Kerkverband contra vereniging
1975-08-22
In zijn artikel "De Chr. Gereformeerden en wij", dat een paar weken geleden in deze rubriek werd gepubliceerd, wijdt ds Brink ook enige aandacht aan een bepaalde vrees, die bij vele Chr. Gereformeerde broeders (en ook, dacht ik, bij sommige "buitenverbanders") bestaat. De vrees namelijk, dat een eigen kerkverband voor onze kerken een belemmering zal gaan betekenen op de weg naar éénwording met de Christelijke Gereformeerde kerken.- Jaargang 19
- nummer 31
Waar komt die vrees eigenlijk vandaan? Op die vraag zal wel meer dan één antwoord mogelijk zijn. Het is me nu om één bepaalde gedachtelijn te doen, die we vaak meer of minder duidelijk geformuleerd als achtergrond van de genoemde vrees aantreffen.
Ik poog die gedachtelijn als volgt onder woorden te brengen: De vorming van èen eigen kerkverband zou doen blijken, dat de "buitenverbandse" kerken een eigen kerkelijke signatuur - bij zichzelf en bij elkaar - hebben ontdekt, dat ze om zo te zeggen àchter hun kerkelijke identiteit gekomen zijn, en dat ze nu wensen voort te gaan in de richting die door dat eigen kerkelijk karakter wordt aangegeven. Uiteraard zal deze afbakening en bewustwording van het "eigene" de noodzaak van kerkelijke éénwording met een àndere kerkengroep op de achtergrond dringen en de behoefte aan die éénwording tot een kwijnend bestaan terugbrengen.
Simpeler uitgedrukt: Zolang de "buitenverbanders" zich maar "dakloos" voelen, zolang zullen ze trachten elders onder dak te komen.
Maar wanneer ze een eigen dak boven het hoofd krijgen, dan heeft die behoefte afgedaan! Kerkverband en kerkelijke vereniging zijn in dit denkschema inderdaad zuivere concurrenten!
Men vindt zijn kerkelijke bestemming in een eigen gemeenschappelijke identiteit Of men vindt die bestemming bij gebrek aan het ''eigene'" in en bij een àndere kerkformatie.
Eigenlijk wordt de netelige toestand van een kerkelijk "niemandschap"
als de ideale positie voor kerkelijke vereniging beschouwd en de vrees voor kerkelijke "dakloosheid" als de beste stimulans voor het werk van de éénwording. Maar als "niemand" komt tot (een kerkverbandelijk) "i:emand", dan is de welaangename tijd om zo te zeggen voorbij. Dan is het cement gestold en heeft het zijn vormbaarheid en aanpassingsvermogen verloren!
De beheersende gedachte, die we hier bij vele Chr. Gereformeerden en bij sommige vrijgemaakten aantreffen" is toch eigenlijk deze, dat wij bij en door de kerkelijke breuk in een "niets" zijn terechtgekomen en dat we vanuit dat "niets" moeizaam op weg zijn getogen om er - in eigen samenbundeling of door aansluiting bij een andere formatie - weer "iets"
van te maken. Deze gedachte komt neer op een volledige vertekening van de echte geschiedenis - zowel wat onze pláátselijke kerken alsook wat de verbondenheid tussen onze kerken betreft.
Ik wil dat weer met behulp van een stukje eigen kerkelijke geschiedenis duidelijk maken, in de stellige verwachting dat de meesten zichzelf in dat verhaal zullen herkennen. Waar heb ik eigenlijk de vrijmoedigheid vandaan gehaald om na de breuk met het werk door te gaan en de gemeente tot d·e samenkomst op te roepen? Daarop is voor mij maar één antwoord mogelijk: Ik had voor God en zijn heilige gemeente verklaard, dat ik mezelf door de gemeente en van Godswege geroepen wist mijn werk als predikant te gaan verrichten en ik had ook beloofd dat werk in Gods kracht te gaan doen.
En het is een reformatorisch beginsel, bij de Vrijmaking weer duidelijk in het licht gesteld, dat de gelding van roeping en belofte niet door een kerkenraadsmeerderheid als zodanig kan worden geannuleerd!
Vandaar niet alleen de vrijmoedigheid maar ook de verplichting met het werk dóór te gaan. Er was geen sprake van een kerkelijk "nulpunt" maar van een historisch perspectief, niet van een nieuwe pretentie maar van een oude roeping. En bij de gemeenteleden, die volgden, was het eigenlijk navenant. Ze zeiden het veelal op een eenvoudige manier : Wij blijven bij onze dominee! Ook hier het blijven volgen van een ambtsdrager, die men al in het verléden als herder had leren kennen!
Ik ben ervan overtuigd, dat deze gedachte voor weinigen nieuw zal zijn. En ook heb ik goede hoop, dat men het ermee eens is! Maar daarmee is dan ook de legende van het kerkelijke "niets", waarin wij vervallen zijn, van het toneel verwijderd!
Over de onderlinge verhouding van de "buitenverbandse" kerken valt eigenlijk hetzelfde te zeggen.
Hebben we elkaar vanuit een "niets" ontdekt en proberen we nu vanuit dat "niets" tot een gezamenlijk "iets" te komen? Niets is minder waar! Dat heb ik, dacht ik, duidelijk laten zien in het vorige artikel "Om de verbondenheid van de zusterkerken". Hoe vele leden en hoe vele kerken zijn er niet "buiten verband geraakt" doordat ze weigerden voor hun deel de maatregelen tegen kerkleden uit een àndere plaats en tegen zusterkerken elders te effectueren! Het ging inderdaad om de zaken die een basiskarakter hebben in de kerkelijke samenleving: de aanvaarding van elkanders leden en predikanten - aan het Avondmaal, op de kansel, in de gemeenschap.
Wij waren samen verbonden bij de breuk. We hebben elkaar niet na die breuk "toevalligerwijze" ergens ontmoet om het nu verder maar eens met elkaar te proberen. Ook hier niet een "nufrpunt" maar een historisch perspectief.
Niet een nieuwe gemeenschapsvorming maar een oude verbondenheid.
Dat wij voor de beléving van die verbondenheid naar een vernieuwing van wegen en van opzet zoeken neemt dat "oude" in het geheel niet weg! Dat moeten wij en dat moeten anderen goed begrijpen! Natuurlijk ontken ik geen moment, dat we in vele opzichten de ruimte en daarmee ook de verplichting hebben ontvangen om ons nieuw te bezinnen op vele zaken. Ik geef graag toe, dat vele nieuwe situaties om nieuwe antwoorden vragen. Ook moeten we het kunnen hebben, dat anderen de vraag stellen in welke richting de "buitenverbanders" zich zullen gaan ontwikkelen op zo menig punt. Maar we mogen die veelvormige beweging nooit gaan zien als de hoopvolle of wanhopige poging om van een kerkelijk "niets" tot een kerkelijk "iets" te komen. Het is de worsteling die met het kerk zijn samenhangt. Het is niet de worsteling om nog eens kerk te worden.
Zo zien we ook weer wat beter da:t de pogingen om te komen tot een kerkverbandelijke regeling een bescheiden allure hebben. Een kerkorde kan alleen maar aansluiten bij het bestaande. Een regeling kan ons dienen om als kerken te functioneren, maar ze kan ons nooit van een kerkelijk "niets" tot een kerkelijk "iets" brengen. Dat behoeft ze ook niet te doen. Zij kan onze verbondenheid niet scheppen, maar ons alleen helpen een bestaande verbondenheid beter en effectiever te beleven. Zij kan en mag ook het werk van de vereniging met de Chr. Gereformeerde kerken noch "scheppen" noch "afdammen". Een K.O. kan en mag niet "creatief' zijn! Zo moet ook de legende van een kerkenordening, die ons na een periode van kerkelijke "vloeibaarheid" in een vast "stollingspatroon" overbrengt, maar vlug wegvallen! Ook die legende behoort immers thuis in dat gedachteschema van de reis, die start bij het "niets" om ons tot "iets" te brengen. We moeten dat goed beseffen! Want... als we legenden gaan gelóven dan worden ze vaak op een trieste manier "waar"! Dan gaan ze als even zovele "goden" toch het toneel beheersen!
Nu moeten we nog een dwaalidee om zeep brengen. Ik bedoel de gedachte, dat de vrees voor kerkelijke "dakloosheid" de aangewezen stimulans zou zijn om voor kerkelijke eenheid te werken en dat de positie van een kerkelijk "niemandschap" een ideaal uitgangspunt zou bieden. Toen de Afgescheidenen in hun bekende verklaring betuigden gemeenschap te willen hebben met elke op Gods Woord gegronde vergadering, toen kwam die bereidheid niet voort uit de angst voor kerkelijke "dakloosheid" . Door Gods goedheid wisten ze waar ze stonden en moesten staan.
Niet de angst maar het gebod van Christus tot de wáre eenheid was voor hen het uitgangspunt. Gelukkig maar! Waar het gebod heerst daar verdwijnt de angst.
Maar ook omgekeerd: Waar de angst voor de dakloosheid heerst, daar heeft Christus' gebod maar een heel kleine "inbreng" meer en daar worden de maatstaven van het evangelie nauwelijks meer gehanteerd!
Dan kun je je hart vasthouden - eigenkijk net als bij een jongen en een meisje, die bij het zoeken naar een "partner" beheerst worden door de angst ongetrouwd te blijven. De angst is een slechte raadgeefster en van onwaarde voor het geestelijke werk van kerkelijke vereniging!
Wij mogen met de Christelijke Gereformeerde Kerken zoeken naar het ene dak om het zo eens uit te drukken, Als kèrken! Maar dat wordt bedorven, als we op zoek gaan - voor onszèlf - naar "onderdak" - als "dakloze zwervers"!
Wij zijn niet "niets"! Daar had ik het zo even over. Is dat geen hoogmoedige pretentie? Ik .geloof er niets van. Valt het u trouwens niet op, dat de moderne hoogmoedige mens juist telkens weer het historisch perspectief verwerpt?
Hij wil juist graag vanuit het niets" starten bij het absolute “nulpunt". Dan' heeft hij de kans uniek" te zijn. Dan heeft hij alles hier en nu zèlf opgebouwd! De historie erkennen, niet vanuit "niets" willen starten, een identiteit meekrijgen - het behoort tenslotte alles tot de nederige erkenning dat het werk van God niet op onze dag en op ons uur en door onze hand begonnen is! Laat u geen hoogmoed aanpraten!
Kerkverband contra vereniging? Neen, dat behoeft er helemaal niet in te zitten. Daarom moeten we het er ook niet in stoppen! Wij moeten met de Christelijke Gereformeerden samenspreken op geestelijk niveau. We mogen het niet doen op "zielig" niveau. We moeten ons gedragen als een normale volwassen gesprekspartner, die zichzelf blijft en niet buiten zijn schoenen gaat lopen als kerkverbandelijk gezien - enige vooruitgang gaat boeken. En zo moeten de Chr. Gereformeerde broeders ons ook maar aanvaarden. Laten we er allemaal voor zorgen, dat we geen geloof hechten aan de boze legende, die Christus' gebod niet vreest en die de historie niet ontziet: de legende van de "buitenverbandse" baby, die nu nog wel zielig-behoeftig huilt, maar die hard groeit en die straks - wie weet! - de maatlat ontwassen is en de partner niet meer nódig heeft!