lets over zendingsprediking in Afrika (2)
1976-02-20
Voorvadergeesten - Jaargang 20
- nummer 8
Nu het duidelijk is dat de verhouding van de mens tot zijn Bantoe-God helemaal niet zo'n belangrijke vraeg is in Afrika, is het beter te vragen naar een andere invalspoort voor het Evangelie, Wanneer je een beetje ervaring 'opdoet' in het leven met de Bantoe van Zuidelijk Afrika, blijkt 'al gauw dat de geesten van de gestorven 'Voorvaderen de gemeenschap, die zo geweldig centraal staat, beschermen. Hoe vager en onbelijnder het geloof in een persoonlijk god, does te levendiger en intenser het geloof in de geesten van de gestorvenen. De bewoners van Afrika, onverschillig of ze nu in Rhodesia, Roeanda, Angola, Malawi, of waar ooik wonen, leven met de doden. Zodra een man gestorven is en na verloop van een jaar of zo, de status van geest heeft bereikt, wordt hij thuisgehaald, d.w.z. dan neemt hij zijn intrek bij de levenden. Het is in zijn macht zijn wil bekend te maken ‘via dromen b.v. Van de overzijde van het graf kan hij het je lastig maken, ziekten naar je toe sturen 'en van alles doen. En jij die met hen moet leven, moet ervoor zorgen dat de geesten tevredengesteld worden, dat ze krijgen aan offers wat ze verlangen. Zolang ze zich maar rustig houden, gaat alles wel goed. Want zoals de meeste mensen tijdens hun leven, zijn ook de voorvadergeesten grillig en onbetrouwbaar.
Het lijkt wel alsof dat erger wordt in het geestenstadium, Je bespeurt weinig van een hartelijke verhouding met de geesten. Integendeel, ze worden vaak 'de dwazen' genoemd. Heb je in bijzondere gevallen een toverdokter nodig om te weten wat zij precies willen, toch kun je als je slim genoeg bent, hen oolk wel voor de gek te houden. Er was iemand die steentjes op de grond gooide en erbij zei: jullie daaronder, hier is rijst, de beste die ik kon krijgen.
In gesprekken voel je meteen: hier zit je in het religieuze hart. Hier openbaart zich ook een geweldige weerstand tegen het Evangelie dat alleen de dienst van de Heere verlangt.
Ik heb al dikwijls meegemaakt dat Bantoe's als het gesprek over voorvadergeesten gaat, onmiddellijk fel reageren met de opmerking: jullie Manken, jullie zijn huichelaars want je dient zelf ook je voorvadergeesten maar wilt er niet voor uit komen. Waarom breng je anders bloemen naar de graven en verzorg je deze zo nauwgezet? Dat doen wij die de geesten dienen, niet eens! Ik kan de lezer verzekeren dat het uitermate moeilijk is een antwoord te geven dat bevredigt maar ook dat deze Bantoereactie vraagt om zelfonderzoek.
Omdat deze dienst aan de voorvadergeesten vrijwel geen cultisch karakter draagt en als het ware en passant beoefend wordt, komt de zendeling er pas langzamerhand achter welke enorme plaats de voorvadergeesten in de religieuze beleving van de Bantoe innemen.
Hoewel er voortdurend op gewezen moet worden dat voorvadergeesten niet die macht hebben en hun niet die eer toekomt, moet de verkondiging van het Evangelie ervoor waken teveel over die geesten te spreken. Het Bantoe-oor moet wel aangesloten op de golflengte van het Evangelie maar de inhoud van de verkondiging mag miet afhangen van de prominentie van heidense thema's. Het Evangelie heeft zijn eigen inhouden en orde. Uiteindelijk is de verhouding van levenden en doden in de verkondiging van minder belang.
Zonde tegen God en zonde tegen de gemeenschap
We hebben er in een vorig artikel al even hij stilgestaan dat God oorspronkelijk niet geïnteresseerd is in goed en kwaad. Tegen God zondigen is iets dat onbekend is.
Het smeekgebed van David "tegen U, U alleen heb ik gezondigd" komt in Afrika niet voor. Toch is het begrip 'zonde' er wel degelijk bekend. Het is dat wat de gemeenschap verstoort Het gaat dus als het ware altijd om de gevolgen van een daad. Al bijna klassiek is het voorbeeld van het slapen met buurmans vrouw. Deze daad wordt slecht wanneer de gemeenschap erachter komt. Dan krijg je immers te doen met de familie van die vrouw, en met je eigen vrouw. Al verschillende malen heb ik Christenen een dronkaard horen vermanen, Dat gaat dan als volgt: ben je hier weer dronken?
Ga naar huis en wees daar dronken.
Want thuis dronken te zijn en daar de zaak kort en klein te slaan, is geen zonde. Dat raakt de gemeenschap niet. Zoals uit het vermaanwoord blijkt wordt het buitenchristelijk zondebegrip naar de kerk overgedragen, Pas als mijn daad de gemeenschap raakt wordt het zonde, Ik herinner me diefstallen op de zendingspost; getuigen hadden de dader gezien; het kon niet missen maar de dader bleef ontkennen. Waarom?
Omdat van het ogenblik af dat de zonde erkend wordt, er gesproken zal worden van vergoeding, familie wordt er misschien bijgehaald, de daad wordt nu iets van de gemeenschap. In dit verband wordt van een schaamtecultuur gesproken in tegenstelling tot onze Westerse schuldcultuur.
Dit zondebegrip wordt nu naar de kerk overgedragen. De kerk wordt een nieuwe gemeenschap met eigen regels en taboes, een nieuwe stam. Zonde is dat wat tegen de kerkgemeenschap ingaat. Vandaar dat zovele kerkgemeenschappen onder de Bantoe een griezelig wettisch gezicht hebben. De straf op elk vergrijp is nauwkeurig afgepaald.
Maar wanneer je als zendeling je verzet tegen de regelsethiek en erop wijst dat zonde allereerst opstand is tegen God, hoor je het verwijt dat je alles maar mag in die kerk.
Het behoeft geen betoog dat Evangelieverkondiging hier volledig faalt wanneer niet meer gegeven wordt dan een Zondagsschoolverhaal.
Van deugden en ondeugden
Ik ben er haast zeker van dat op de vraag wat de beste eigenschappen zijn die een mens bij ons kan hebben, er o.a. uit de bus zal komen ijver en eerlijkheid, Alzo niet in Afrika. Daar kunnen ijver en eerlijkheid het laatst uit de bus komen. Om dat te begrijpen moeten we alweer naar de gemeenschap terug, die een fijne samenstelling is van krachten die elkaar in evenwicht houden. Ieder en alles heeft daarin zijn plaats. Wie van plaats wil veranderen brengt het evenwicht in gevaar. Daarbij komt de gedachte van wat men wel genoemd heeft 'het beperkte goed'. Het totaal van wat er aan goed, zog maar voorspoed en geluk is, is beperkt. Elk heeft in de gemeenschap zijn eigen plaats en deel. Maar wie hogerop en meer wil, brengt het evenwicht in gevaar.
Wat de ander door ijver en inspanning meer verwerft, gaat van mijn deel af. IJver en volharding kunnen gemakkelijk gevaarlijk woorden voor de gemeenschap.
Ik heb op mijn zendingsavonden het verhaal verteld van de man die met veel pijn en moeite zich een waterpomp had weten te verschaffen om zijn goede maar droge akkers te kunnen besproeien. Al gauw werd het ding door de buurt in elkaar geslagen. Het was een potentieel gevaar voor de gemeenschap.
Van iemand die wijs en inzicht heeft, zeg je in het Zoeloe: 'uhlakaniphdle' maar dat betekent tegelijkertijd: houd hem in de gaten, hij is geslepen.
Weer gaan we even terug naar de eisen van de gemeenschap. Wanneer het er voor alles om gaat om dat fijne samenspel van krachten in evenwicht toe houden, staan vriendelijkheid en inschikkelijkheid heel hoog genoteerd op het deugdenlijstje. Maar eerlijkheid valt als slachtoffer voor vriendelijkheid.
Wanneer vader mij vraagt iets voor hem te willen doen, zeg ik 'ja vader', ook al peins ik er niet over aan zijn verlangen te voldoen. Dat is het juiste gedrag dat de gemeenschap aan mij, voorschrijft. De door ons geeerde eerlijkheid en openhartigheid kan heel gauw als grof en a-sociaal worden aangevoeld.
Blanken die de achtergronden van deze ethiek niet kennen spreken gemakkelijk van de leugenachtige zwarte; en broeder-zendeling trekt in zijn prediking te velde togen de onbetrouwbaarheid van de gemeente; maar het kwaad zit niet in de onbetrouwbare zwarte; het zit juist hierin dat hij loyaal is tegenover de goddelijke macht van de gemeenschap.
En de moraal voor de politiek?
Wie het bovenstaande op zich heeft laten inwerken zal zich er niet over verbazen dat de meeste Afrika-landen tenslotte terechtkomen bij een of andere socialistische staatsvorm die geen plaats laat voor een officieel erkende oppositie en die grote bedrijven vroeg of laat zal nationaliseren.
Verder wil het mij voorkomen dat een kapitalistische staatsvorm die elk de vrijheid laat onbeperkt voor eigen gewin te werken niet zal aanslaan evenmin als de marxistische staatsvorm; de hiërarchisch geleide maatschappij kan geen klassestrijd gebruiken maar gaat juist uit van de noodzakelijke eenheid van het geheel.