God is gastvrij
2012-08-31
Hoe kunnen kerken hun gastvrijheid versterken? Daar kun je allerlei concrete plannen voor bedenken, maar gastvrijheid heeft allereerst met een houding te maken. Zonder gastvrije houding helpen zelfs de mooiste plannen niet. De profetie van Jesaja 56:1-8 vertelt hoe gastvrij God zelf is. Wie bereid is om zich daaraan te spiegelen, kan ook zelf groeien in gastvrijheid. - Jaargang 56
- nummer 17
Het belangrijkste kenmerk van Gods gastvrijheid is dat die niemand uitsluit. Jesaja 56 noemt bij wijze van voorbeeld twee soorten mensen die om verschillende redenen kwetsbaar waren: de eunuch en de vreemdeling.
Een eunuch was iemand die in dienst stond van het hof en om die reden al op jonge leeftijd ontmand was. Zo iemand kon dus geen kinderen meer krijgen. Daardoor was een gewoon huwelijk voor hem niet weggelegd. In Israëls toenmalige samenleving kon dat des te pijnlijker zijn, omdat de zegen van God vaak mede aan de kinderschaar werd afgemeten. Veelzeggend vergelijkt de eunuch zichzelf met een dorre boom. Zonder kinderen geen toekomst.
Je kunt de eunuch van toen vergelijken met homofiele mensen vandaag. Ook voor hen is een gewoon huwelijk zoals God dat heeft bedoeld, tussen een man en een vrouw, en het krijgen van kinderen doorgaans niet weggelegd.
Zij kunnen daardoor een diep gevoel hebben dat ze er min of meer buiten staan en dat anderen op hen neerkijken.
Maar Gods houding ten opzichte van hen is anders. De eunuch of de homo voor wie een vruchtbaar huwelijk niet is weggelegd, krijgt van God iets beters dan zonen en dochters. God komt niet met iets als een homohuwelijk.
Dat zijn menselijke constructies. Je kunt er politiek wel mee scoren, maar verder blijft het behelpen. God heeft iets beters in petto, iets dat niet afhankelijk is van seksuele geaardheid: aanvaarding. God geeft de homo een gedenkteken en een naam in zijn tempel. Een eeuwige en onvergankelijke naam zelfs. Dat wil zeggen dat God zelf hem een blijvende toekomst garandeert. God laat de homo geestelijk thuiskomen door hem eeuwig heil in het vooruitzicht te stellen.
Voor hoe God naar ons kijkt, is onze seksuele geaardheid niet het belangrijkste. God vindt het belangrijker dat wij in ons leven keuzes maken die naar zijn wil zijn. Dat geldt op dezelfde manier voor homo’s en voor hetero’s. Het komt erop aan vast te houden aan Gods verbond, in die zin dat we het geloof bewaren en ons verre houden van het kwaad.
Een paar keer noemt Jesaja 56 daar ook het in acht nemen van de sabbat bij. Dat gold destijds als het meest zichtbare kenmerk van het verbond. Diezelfde betekenis heeft de sabbat vandaag niet meer. Onze toewijding aan God concentreert zich op de persoon van Christus en op de navolging van Hem die meer dan de sabbat is.
Gods knechten
Behalve bij de eunuch noemt deze profetie het vasthouden aan Gods verbond ook bij de vreemdeling. Het gaat dus niet in algemene zin over homo’s en vreemdelingen, maar over homo’s en vreemdelingen die graag bij God willen horen en Hem willen dienen. Het is God niet om het even hoe ze in het leven staan.
Dat wordt het duidelijkst gezegd bij die vreemdeling. Op hem spitst Jesaja 56 zich toe. Tweemaal wordt hij aangeduid als ‘de vreemdeling die zich met de HEER heeft verbonden’. Er wordt van hem gezegd dat hij de bedoeling heeft om God te dienen, zijn naam lief te hebben en om dienaar van de HEER te zijn.
Deze vreemdeling is dus gekomen omdat hij dorst heeft (Jesaja 55:1). Toch is hij bang dat God hem zal buitensluiten.
Maar zo doet God niet. Ook de vreemdeling mag bij Gods knechten horen. Anders dan de Nieuwe Bijbelvertaling doet vermoeden, gebruikt Jesaja 56:6 het meervoud ‘knechten’ (dienaren). Dit meervoud is niet onbelangrijk.
In het boek Jesaja vormen de knechten van de HEER het nageslacht dat de lijdende Knecht te zien zou krijgen (zie Jesaja 53:10). Zij zijn het zichtbare resultaat van de verzoening waarvoor de Knecht zijn leven heeft opgeofferd. Aan hen zullen Gods beloften in vervulling gaan (zie Jesaja 54:17b). In Jesaja 56 is de vraag dan ook heel concreet welke mensen er zullen profiteren van de verzoening die de lijdende Knecht tot stand heeft gebracht. Wie mogen er bij het nageslacht van deze Knecht horen?
Missionair
Gods gastvrijheid sluit niemand uit. Ook homo’s en vreemdelingen mogen delen in de vruchten van de verzoening.
In het Nieuwe Testament wordt de gemeente het lichaam van Christus genoemd. Zij is samengesteld uit mensen met een verschillende achtergrond en identiteit.
Dat kan ook een verschillende seksuele of etnische identiteit zijn. Laat de homo dus nooit hoeven denken: ‘Ik ben geen hetero, dus ik hoor niet bij het lichaam.’ Of de vreemdeling: ‘Ik ben geen autochtoon, dus ik hoor er niet bij.’ Want juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken, zijn het meest noodzakelijk… (1 Korintiërs 12:22).
Gods gastvrijheid is ook missionair gericht. In Jesaja 56:8 zegt God: ‘Ik breng er nog meer bijeen dan al bijeengebracht zijn.’ Dit slaat in de eerste plaats op de volken, maar wordt tegelijk heel open geformuleerd, op een manier die verwachting wekt. Behalve de eunuch/homo en de vreemdeling kunnen er best nog andere kwetsbare groepen zijn die God graag bijeen zal brengen. In de tijd van het Nieuwe Testament waren dat de hoeren en de tollenaars voor wie Jezus speciale aandacht had. De vraag voor ons is op wie Gods verlangen in onze samenleving gericht zou kunnen zijn… Gods gastvrijheid is in elk geval niet enkel afwachtend, maar ook zoekend (vergelijk Johannes 10:16).
Hoe is het met de gastvrijheid in onze kerken gesteld?
Onder de indruk komen van Gods gastvrijheid helpt in elk geval om ook zelf te groeien in gastvrijheid. Gastvrij zijn zoals God zelf gastvrij is!
Dr. Jaap Dekker is predikant van de NGK van Enschede en docent bijbelvakken aan de Nederlands
Gereformeerde Predikantenopleiding.
| Jesaja 56 1 Dit zegt de HEER: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht; de redding die ik breng is nabij, en weldra openbaar ik mijn gerechtigheid. 2 Gelukkig de mens die zo handelt, het mensenkind dat hieraan vasthoudt; hij neemt de sabbat in acht en ontwijdt hem niet, hij weerhoudt zijn hand van het kwaad. 3 De vreemdeling die zich met de HEER heeft verbonden, laat hij niet zeggen: ‘De HEER zondert mij zeker af van zijn volk.’ En laat de eunuch niet zeggen: ‘Ik ben maar een dorre boom.’ 4 Want dit zegt de HEER: De eunuch die mijn sabbat in acht neemt, die keuzes maakt naar mijn wil, die vasthoudt aan mijn verbond, 5hem geef ik iets beters dan zonen en dochters: een gedenkteken en een naam in mijn tempel en binnen de muren van mijn stad. Ik geef hem een eeuwige naam, een naam die onvergankelijk is. 6 En de vreemdeling die zich met de HEER heeft verbonden om hem te dienen en zijn naam lief te hebben, om dienaar van de HEER te zijn – ieder die de sabbat in acht neemt en niet ontwijdt, ieder die vasthoudt aan mijn verbond –, 7 hem breng ik naar mijn heilige berg, hem schenk ik vreugde in mijn huis van gebed; zijn offers zijn welkom op mijn altaar. Mijn tempel zal heten ‘Huis van gebed voor alle volken’. 8 Zo spreekt God, de HEER, die bijeenbrengt wie uit Israël verdreven waren: Ik breng er nog meer bijeen dan al bijeengebracht zijn. |