Boekbespreking
1976-02-13
A. W. Begemann, Aanvangen der Griekse Wijsbegeerte; Groningen (De Vuurbaak), 1975; 166 pagina's; prijs f 27,50.- Jaargang 20
- nummer 7
Van de aanhangers van de Wijsbegeerte der Wetsidee, die zich -speciaal met de Griekse wijsbegeerte hebben beziggehouden, is Professor Begemann buiten vakkringen misschien niet zeer bekend geworden.
Door het betrekkelijk late begin van zijn wetenschappelijke carrière, de grondigheid, waarmee hij zijn publicaties voorbereidde en de korte duur van zijn hoogleraarschap, waarin het werken hem tenslotte door ziekte onmogelijk werd, is het aantal werken, dat van zijn hand verscheen, beperkt gebleven.
Toch verdient hij met ere genoemd te worden, niet alleen vanwege het gehalte van zijn werk (zijn dissertatie over de Lysis van Plato is geprezen als een meesterwerk), maar ook omdat al zijn werk gedragen wordt door de vaste wil, de wijsgerige vragen te beantwoorden en de door anderen gegeven oplossingen te beoordelen in het licht van de Woord open baring.
Duidelijk komt deze denkhouding tot uitdrukking in zijn inaugurele oratie, uitgesproken bij de aanvaarding van zijn ambt van buitengewoon hoogleraar in de geschiedenis van de wijsbegeerte der Oudheid aan de Vrije Universiteit, in zekere zin een program en tevens een eerste specimen van zijn professorale arbeid.
Daarin kwamen ook al enkele elementen naar voren (de gedachte van een intern-wijsgerige dynamiek, die de loop van de geschiedenis der wijsbegeerte kenmerkt; de toepassing van de probleemhistorische methode van Vollenhoven ; de behandeling van het mythologiserende denken als praefilosofie; de kritiek op de rationalistische criteria voor wijsbegeerte), die in de collegedictaten een meer systematische uitwerking hebben gevonden.
Het lag in zijn voornemen die dictaten uit te geven, gebundeld en uitgebreid tot een complete inleiding in de Griekse wijsbegeerte. De bewerking heeft hij echter niet mogen voltooien. Het typoscript heeft hij aan het eind van zijn leven toevertrouwd aan Dr P. A. Meijer, die het, met hulp van Prof. dr J. Douma, onder auspiciën van het Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap heeft uitgegeven.
In een Ten Geleide geeft Dr Meijer een overzicht en een typering van Begemann's wetenschappelijke activiteit en legt hij tevens rekenschap af van zijn bemoeienis met de uitgave.
In de tekst is nergens ingegrepen, alleen de kopjes, die Prof. Begemann gewoon was in margine te laten afdrukken, zijn nu veelal gecursiveerd in de tekst opgenomen.
Mijns inziens is dat de overzichtelijkheid niet ten goede gekomen, omdat het de indeling van de hoofdstukken en paragrafen doorkruist; maar het betekende een aanzienlijke verlaging van de drukkosten en dat is tegenwoordig ook wat waard.
Het boek heeft .het karakter van een gids voor een nog onbekend studiegebied, zoals uit de hele opzet blijkt.
Het valt in drie hoofddelen uiteen: de Prolegomena, een Algemene Inleiding en een deel, waarin een begin is gemaakt met het trekken van een hoofdlijn in de geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte, volgens een in het tweede deel ontwikkelde methode.
Het boek is kennelijk bestemd om naast de grote handboeken te worden gebruikt. Hoewel het bestemd is voor beginners, zal het de niet gymnasiaal gevormde lezer aanzienlijke moeilijkheden kunnen opleveren, zij het dat bij alle Griekse teksten een zorgvuldige vertaling is gegeven.
In het eerste hoofdstuk gaat de auteur in op kwesties, waarvan ieder die wijsgerig bezig is, zich rekenschap zal moeten geven. De oorsprong van de wijsbegeerte ziet hij in een (niet ingeschapen, maar 'bij de cultuuropdracht ingelegde) drang van de mens om samenhang, orde, eenheid en zin in de totaliteit der werkelijkheid te ontdekken (p. 15) Uit diezelfde drang komt ook voort de dorst naar kennis van de afzonderlijke dingen drijfveer van alle wetenschap), maar de wijsbegeerte richt zich speciaal op het geheel.
Doordat de kennis van de Openbaring van God na de zondeval uit de wereld verdween, kon de werkelijkheid niet meer worden gezien als schepping, betrokken op haar Schepper, en werd het zoeken naar de zin van de dingen steeds meer een tasten in het duister. Wanneer we dan ook aan de resultaten van dit tasten de waarheidsvraag stellen, zoals Begemann ook in de Prolegomena doet. dan moeten we zeggen, dat de wereld door haar wijsheid God niet gekend heeft" (1 Cor. 1, 21) en daarmee de zin van de kosmos als geschapen zijn Dooit heeft kunnen ontdekken (p. 26). Toch is de bestudering van die resultaten zinvol, want ze bevatten vele waarheden, als we maar blijven zien, dat deze waarheden "ingevlochten zijn in de grote, fundamentele leugen".
Toch worden niet alle resultaten var het zoeken naar samenhang en zin van de totaliteit der werkelijkheid tot de geschiedenis der wijsbegeerte gerekend De meeste geschiedschrijvers laten haar beginnen met Thales, een Grieks denker, die plm. 600 v. Chr. leefde, omdat hij als eerste een rationele oplossing gaf. Begemann behandelt deze kwestie uitvoerig (pp. 124-129). Hij erkent ook het mythologiserende denken van b.v, Hesicdos en de Orphiek als wijsbegeerte.
Om het onderscheid tussen het mythologiserende en het rationele denken toch aan te geven, spreekt hij waar het denken "gebonden ligt en zich beweegt in religieuze mythen" van praefilosofie (p. 123). Deze term verraadt een zekere tweeslachtigheid, want hij wekt de indruk enerzijds een concessie te doen aan de gangbare opvatting, die rationeel denken als criterium voor wijsbegeerte stelt, en anderzijds de mythologische speculaties over het ontstaan van de kosmos en de goden als wijsbegeerte te erkennen.
Er is Begemann nogal wat aan gelegen, dat we dit laatste doen, want "het is religieus gebonden denken, evenals dat van de Christendenker" (p. 127) en de erkenning van het bestaansrecht van een christelijke wijsbegeerte acht hij er daarom ten nauwste mee verbonden. In dit verband bevreemdt het, dat de schrijver buiten het Griekse milieu, waar dezelfde drang tot het verstaan van de zin en de oorsprong van deze wereld zich natuurlijk evengoed liet gelden, niet van wijsbegeerte wil spreken: "Wat er gevonden werd bij Aegyptenaren, Babyloniërs, Perzen, was een soort wijsheid, en deze wijshied was en bleef religieus gebonden en bepaald" (p. 43). En bij de Chinese en Japanse filosofie "passen eigenlijk aanhalingstekens, want het is religieuze filosofie of filosofische religie" (p. 44).
Is het denken van Hesiodos c.s. dan toch alleen wijsgerig, omdat hij de voorloper was van andere, rationeel denkende figuren? Hier verraadt zich de tweeslachtigheid van de term praefilosofie als de tweeslachtigheid van Begemann zelf: enerzijds wil hij het mythologiserende denken als wijsbegeerte erkennen, anderzijds aanvaardt ook hij, zelfs expliciet, 'het criterium van de theoretische denkwijze, die, wil zij overtuigen, aan de wetten van het denken gebonden is: de filosoof moet "rationeel te werk gaan" (p. 39).
Natuurlijk is Begemann hiermee geen rationalist. Terecht maakt hij zelf het onderscheid tussen rationeel en rationalistisch denken (p. 129). Daarom is het ook niet nodig het bestaansrecht van een christelijke wijsbegeerte zo nauw aan dat van het mythologiserende denken te verbinden. Hesodes dacht niet rationeel, maar in mythen. Dat kan van de Christen-denker (als het goed is) niet gezegd worden: hij denkt rationeel, al is die rede bij hem niet de enige weg om tot de volle waarheid te komen.
De verdediging van het bestaansrecht van christelijke wijsbegeerte en wetenschap is m.i. zelfs niet gebaat met het in bescherming nemen van de mythologische speculaties, die dan misschien enige ordening mogen vertonen, maar in wezen nietrationeel zijn. Op deze wijze worden kenbron (Openbaring) en denkwljze (filosofie) met elkaar verward. Een veel betere verdediging geeft Begemann, waar hij rationalistische historicus der wijsbegeerte Guthrie aanwijst, dat diens uitgangspunt ten diepste ook religieus is. De zekerheid.
dat de menselijke rede autonoom is en bovendien het enige en toereikende, dat wij voor het onderzoek van de werkelijkheid nodig hebben, is de zekerheid van een geloof (Guthrie gebruikt ook het woord “faith") en "de zekerheid van een geloof rust niet op argumenten". (p, H-6).
De vraag, waarom nu juist bij de Grieken wijsbegeerte gevonden wordt (uit het voorgaande zal duidelijk zijn, dat Begemann onder wijsbegeerte verder de rationele.
westerse wijsbegeerte verstaat), wordt uitgebreid behandeld in het tweede hoofddeel. Drie trekken of componenten van de Griekse geestesstructuur wijst de schrijver aan, "waaruit de geweldige cultuurprestatie der wijsbegeerte ontkiemde": een belangeloze belangstelling (de "verwondering" van Plato), "een beeldend voorstellingsvermogen van nooit en nergens geëvenaarde kracht" (p. 51) en een gerichtheid op een harmonische orde, die zich uit in het steeds weer zoeken van eenheid in de veelheid. Een originele beschouwing wordt gewijd aan de wijze, waarop in alle takken van litteratuur en beeldende kunst de tweede component (de fantasie) gericht wordt door ere derde (de zin voor harmonische orde). De combinatie van deze twee factoren mankt de essentie uit van wat wij het "klassieke" in de kunst van de Oudheid noemen (P. 54). Ook in de filosofie ziet Begemann deze machten werken, de fantasie als "denkfantasie" (p. 62) gewekt door de verwondering en geric!ht door de ordeningdrang.
De term "denkfantasie" geeft daarbij goed weer, dat de Griekse wijsbegeerte, hoewel georiënteerd aan de fysische werkelijkheid en beheerst door de wetten van het rationele denken, toch altijd speculatief is gebleven (gevolg van het ontbreken van Openbaringskennis).
De methode, die de schrijver voor de geschiedschrijving van de wijsbegeerte ontwikkelt, leunt aan tegen de probleemhistorische methode van Vollenhoven, maar bij de behandeling van de verschillende antwoorden, die in de loop der tijden op een bepaalde vraag gegeven zijn, wil Begemann speciaal een logica in de ontwikkeling van de standpunten aanwijzen, Uitgangspunt voor het ontwikkelen van die methode is de periode, die tot de wetmatigheden van het veld van onderzoek behoort De periode is een deel van die historie, dat zodanig deel. uitmaakt van het geheel, dat elk deel uit het voorafgaande voortkomt en op zijn beurt het volgende uit zich doet voortkomen. Dit brengt de auteur tot het aanwijzen van een biotische analogie, die vooral tot uitdrukking komt in de aspecten: geleding, ontwikkeling en continuïteit. De dynamiek, die deze ontwikkeling voortstuwt is de in de Prolegamena besproken drang, die bij de cultuuropdracht in de mens is gelegd. In deze dynamiek ziet Begemann nu een bepaalde logica werken, omdat het biotische anticipeert op het logische: zoals het biotische in zijn ontwikkeling gehoorzaamt aan biotisch gekwalificeerde ontwikkelingswetten, zo gehoorzaamt de wijsgerige ontwikkeling aan "bewegingswetten van het denken", die logisch gekwalificeerd zijn (p. 114).
Het bestaan van deze ontwikkelingslogica wil de auteur met zijn methode aanwijzen.
In de uitwerking van deze methode blijkt pijnlijk, dat we met een onvoltooid boek te maken hebben. Zowel de theoretische fundering als de toepassing van de methode is niet voldoende doordacht. De poging, aan te tonen, dat de hele wijsbegeerte (annex wetenschap) uit één kiem voortkomt, loopt al bij Pythsgoras vast; Secratiek en sofistiek kunnen pas op het praedicaat "wijsbegeerte" aanspraak maken als ze op de boom van de kosmo-ontologie worden “geent", maar komen uit een andere kiem voort. Klemmender moeten deze problemen worden, naarmate de geschiedenis van de wijsbegeerte voortschrijdt en complexer wordt (vergelijk de invloed van het christelijke denlken, dat uit een heel andere kiem voortkomt en zich dan met het heidense denken verenigt, of die van de gnostiek, die, naar men thans vrijwel algemeen aanneemt, van oosterse oorsprong is).
Natuurlijk moet elke geschiedschrijving, die geen willekeurige opsomming wil worden, een bepaalde lijn vertonen maar voor mijn gevoel dwingt men de geschiedenis teveel in een gareel, wanneer men alles uit één kiem tevoorschijn wil laten komen, en terwille van de logische continuïteit allerlei denkers, die een plaats in de geschiedenis verdienen vanwege de invloed, die ze hebben uitgeoefend, “buiten de historie" laat vallen (p. 115).
Maar er is nog een bezwaar tegen Begemann's logicale methode, dat zwaarder weegt. De verleiding is nl.
erg groot om op grond van een achteraf veronderstelde logische continuïteit een conceptie zodanig te interpreteren, dat ze in het schema past. Vooral bij de Voor-Sokratische denkers is dit gevaar niet denkbeeldig vanwege het fragmentarisch karakter van onze bronnen (een voorbeeld is Begemann's interpretatie van Anax.imanders "apeiron").
De oorzaak van de moeilijkhedenligt m.i. in de stelling van de schrijver, dat een denker gebonden is aan de denkbewegingswetten op straffe van "tot nonsens te vervallen" (p. 115), en wel omdat hij die denkbewegingswetten opvat als de logische orde, die analoog is aan het vaste patroon in de biotische ontwikkeling. Tot nonsens vervalt slechts die denker, die de logica in de zin van "wetten voor het verstandelijk denken" verwaarloost.
Een denker kan immers de ontwikkeling een heel nieuwe wending geven (al of niet onder invloed van externe factoren), die niet logisch uit de opvattingen van zijn voorgangers voortvloeit. Natuurlijk is er dan nog wel sprake van continuïteit: iedere wijsgeer bouwt voort op de resultaten van voorgangers, maar de wijze waarop hij dat doet is niet aan wetmatigheden gebonden.
Het beeld dat op deze manier van de geschiedenis van de wijsbegeerte gegeven wordt, is gesimplificeerd. Dat blijkt ook uit de behandeling in het tweede hoofdstuk van de verhouding van wijsbegeerte en wetenschap.
Volgens Begemann vindt de emancipatie van de wetenschappen uit de wijsbegeerte pas na Aristoteles plaats. Maar allang voor Plato en Aristoteles vinden we beoefening van vakwetenschappen naast de hoofdstroom van het kosmo-ontologisch denken, Uit de kring der Pybhagoreeën zijn mensen voortgekomen, die zich uitsluitend met wiskunde hebben beziggehouden, b.v. Theodoros; in de medische wetenschap had zich op Kos de school van Hippokrates gespecialiseerd (waarin naast de speculatie de empire al een belangrijke rol speelde en ook een theoretische fundering van de methode niet ontbrak); de geschiedenis werd al door Herodetos vanuit een leidend gezichtspunt en met zorgvuldige schifting van bronnen beschreven en het hoogtepunt van wetenschappelijke geschiedschrijving in de Oudheid is al bij Ithoukydides (tijdgenoot van Sokrates) bereikt.
Wanneer we dus bij Aristoteles spreken van emancipatie der wetenschappen uit de wijsbegeerte, kan dat alleen als we daarmee bedoelen: emancipatie van die wetenschappen die daarin waren opgenomen uit het wijsgerig systeem van Aristoteles.
(Maar sommige van de bovengenoemde wetenschappen zijn daarin zelfs nooit opgenomen geweest.) En ook na de verzelfstandiging van de wetenschappen is het beeld niet zo simpel als de auteur het doet voorkomen. De ontwikkeling van de astronomie b.v. is eeuwenlang tegengehouden door het gezag van Aristoteles, zodat het heliocentrisch wereldbeeld, dat in de Oudheid al wel geopperd is, geen aanhangers vond.
En onder invloed van de skepsis, die de heersende filosofische richting in de school van Plato (Midden-
Akademie) geworden was, hebben de belangrijkste artsenscholen uit de laatste eeuwen voor Christus de anatomie als grondslag voor de medische wetenschap afgewezen.
Ondanks mijn bezwaren bevat het boek wel waardevolle uitgangspunten.
Het is in markante stijl geschreven, maar mist de fijne afwerking, die voor Begemanns andere publicaties zo kenmerkend was. (Enkele details: "Formative period" is een gewone Engelse uitdrukking voor "beginperiode"; het verwijt aan het adres van Guthrie (p. 46) kan daarmee vervallen. Op p. 79 is het fragment van Herakleitos (DK 35) onjuist geciteerd. De naam van Chrysippos is (met dubbel s) consequent fout gespeld (p. 85, 111). Bij de weergave van de systematiek van Vollenhoven rekent Begemann het Realisme ten onrechte bij de richtingen, die de wet binnen de kosmos zoeken (p. 106). Men verwijte mij niet, dat ik spijkers op laag water zoele een dergelijke akribie zou mij door de auteur, als vrucht van zijn eigen onderwijs, in dank zijn afgenomen.)