergadert."
Aan deze eis, die door besluiten en brief van de Gs werd bekrachtigd, kunnen wij om 's Heren wil niet voldoen.
In het volgende willen wij het een en ander nader toelichten:
1e. Op 2 juni 1975 heeft onze kerkeraad aan de Gs-Kampen een Verklaring voorgelegd inzake de drie ultimatieve eisen van de Classis Schiedam, die uitstoting uit het kerkverband ten gevolge hebben gehad, Onze Verklaring vond in de vergadering van de Gs aanvankelijk een goed onthaal. Zelfs sprak de Gs uit "dat het indienen van deze Verklaring de verwachting wekt van herstel van de geslagen breuk."
Tevens echter nam de Gs in een besluit van 11 juni 1975 de wegroeping, die te Maassluis geschied was, in bescherming, Vervolgens legde de Gs onze Verklaring van 2 juni ter beoordeling voor aan de Classis Schiedam.
De classis sloot zich toen vooral aan bij de goedkeuring, die de Gs in haar besluit van 11 juni 1975 aan de wegroeping te Maassluis verleend had en oordeelde: "dat de kerke raad te Maassluis (pr. ds H. van Tongeren) zich helaas niet metterdaad heeft bekeerd van zijn zondig handelen en evenmin heeft erkend de kerk des Heren te Maassluis te hebben gescheurd." (1 sept '75).
Dit sluit geheel aan bij hetgeen ons in de wegroepings-brief van 18 mei 1974 door de toen uittredende broeders en zusters te Maassluis werd geschreven nl.: "Broeders, als bij u bekering aanwezig zou zijn, waar wij u om hebben gevraagd, waar wij ook om hebben gebeden, en zoals de classis dit terecht van u verlangt, dan kunt u het slechts met ons eens zijn, dat wij terecht niet naar de kerk te Maassluis buiten verband zijn gegaan en dat Christus in de huidige situatie bij u de kerk niet meer vergadert. Op grond daarvan kunnen en mogen wij geen stap verder mee met deze buitenverbandkerk." , Dit is duidelijke taal.
De Gs-Kampen sloot zich eveneens hierbij aan o.a. door in het slot van haar genoemde brief aan ons te schrijven: "De weg die terugvoert naar het verband der kerken is niet onduidelijk. Aanvaardt de consequenties van uw Verklaring van 2 juni jl. allereerst jegens de kerkeraad, waarvan br. H. E. de Jong scriba is." (10 dec. 1975) Wij mogen de weg die ons hier gewezen wordt, niet op gaan.
Wij zouden met een "bekering" zoals die van ons geëist wordt, een "bekering" die de erkenning moet inhouden dat Christus "in de huidige situatie" bij ons "de kerk niet meer vergadert" smaad werpen op onze Here Christus.
Hij toch vergadert Zijn Kerk en 'heeft ons in de ambtelijke samenvergadering van de Gemeente rijk gezegend.
2e. De Gs schrijft ons: "Dat uw beschuldigingen elke grond missen, al die jaren hebt u deze zomer erkend.
Maar dan moet er meer gebeuren.
Dan handhaaft u geen onbetamelijke verzoeken," (nl. dat de Gs zou uitspreken dat de uitstoting uit het kerkverband onwettig is geweest.) Maar de Gs kon weten dat wij met onze 2 juni-Verklaring juist niet hebben gezegd "dat onze beschuldigingen elke grond misten, al die jaren."
Immers, wij hadden ons weliswaar geconformeerd aan de betreffende besluiten van de Gs-Hoogeveen en de Gs-Hattem en onze aanklacht tegen prof. J. Kamphuis teruggenomen, maar met behoud van bezwaren.
In een brief aan prof, J. Kamphuis dd. 24 maart 1975 hebben wij de bezwaren, die wij o.a. tegen zijn wegroeping en de ongereformeerde fundering daarvan behouden hebben, gedocumenteerd uiteengezet.
Het moderamen van de Gs-Kampen en de Gs-commissie die de behandeling van onze bezwaren voorbereidde, hebben op eigen verzoek een afschrift van onze genoemde brief aan prof. Kamphuis ontvangen.
De Gs kon dus weten dat het onwaar is wat zij ons schrijft, nl. dat wij met onze 2 juni-Verklaring zouden hebben erkend, dat onze "beschuldigingen elke grond misten, al die jaren."
En het is derhalve ook niet zo, dat uit onze 2 juni-Verklaring mag worden afgeleid (zoals de Gs zonder meer doet) dat wij hiermee "in feite erkend" zouden hebben, dat de classis Schiedam "gerechtigd en geroepen was ultimatieve handelingen te stellen" en ons derhalve uit de werpen.
De Gs wist daarenboven, dat wij op 2 juni '75 handhaafden onze bezwaarschriften over de volgende onderwerpen: - wij zijn overhaast uitgeworpen; wij zijn zonder gehoord te zijn (Deut. 1: 16 en 17; ge gebod, Cat. Z. 43) uitgeworpen; wij zijn met schending van de belijdenis (art. 28 en 29 NGB) uitgeworpen; en wij zijn met vertreding van de K.O. (art. 49) uitgeworpen.
3e. Inzake een commissie van bijstand, waarom wij een en andermaal aan de Gs-Kampen hadden verzocht, berichtte deze ons, dat het haar onmogelijk was zulk een commissie te zenden, daar de Classis Schiedam en de kerkeraad scr. De Jong van zulk een commissie oordeelden, dat deze niet vruchtbaar kon werken. En dat terwijl wij aan de Gs-Kampen duidelijk hadden kenbaar gemaakt: wij willen spreken met allen die hierbij betrekken zijn om te komen tot heling van de geslagen breuk te Maassluis.
Maar de Gs-Kampen voldeed niet aan ons verzoek. Zoals tevoren, sedert de uitstoting uit de classis, een verzoek van ons om een commissie van bijstand v i e r malen door een meerdere vergadering werd afgewezen.
4e. Door genoemde besluiten van de Gs-Kampen is de uitstoting van onze Gemeente uit het kerkverband bekrachtigd, Vanaf december 1971 (toen wij door de classis werden uitgestoten) tot december 1975 hebben wij gestreden om onze rechtmatige plaats in het kerkverband. Die plaats werd ons geweigerd hoewel de leer der kerk nimmer in geding was; van ontrouw aan de belijdenis zijn wij nooit beschuldigd. Wat de onderhouding van de kerkenordening betreft brengt de Gs niet anders tegen ons in dan dat wij ons niet hebben geconformeerd aan haar besluit van 11 juni 1975. Ds Gs kon evenwel weten dat wij ons ook aan dat besluit hebben geconformeerd, maar dat wij bezwaar hielden tegen de passage waarin de Gs van ons vergt dat wij de wegroeping te Maassluis als wettig en terecht zullen erkennen.
De Gs achtte dit ons voorbehoud ontoelaatbaar; zozeer dat zij het daarom zelfs voorstelt, alsof wij ons in het geheel niet aan haar besluit van 11 juni 1975 geconformeerd zouden hebben!
Ons conformeren (met behoud van bezwaren) werd in dezen dus niet aanvaard, Se. Tot herstel van de eenheid hebben wij de zaken van het verleden willen neerleggen. Kerkelijke vergaderingen willen ons echter dwingen tot uitspraken die wij voor het aangezicht des Heren niet kunnen doen.
Wij zijn deze lange weg gegaan in de hoop, met het gebed, dat de geest van verscheuring zou worden weerstaan door kerkelijke vergaderingen.
5e. Tot heden is dat niet geschied. Wat onszelf betreft: wij hebben erkend en erkennen dat onze bezwaren ons ook wel hebben gedreven tot woorden en daden, waarin de geest van Christus niet doorklonk.
Wij zijn nu op een punt gekomen waarop wij ons naar onze overtuiging niet langer kunnen en mogen neerleggen bij de genoemde besluiten van de meerdere vergaderingen.
Wij verklaren dan ook heden, dat wij ons van de verantwoordelijkheid voor deze besluiten vrijmaken.
Wij hebben de eenheid van Gods volk gezocht en wij begeren die eenheid met alle Christgelovigen in de kracht des Heren te blijven zoeken.
Wij bidden dat in die kerken, waarvan de meeste vergaderingen onze uitstoting heeft bekrachtigd, veler ogen ervoor mogen worden geopend, dat deze scheur voor het aangezicht des Heren niet mag bestaan.
Zowel in het bizonder ambt als in het ambt aller gelovigen moge worden gejaagd naar herstel van de verbroken eenheid met ons en met allen die bijeen behoren.
Ziende op eigen schuld en tekort en op de verdeeldheid van degenen die een zouden moeten zijn, stemmen wij in met het gebed van Daniël: “Here, mogen naar al uw gerechtigheid uw toorn en uw grimmigheid zich toch afwenden van uw stad Jerusalem uw heilige berg; want om onze zonden en om de ongerechtigheden onzer vaderen zijn JerusaIem en uw volk tot een smaad geworden voor allen om ons heen. Nu dan, hoor, 0 onze God, naar het gebed van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, om des Heren wil.
Neig mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover uw Naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor u uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden.
o Here, hoor!
o Here, vergeef!
o Here, merk op!
Treed handelend op; toef niet om uwszelfs wil mijn God, want uw Naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk" Daniël 9 : 16-19.
Als je goed op je laat inwerken wat in dit stuk beschreven wordt heb je geen lust meer er op welke manier ook op te reageren.
In je hart komt alleen de verzuchting op: ,,0 God, hoe is het mogelijk dat in déze tijd broeders hun broeders dit kunnen aandoen!"
Maar er gebeuren in de kerk wonderlijke dingen.
In dezelfde week waarin ik dit Appèl onder ogen kreeg kwam ook de volgende "Persverklaring" in mijn bezit: Een vijftigtal leden van de Gereformeerde kerken vrijgemaakt binnen en buiten verband heeft zich kortgeleden beraden over het vraagstuk van de gescheidenheid tussen beide kerken.
Zij willen proberen een bescheiden bijdrage te leveren aan het zoeken naar en het openen van mogelijkheden om in de weg van daadwerkelijke gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, zoals die door de Drie Formulieren van Enigheid wordt nagesproken, te komen tot herstel van de kerkelijke eenheid.
Zij weten zich daartoe geroepen door Christus' opdracht "dat zij allen één zijn" en door de overtuiging dat "wij elkaar onvergetelijk dienen te zijn."
Zij wijzen "onkerkelijk" handelen nadrukkelijk af. Zij zijn van mening dat de weg van de eenheid uiteindelijk door de kerken gegaan zal moeten worden, maar willen proberen in de weg van voortgezet beraad daaraan een bijdrage te leveren Het contactadres van bedoelde leden is: Brahmslaan 44, Nijkerk.
En nog is het einde niet.
Al weer in dezelfde week las ik in het Kerkblad van onze vrijgemaakte zusterkerken in Overijssel enz. een paar artikeltjes van ds Goedhart van Zwolle.
In het eerste keert hij zich fel tegen de beschouwingen die ds Van der Kwast in Opbouw over kerkelijke toenadering ten beste gaf.
In het tweede deelt hij mee dat hem geruchten ter ore waren gekomen "dat er samensprekingen gaande zijn tussen broeders van "onze" kerken en die buiten verband".
Bij voorbaat keert hij zich ook daar al fervent tegen. Voorts verklaart hij: "Ik voor mij zou niet graag de WINST (hoofdletters van de schrijver!) van de strijd van 1967 tot 1969 en daaromtrent verspelen."
Wat die "winst" is kan men opmaken uit het boven afgedrukte "Appèl" uit Maassluis.
Als men vraagt wat de eigenlijke oorzaak is van deze kerkelijke ellende - althans wat de "leer" betreft - kan men het antwoord vinden in een brochure waarin de auteur argeloos een eenvoudige uiteenzetting geeft van de wijze waarop in zijn kerken wordt gelezen en moet gelezen worden wat onze belijdenis over de kerk zegt: Men leest daarin o.a. het volgende: Christus "roept slechts op één plaats bijeen... Op één plaats kan maar één kerk zijn, waarheen Christus zijn gelovigen vergadert.
Onder de "kerken" is één ware kerk, die met haar kenmerken is te onderscheiden van de rest (!!) ...
Er is één Kerk, die voldoet aan de normen van de belijdenis."
Dr Masselink schreef op deze simplistische uitspraken reagerend: "Het is allemaal zo luchtig en tegelijk zo massief gezegd, terwijl het gaat over het heilswonder van Christus, waarin Zijn wegen niet doorzichtig zijn te maken ook al omdat alle kerkleden maar een klein begin van de nieuwe gehoorzaamheid hebben. Dit geldt ook van de kerken als instituut; dus ook van de Vrijgemaakte kerken waar de auteur bij hoort.
Vroeger geen samenspreking met de 'synodale' kerken, later velen buiten het kerkverband gezet, een Jona-achtige houding t.o.v. de afgedwaalden, het achterstellen van de kenmerken van de kerkleden bij de kenmerken van de ware kerk zelf ... aan dit alles wordt helaas geheel voorbijgegaan.
Kortom bitter weinig van de spanning waarmee Paulus de kerkvragen doorworstelt."
Dit alles wordt gedaan en gezegd in het “jaar onzes Heren" 1976.
P.S. Aan de dissertatie waarop L. van Klinken in het vorige jaar promoveerde tot doctor in de economische wetenschap had hij ook deze stelling toegevoegd: Al moet voor een goed begrip van het conflict in 1967 in de Vrijgemaakt-Gereformeerde Kerken in Nederland bedacht worden, dat de "Open brief" van 31 oktober 1966 het "Getuigenis", dat uitgegaan is van de generale synode van Groningen 1946, fundamenteel weerspreekt, de aanvaarding van de credentiebrief van het ressort Noord-Holland door de generale synode van Amersfoort-W. 1966/1967 van die kerken bewijst, dat dit naar het oordeel van deze synode geen reden is om in dat ressort in W67 het zgn. wegroepingskerkrecht toe te passen De aanvaarding van deze credentiebrief bewijst tevens dat naar het oordeel van de generale synode van Amersfoort- W. 1966/1967 de regels van de Dordtse kerkenorde voor en in die jaren in Noord-Holland niet in die mate door de desbetreffende kerkelijke vergaderingen zijn genegeerd, dat om die reden in 1967 in genoemd ressort van dit "kerkrecht" gebruik moest worden gemaakt.