WETTELOOSHEID

1976-02-20
  • Jaargang 20
  • nummer 8
"Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid en de zonde is wetteloosheid."

1 Joh. 3: 4

Een felle brief is het, van de 'apostel, der liefde', Johannes.
Dàt is ook zijn liefde voor de gemeente van Christus: dat hij ze fel bewogen waarschuwt voor misleiding, Hij slaat alarm!
Het verbaast me altijd dat de vertaling geen enkel uitroepteken te zien geeft. Terwijl het hier wemelt van uitroepen.
hls wij deze brief lezen als een rustige verhandeling met theologische begrippen komen we vreemde dingen tegen.
Bijvoorbeeld: "een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet" 3 : 6.
Hoe is dat, genomen als algemene stelling, te rijmen?
Is dan de brief zelf al niet vol tegenstrijdigheden?
Want in 1 : 8 staat: "indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf."
Maar zet u eens een uitroepteken in 3 : 6: een ieder, die in Hem blijft zondigt niet!
Hoort u Johannes 'bezwerend' roepen: mensen, mijn kinderkens, dat kàn toch niet, dat màg toch niet, dat bestáát toch niet, dat wij levend in geloofsgemeenschap met onze Here Jezus Christus intussen maar voortleven in zonden! Een ieder, die zondigt heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend!
O, zo!
Met kracht worden de lezers wakker geschud.
Eer ze zich laten bedwelmen door de godsdienstige bluf van (gnostische?) dwaalgeesten. Die zeggen "wij hebben gemeenschap met God", 1 : 6 (zie ook 2 : 4 wie zegt: "ik ken Hem", vs 6 wie zegt: "ik blijf in Hem", vs 9 wie zegt: "ik ben in het licht").
De gewone gelovigen moeten zich niet van de wijs laten brengen door die hooggeestelijke lieden, die ermee te koop lopen dat zij met God verenigd zijn.
En ... dat zij de zonde achter zich gelaten hebben!
Dat is iets, die zonde, waar zij zich niet meer druk over maken.
Zij zeggen: "wij hebben geen zonde", "wij hebben niet gezondigd", 1 : 8 en 10.
Dat zèggen ze, ja. Maar deze beweringen raken kant noch wal.
Als het nu nog wáár was ... maar ze haten rustig broeders, 2 : 9.
En verder, wat is dat voor praat over 'geen zonde hebben'?
Lichtvaardig geredekavel over een hoogst ernstige zaak.
Zonde - daar moeten we maar zwaar aan tillen, in plaats van daar zo kalmweg redenerend overheen te leven.
Zonden ... moeten we belijden, als zonde voor God erkennen.
Om daarvan dan vergeving en reiniging te zoeken bij Hem, die zijn eigen Zoon ervoor heeft doen bloeden Wie tilt er niet zwaar aan de zonde? God wel!
Wie zegt: mij is niets te vergeven, ik heb geen reiniging nodig, die zet Goden Vader van de Here Jezus Christus wèl voor leugenaar!
Zo vecht de schrijver tegen die lichtvaardige theerietjes over 'geen zonde hebben'.
"Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt!"
2 : 1.

In deze geest zullen we dan ook moeten lezen wat er in 3 : 4 staat en boven dit stukje is afgedrukt.
Over het verband tussen zonde en wetteloosheid.
Dat is niet een theologische stelling, die theoretische onderscheidingen aanbrengt. Geen definitie.
Maar een fikse, schrikaanjagende waarschuwing! Om niet licht , denkend over de zonde (och ja, ieder slaat de plank wel eens mis) en zo slordig levend, terecht te komen in het vaarwater van de 'wetteloosheid' .
Wetteloosheid - dat is hier een zwaar woord.
Wellicht beter weer te geven, lettend op de 'gevoelswaarde' van de nederlandse woorden, met: goddeloosheid.
Vorige week hadden we iets uit 2 Thessal. 2. Daar komt dit woord steeds voor ter typering van die verschrikkelijke mens, die zich tegen God verheft, boven God. In een laatste grote opstand en afval, die velen, die het evangelie hebben gehoord, maar niet aangenomen, mee zal sleuren. Als de boze en de leugen de wind in de zeilen krijgt.
Van God. In zijn rechtvaardig oordeel.
Is het niet iets om vuurbang voor te zijn, om in dàt schuitje terecht t,e komen?
En moeten we zo niet de waarschuwing van Johannes hier ook verstaan?
Hij schreef al: "Kinderkens, het is de laatste ure!" 2 : 18.
We hebben gehoord dat "er een antichrist komt".
En die zijn er nu al!
En: "kinderkens, blijft in Hem (Christus), opdat wij ... niet beschaamd staan bij zijn komst." 2: 28.
En dan gaat het verder over die komst van de Here.
Wij zullen Hem gelijk wezen.
Ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich.
Dàn: "ieder die de zonde doet, doet ook goddeloosheid"!
Pas roch op, zo zonder erg, terecht te komen in het kamp van de goddeloze mens die zich tegen de Here verheft en ... dien Hij zal doden met de adem van zijn mond. 2 Thess. 2 : 8.
Het kan, in de 'laatste ure' niet veel meer lijden.
Scherp moeten we zien en in acht nemen de grens tussen de 'Rechtvaardigen)', Christus en de zijnen, èn de goddelozen)', de duivel en zijn aanhang (vs 7 en 8).
En zeg dan niet: zonde - och ja, een misstap.
Zonde, tegen de Here ingaan, dat is wat de goddelozen doen.
Dat hoort niet bij Hem! Maar bij de duivel!

Leven wij ook niet in de 'laatste ure'?
Zien wij de 'goddeloosheid' niet machtig worden?
Lètten wij op onze levenswandel?
We voelen ons toch niet verheven hoven de vrees om te zondigen en het nederig belijden: dat was zonde?
Pas op. We leven in het tijdperk van 'de autonome mens'.
Dat is preoies de 'wetteloze' van 2 Thess. 2 en de 'wetteloosheid' hier. Geen God en geen meester.
Laat zich door niets en niemand de wet voorschrijven. Bepaalt zelf zijn leven. Ik zal het zèlf weten!
Maar als wij zondigen, toch doen wat Hij verbiedt, niet doen wat Hij wil, dan zijn we niet ver van dat: Ik zal het zèlf weten.
Is 't niet van dezelfde aard: zonde - waar dan zo makkelijk over gesproken wordt: "we zijn nu eenmaal allemaal zondaars", dus: maak je er niet te dik over zonde en ... de goddeloze houding van de 'wetteloze', de autonome mens?
Waar ik een vraagteken zet, heeft Johannes een uitroepteken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief