Gastvrijheid = liefde voor de vreemdeling
2012-08-31
De vreemdeling in de Bijbel is een test voor onze naastenliefde, een spiegel die ons beschaamt en jaloers maakt én een onmisbaar persoon voor het kennen van een veelkleurige God. Filoxenia: liefde voor de vreemdeling. Dat is in Gods ogen gastvrijheid. - Jaargang 56
- nummer 17
In tijden van politieke en financiële crises zijn het vaak buitenlanders en migranten die het moeten ontgelden. Ook in de kerken wordt ‘de vreemdeling’ al snel aangewezen als het zwarte schaap van de verloedering en de financiële problemen. Daarmee verdwijnt het zicht op wat God voor ogen heeft met de komst van de vreemdeling in ons midden. Die rol is in de Bijbel drievoudig: een test voor onze naastenliefde, een spiegel die ons beschaamt en jaloers maakt en een onmisbaar persoon voor het kennen van een veelkleurige God.
1. Test voor onze naastenliefde
In het Oude Testament komen vreemdelingen regelmatig aan bod in de wetgeving en voorschriften van Israël, waarbij de Israëlieten meteen ook worden herinnerd aan hun eigen geschiedenis als vreemdelingen in Egypte. Kwaad dat ons is aangedaan wordt namelijk makkelijker herhaald dan het goede.
Gods zorg voor de vreemdeling is dan ook een rode draad in het Oude Testament.
Hij is zelf namelijk degene die zorg en liefde bewijst aan de vreemdeling (Psalm 146:9 en Deuteronomium 10:18). Dus vraagt Hij van zijn volk om bewust gedeelten van de oogst te laten liggen voor de armen onder de vreemdelingen (Leviticus 23:22), een eerlijke juridische behandeling ook van de vreemdeling (Deuteronomium 1:16-17) en het gelijke recht op een rustdag (Exodus 20:10), zodat de vreemdeling niet gedwongen wordt door te werken terwijl de Israëlieten kunnen uitrusten. Zelfs het erfdeel van de in Israël gewortelde vreemdeling bij de verdeling van het land wordt met name genoemd (Ezechiël 47:21-23).
God gaat zelfs zo ver dat Hij zijn zegen verbindt aan wat ik zou willen noemen de test van barmhartigheid ten aanzien van de zwakke. Als de Israëlieten worden opgeroepen om eens in de drie jaar een groot feest te vieren van de tienden die ze verzameld hebben, dan wordt hun voorgeschreven om die 10 procent van het Bruto Nationaal Product te verdelen onder de van giften levende Levieten, en onder de weduwen, wezen en vreemdelingen.
‘Opdat de Here uw God, u zegene in al het werk dat uw hand doet.’ Economische zegen vloeit voort uit de test of we onze liefde voor de vluchteling en migrant in praktijk brengen.
Het Nieuwe Testament volgt dezelfde lijn. Ook hier toont God zich wederom een God die zich bekommert om de ‘minste’; de hoer, de tollenaar en de vreemdeling, zoals de Samaritaan.
Sterker nog, meer dan eens identificeert God Zich in Jezus met de mindere onder ons. Bij zijn geboorte is er al geen plek in de herberg en moet Hij asiel zoeken in Egypte, en later is er geen plek om zijn hoofd neer te leggen en zorgt een ‘achterban’ van vrouwen voor giften van levensonderhoud (Lucas 8:3). Hij die ons oproept om gastvrij te zijn voor degenen die niets kunnen terugdoen (Lucas 14:12-13), is zelf te gast bij tollenaars en Samaritanen.
In de brieven van Paulus is het Griekse woordje voor gastvrijheid filoxenia, dat veelzeggend is in een tijd van ‘ikke ikke’ en ‘eigen volk eerst’.
Filos betekent namelijk geliefd en xenos vreemdeling, en dus is gastvrijheid in de bijbelse zin letterlijk ‘liefde voor de vreemdeling’. Daarom kon Paulus zeggen dat sommigen daardoor engelen hadden gehuisvest (Hebreeën 13:2). Wisten zij veel wie ze in huis haalden...
Die liefde is meteen ook een test voor leiderschap, want in 1 Timoteüs 3:2, Titus 1:8 en 1 Petrus 4:9 staat dat gastvrijheid een voorwaarde voor een goed leider is. Dus hoe liefdevol ben je als ouderling en dominee voor een enge allochtoon op het pleintje bij je kerk? Dat bepaalt ware gastvrijheid, en niet dat kopje koffie voor je autochtone buurman.
Uiteindelijk legt Jezus zelf de lat zo hoog (of laag, zo u wilt) waar het gaat om de ultieme test voor onze naastenliefde; onze houding ten opzichte van de ‘minste’. In zijn identificatie met die minste lezen we in Matteüs 25 dat Hij onder andere in de persoon van een vreemdeling onze gastvrijheid beproefde, ‘…en jullie namen mij op’.
Wie de test van praktische liefde voor de vreemdeling doorstaan, mogen zelfs uitzien naar eeuwige zegen.
2. Spiegel die ons beschaamt en jaloers maakt
Eén van de meest kenmerkende eigenschappen van de manier waarop God mensen gebruikt, is zijn omgekeerde werkwijze. Hij gebruikt niet degenen die vooraan staan, maar de laatsten in de rij. Niet de sterken, maar de zwakken. Hij laat Jozef opgroeien in de woestijn en Mozes in een paleis, maar gebruikt Jozef in een paleis en Mozes in een woestijn. Hij beschaamt de wijzen en aanzienlijken in de wereld door degenen van wie je dat het minst zou verwachten.
In de tijd van Jezus was het niet veel anders dan nu. Buitenlanders, of het nu Romeinen waren of Samaritanen, hadden geen goede naam. Jezus kreeg de benaming ‘Samaritaan’ als scheldwoord naar zijn hoofd geslingerd in Johannes 8 vers 48. ‘Zeggen we soms ten onrechte dat u een Samaritaan bent, en dat u bezeten bent?’ Omgekeerd gebruikte Jezus de Samaritaan en andere ‘vreemdelingen’ weer als spiegel voor de Joden, om de zelfbenoemde wijzen te beschamen vanuit onverwachtse hoek.
Lucas 17:10 – Een Samaritaan komt als enige van tien ex-melaatsen terug om Jezus te bedanken voor zijn genezing.
Dit lijkt tot verbazing van Jezus te zijn (‘Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?’), maar van iemand die de harten van mensen kende, was het eerder een retorische vraag aan de Joodse omstanders en de discipelen, die dit feit liever over het hoofd zagen. Lucas 10 – Jezus laat met de illustratie van een barmhartige Samaritaan aan het religieuze establishment zien wat echte naastenliefde inhoudt. Het centrale punt is hier niet ‘barmhartig zijn’ maar wie hier barmhartig is (en wie niet). Naar deze tijd vertaald: Jezus die preekt over de barmhartige Marokkaan in een kerk op de Veluwe.
We worden pas wakker geschud als degene van wie het minst verwachten, doet wat wij hadden moeten doen…
Lucas 4:25-28 – Waarom worden de inwoners van Nazareth zo boos op Jezus dat ze Hem een afgrond in willen duwen? Sprak Hij over de eenheid met zijn Vader in de hemel?
Eerst noemden ze zijn woorden nog ‘genaderijk’, maar daarna raakt Jezus een gevoelige plek, namelijk die van de Joodse religieuze trots. Hij toont aan dat zelfs in het Oude Testament God in staat was zijn volk te passeren door wel buitenlanders te helpen (Elia en de weduwe in Sarepta) en te genezen (Naäman de Syriër) in plaats van Joden. Een spiegel die onze trots ontmaskert, is misschien wel de meest confronterende, want Hij vernedert wie zich verhogen.
Matteüs 8 – Stel je voor dat je predikant in de Tweede Wereldoorlog een SS-officier in de kerkdienst naar voren roept en voorstelt als symbool van geloof, meer dan er in heel Nederland gevonden kan worden. Hoe zou jij je voelen? Toch is dat wat Jezus doet, als Hij bij een Romeinse hoofdman, een vreemde bezetter, meer geloof ziet dan Hij in heel Israël is tegengekomen.
Vervolgens stelt Hij dat buitenlanders de Joden nog wel eens zullen voorgaan in het Koninkrijk der Hemelen. In plaats van woede kan dit ook leiden tot een besef van schaamte en gezonde jaloezie.
Matteüs 15 – Minstens zo’n groot geloof had de Kanaänitische vrouw (Syro-Fenicische = het huidige Libanon) voor haar dochter. Moslims willen dit gedeelte nog wel eens aanhalen om te laten zien hoe verdorven de Bijbel is. Welk heilig boek laat Jezus nu een vrouw met een hond vergelijken?
Maar Jezus, die het geloof van deze vrouw goed doorhad, wilde het sterke geloof van een ‘heiden’ juist laten zien aan zijn discipelen. Tot schaamte van deze Joodse nationalisten.
Deze‘‘buitenlandse spiegel’ die Jezus de Joden voorhield, was uiteindelijk bedoeld om hen jaloers te maken. Net zoals Paulus Joden wilde bereiken door jaloezie op te roepen met zijn bediening onder de heidenen (Romeinen 11:14).
Ik herken dat als ik in mijn werk met Iraanse christenen weer iemand begeleid die de islam loslaat en bewust christen wordt. Dan denk ik vaak: zouden autochtone Nederlanders die de kerk van hun oma verlaten hebben en denken dat het christelijk geloof heeft afgedaan, maar eens vaker luisteren naar de verhalen van vluchtelingen die Christus hebben leren kennen. Veel christenen van buiten het Westen hebben ons iets te leren over de rijkdom van geloof, de Geest en vreugde.
Misschien ligt het niet voor de hand om Joden jaloers te maken met het geloof van heidenen. Of autochtone Nederlanders met de bekering van een vluchteling. Maar is dat niet juist de omgekeerde weg die God wel vaker gaat?
3. Onmisbaar voor het kennen van een veelkleurige God
Onze Nederlandse cultuur heeft een vreemde neiging om door te slaan naar twee uitersten waar het gaat om verschillen. Aan de ene kant heeft geen land ter wereld een ‘verzuiling’ gekend zoals wij. Of je moet aan de ‘apartheid’ denken, maar dat is dan ook wel weer het enige Nederlandse woord dat wereldwijd gebruikt wordt.
Nog steeds houden we ervan om te vragen ‘waar gaat dat van uit?’ of ‘waar kom je vandaan?’. We hebben zo veel woorden om iemand te duiden als allochtoon, dat we zelf niet weten welke we moeten gebruiken.
Aan de andere kant zijn we verzot op ‘nivellering’ van verschillen. ‘Wees niet te veel vreemd, nee, doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ Man en vrouw, hoog- en laaggeplaatsten, kinderen en volwassenen, iedereen is gelijk. Verschillen staan gelijkheid in de weg, dus vreemdelingen moeten zich vooral aanpassen.
De Bijbel heeft een heel andere kijk op verschillen tussen mensen. Als we de gedachte erachter pakken, geeft dat meteen een breder zicht op God zelf!
In Jacobus worden de gemeenteleden aangesproken met de vermaning ‘mijn broeders en zusters, nu u gelooft in Jezus Christus, onze glorierijke Heer, moet u geen onderscheid meer maken’ (Jacobus 2:1 GNB). En vervolgens worden een rijke en arme bezoeker van de dienst als voorbeeld genoemd, omdat ze respectievelijk een goede en slechte plek krijgen toegewezen. ‘Maakt u dan geen onderscheid en oordeelt u zo niet op grond van verkeerde overwegingen?’ wordt er in vers 4 gevraagd.
Ook in onze kerken wordt maar al te vaak onderscheid gemaakt op basis van onzuivere motieven. Degenen met minder intellect, minder opleiding of minder geld kunnen behoorlijk minder interessant zijn voor de kerk. Maar ook degene die niet goed Nederlands spreekt, er vreemde gewoontes op nahoudt of een andere geloofsbeleving heeft. Ook de vreemdeling kan buitenspel staan in het samenspel van een gemeente. In Christus zijn veel ‘redenen van onderscheid’ tenietgedaan. Als Paulus in Kolossenzen 3:11 zegt: ‘Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Scythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen’, dan was dat een radicaal andere kijk op verschillen voor de Joden die etnische zuiverheid nastreefden. Daar kwam Galaten 3:28 dan nog eens bij, die de gelijkwaardigheid van man en vrouw benadrukt.
Zo kon het gebeuren dat je als Joodse meester aan het avondmaal zat naast een vrouwelijk slaaf van heidense afkomst. Dat was onvoorstelbaar revolutionair voor die tijd! Wat had Paulus voor ogen?
Paulus heeft nooit bedoeld dat het wegvallen van ‘verzuiling’ in de kerk, van onderscheid door oordeel, zou leiden tot nivellering van verschillen.
Man en vrouw zijn gelijkwaardig maar blijven verschillend. Heel praktisch zegt hij in 1 Timoteüs 6 dat een ‘ondergeschikte’ – toen een slaaf, nu bijvoorbeeld een werknemer – ‘zijn meester niet zijn respect moet onthouden omdat ze broeders zijn. Integendeel, hij moet hem met nog meer inzet dienen, juist omdat hij met degene die van zijn diensten gebruikmaakt, in geloof en liefde verbonden is.’ Dat ze samen aan het avondmaal zitten (geen onderscheid) betekent niet dat ze elkaars gelijken zijn op het werk (wel verschil). Het wegvallen van onderscheid in Christus moet juist leiden tot meer respect voor verschillen!
Als we dat toepassen op de vreemdeling in ons midden, dan betekent dat dat we in de kerk allereerst geen onderscheid maken tussen hen die ‘anders’ zijn (allochtoon) en hen die ‘eigen’ zijn (autochtoon). Of, zoals Efeze 2 dat zegt: de muur is afgebroken tussen Jood en heiden, en dus ook tussen heidenen onderling. ‘Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God’ (Efeziërs 2:19). De verschillen echter hoeven niet weggepoetst te worden. We zijn niet bekeerd tot een eenheidsworst. Verschillen kunnen namelijk gevierd worden.
Voor het woord ‘heiden’ of ‘niet-Jood’ wordt vaak het Griekse woord ethné gebruikt, dat wij kennen van etnische bevolkingsgroepen, oftewel ‘volken’.
Deze volken worden door Christus, het hoofd, bijeengebracht in zijn lichaam.
Het doel is om daarmee een eenheid te tonen die recht doet aan Gods veelkleurigheid. ‘Zo zal nu door de kerk de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden’ (Efeziërs 3:10).
Nooit zou één volk of enkele volken of talen de glorie van Gods grootheid kunnen vertolken. Daar zijn alle etnische groepen en talen voor nodig.
Geen wonder dat Jezus pas terugkomt als zijn evangelie in de hele wereld bekend geworden is. Stel je voor dat een taal of etnische groep ontbreekt.
Gods glorie, maar ook zijn liefde, zal nooit volledig gekend kunnen worden als we niet iedere gelovige erbij hebben. Nadat Paulus uitgelegd heeft in Efeze 3 dat alle volken ‘mede-erfgenaam zijn, deel uitmaken van hetzelfde lichaam en delen in de belofte’, werkt hij toe naar een slotzin voordat hij in lofprijs uitbarst, namelijk: ‘dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen’ (vers 18 en 19).
‘Met alle heiligen’ is dus wat meer dan CGK en NGK samen. Dat betekent ‘met heiligen uit alle volken op aarde’.
Zonder hen die voor ons nu nog vreemd zijn, zullen God en zijn liefde nooit in alle veelzijdigheid gekend worden.
Op een intercultureel jongerenkamp gaf ik les over dit vooruitzicht, dat we ooit zonder verwarring en onbegrip in eenheid met alle talen en volken verenigd zullen zijn om Gods troon.
We sloten af met gebed: een broeder uit Burkina Farso en één uit Nigeria, een geadopteerd meisje uit Ethiopië, een meisje van de Veluwe en nog anderen.
Even verlangden we allemaal zo intens naar die dag dat we Hem van aangezicht tot aangezicht zouden zien.
Beseffend dat we met elkaar al een voorproefje beleefden.
Rien van der Toorn is socioloog, spreker, kerkelijk werker onder moslims en oprichter van een adviesbureau voor intercultureel werk en kerk-zijn. Zie ook www.crossculturalimpact.nl.