Onze evangelisatie
1976-02-20
Als ik het over Evangelisatie heb, spreek ik over de Kerk! Dan spreek ik even volstrekt over de Kerk, als wanneer gehandeld wordt over de predikdienst. de catechisatie, .de diaconie of over welk element van het gemeentelijk; leven ook, Dit vóór alle dingen in te zien is voor het recht begrip van deze zaak van het allerhoogste belang.- Jaargang 20
- nummer 8
Zie eens, ik kan op drieërlei wijze van de Kerk spreken. Ik kan haar beschouwen zoals zij bestaat in haar verhouding tot het Drieënig Goddelijk Wezen, dan spreek ik van haar als het Volk Gods, de Gemeente van onze Heere Jezus Christus, de Tempel des Hemgen Geestes. Zo moet ik altijd beginnen, anders houd ik geen Kerk over! De vastheid voor de Gemeente ligt nimmer op deze aarde, deze is niet gelegen in het getal der belijders, in de inkomsten voor de Kerkedienst, in het peil der godsdienstige kennis noch in de min of meer godvruchtige wandel van haar lidmaten, Wie het daarin wekt, denkt onkerkelijk en handelt onkerkelijk, hoe ijverig en welmenend hij overigens ook moge zijn. Het geloof kan nergens rust vinden tenzij in de Raad Gods tot onze verlossing.
Van dit gezichtspunt uitgaande kan tk vervolgens de Gemeente van een andere zijde bezien, ik kan letten op de band die de broeders en zusters samenbindt, dan spreek ik van de Gemeente als de Vergadering der Christgelovigen.
Dat zijn alzo niet degenen, die op een bepaalde wijze godsdienstig leven en daarin vergelijkenderwijze geen slecht figuur maken.
Zulk een roem is ijdel, leven niet anderen op hun wijze godsdienstig, ja, leggen sommigen zich voor hun overtuiging niet zwaarder offers op dan wij plegen te doen? Neen, gelovigen in de zin der Schrift zijn dezulken, die de Raad Gods uit het heilig evangelie hebben horen verkondigen, op dde heilsprediking "Amen" hebben gezegd en ze elkander gevonden hebben, geschaard in eendracht om één en hetzelfde Woord.
Dat Woord, hetwelk aan de éne zijde hun nooit zo vreemd in de oren klinkt dan juist om wat het van hèn zegt: Volk Gods, Gemeente van Christus, Uitverkorenen en Beminden! Ach, zij weten te goed, dat het er voor natuurlijke ogen niets van heeft! Zij spreken dan ook niet: "Ja, ja, zo is het, dat zijn wij!" Maar zij zeggen: "Amen', dat wä zeggen: "Heere, Heere, waar zou ik, zondaar, de moed vandaan halen om U tegen te spreken?"
Zoals zij zichzelf zien, uit de nacht der zonde in de glans des evangelies overgezet, zo beschouwen zij ook hun medegelovigen; zij meten hen niet naar de een of andere menselijke maatstaf, want wat zou het iemand baten of schaden indien hij voor zulk een proef standhield dan wel bezweek!
Neen, zij vragen ziclh af: "Wat zegt God van die man, van deze vrouwen van dit kind? en dan vragen zij zichzelf af: "Zal ik, zondaar, U durven tegenspreken, Heere Heere?" AIzo is de Kerk een geloofsgemeenschap; zo juist getuigt de Heidelberger: "door het geloof weet ik mij een lidmaat van haar." Dat wil zeggen: door het geloof versta ik dat God mij bij Zijn Kerk heeft gevoegd en alzo sa/men vergaderd met velen, waarvan ik er sommigen nauwelijks ken en anderen niet sympathiek vindt, maar van die allen zeg ik na, wat God mij van hen voorgezegd heeft. Het tweede, dat ik van de Kerk belijd wordt dus absoluut bepaald door het eerste en anders bezit het geen wezenlijke inhoud.
Echter, ik kan en moet de Gemeente ook van een derde zijde leren bezien, namelijk in haar verhouding tot en verbinding met de mensheid. Naar ons gereformeerd belijden, op de Heilige Schrift gefundeerd, is immers de Kerk de geredde mensheid, is onze Heere Jezus Christus in de plaats van Adam door God gesteld tot een Hoofd van het menselijk geslacht en wordt alzo in de Kerk de wereld behouden en het leven gered.
De Gemeente is niet het gezelschap der uitzonderingen neen, de Kerk is het normale, de vergadering van het geheiligde en verzoende menselijk geslacht, de moederschoot van het ècht-menselijke!
Van deze gedachte was onze vermaarde professor Bavinck doordrongen, dit kunt gij telkens opmerken wanneer gij zijn Dogmatiek leest. Op zichzelf is een Dogmatiek, hoe nuttig en noodzakelijik ook, altijd enigermate dor en schematisch. Doch als Bavinck, nadat hij rijen godgeleerden heeft opgesomd en tal van citaten geschreven, over de Kèrk gaat spreken, dan wordt hij bijna lyrisch dichterlijk! Dan voelt gij hoe hij begeesterd en bezield is door de heerlijkheid der Kerk, door God voor haar besteld en gewild. Dezelfde gedachte kunt gij ook altijd vinden in de preken en geschriften van wijlen onze dominee J. C. Sikkel, onophoudelijk legt hij uit hoe God in de Kerk de wereld aanspreekt en in deze Gemeente een greep naar de wereld doet.
Deze wegslepende gedachte is evenals de beide vorige waarheden altleen te verstaan door het geloof.
Wie niet bij de Schriften leeft, moet wel lachen, om de dwaze inbedding, waarin wij, vergaderd in de Haarlemmerpoortkerk, in de Buiten-Amstelkerk of waar God verder Zijns Naams gedachtenis heeft gesticht, dat wij daar, zeg ik, normatief zouden zijn voor onze grote stad Amsterdam en voor ons Nederlandse volk. Hij moet het een grenzeloze aanmatiging vinden, dat wij als Kerk van Amsterdam tot zelfs op Midden-Java toe het Woord onzes Gods wilden opheffen Maar van de ongelovigen zij gezwegen - ons hart kan daar niet bij, onze wm streeft er onophoudelijk tegen n! Wij willen wel instrumenten zijn, doch dan van die keurige instrumenten, fijn geschuurden gladgewreven, liggend in een satijnen etui! Maar een instrument te zijn in de rusteloze handen Gods om zonder verschoning gebruikt te worden tot de volmaking van Zijn Rijk ...
die gedachte bekoort ons niet. Wij zouden er wel onderuit willen!
Doch zomin wij een eigen leven mogen hebben, aan onze Schepper ontstolen, even zo weinig mogen wij een eigen kerkelijk leven hebben.
Wij moeten door het geloof geen andere begeerte hebben dan Kerke Gods te zijn, instrument in Zijn Handen.
In de afgelopen eeuw heeft God steeds helderder en wijder de ogen der Kerk geopend voor haar roeping instrument te zijn tot 'de uitbreiding van Zijn Rijk. Dat geschiedde op allerlei gebied en wij moeten trachten deze dingen dan ook in hun verband te zien Immers de evangelisatie is volstrekt niet een op zichzelf staande arbeid, door waterdichte schotten van het overige leven gescheiden, zij vormt slechts één zijde van het grote vraagstuk betreffende de verhouding van Kerk en Wereld.
Daar is in deze verhouding een negatieve zijde: niet allen worden door Christus zalig gelijk zij door Adam verdoemd zijn geworden. Daar is echter ook een positieve zijde aan deze verhouding, de Gemeente is het Licht der Wereld en het Zout der Aarde, zij is Licht omdat zij het Licht des Evangelies in die wereld uitstraalt, zij is Zout omdat zij in alle verhoudingen des levens doordringt en daarin het bederf stuit.
In het algemeen waren de gelovigen zich meer en sterker de negatieve zijde van die verhouding bewust dan dat de positieve kant in hun geloofsbewustzijn de plaats verkreeg waarop deze recht had.
Maar God opende haar ogen gelijk Hij het is, Die altijd de ogen opent.
Eerst zag de Kerk de veilden wit om te oogsten, die zich uitstrekken op de grote zendingsakker, daarna voelde zij haar roeping tegenover de armen en misdeelden, aan die ongelukkigen de Ontferming van Christus openbarende.
Vervolgens voelde zij zich het onderwijs op het hart gebonden en schreed in die roeping voort van de Diakonieschool tot de Universiteit met de Bijbel, In die strijd voor het christelijk onderwijs werd haar roeping voor het staatkundig levensterrein ontdekt, terwijl nog later - en dat onder grote beroering - de taak der gelovigen in het maatschappelijk, in het sociale leven door haar werd gezien. Hoe verschillend deze terreinen ook waren en welk een onderscheiden wij/ze van werken geboden moest worden geacht, principieel was deze arbeid overal dezelfde.
Hij was Woord-Dienst aan de mensheid Gods, het opheffen van de enige Naam, die onder de hemel tot zaligheid gegeven is. Zoals Groen van Prinsterer placht te zeggen: "Een staatsman niet, een evangelie-belijder!"
Al deze arbeid op verschillende levensterreinen behoeft echter een noodzakelijk complement of hij zal geen werkelijke zin hebben.
In een principieel ontwerp kan ik wel heel nauwkeurig deze onderscheiden gebieden des levens uitstippelen doch als ik voorbijzie dat op al deze levensterreinen mènsen wonen, dat ieder van deze mensen een eenheid van leven vertegenwoordigt, zie, dan bereik ik ondanks al mijn gevarieerde arbeid het voorgestelde doel niet.
Hospitalen en scholen zijn op het zendingsveld een uitnemend hulpmiddel, maar de eigenlijke hoofddienst blijft al tijd de prediking van het Goddelijk Woord. Op gelijke wijze is christelijke organisatie op elk gebied nuttig en geboden, maar zij veronderstelt immer de hoofddienst van de bekendmaking van het evangelie van de Zaligmaker.
Wat zal de noeste arbeid der christelijke wetenschap bereiken bij een volk, dat van de Christus niet meer weet? Hoe zal ik een volk terugbrengen tot de ordinantiën des Heeren voor de rustdag, voor het gezinsleven, voor het huwelijk, voor de staat, wanneer zulk een volk van God als Wetgever geen weet meer heeft en Zijn Woord het een gesloten boek is? Dan moet zo'n arbeid een slag in de lucht vormen en wat eens opgezet werd als een grootse strijd voor Christus en Zijn Rijk loopt dan praktisch uit op een onderlinge groepering en verdeling der gelovigen over verschillende organisaties. De strijd wordt dan weinig meer dan een spiegelgevecht binnen de eigen kampementen, het zuurdeeg komt náást het meel en het zout náást het brood!
Ideeën en beginselen zweven nu eenmaal niet in het ijle, zij existeren in levende mensen. De strijd voor het Koninkrijk Gods zal een strijd om zielen moeten zijn, om mensen, ja, om volkeren of hij blijft een phrase, voorzeker een schone phrase, maar niet meer.
Het is nu de roeping en taak van de evangelisatie in het geheel van de levensverbanden, die ik met een enkel woord trachtte te schetsen, om die eerste beginselen van de Vreze des Heeren in het volksleven te onderhouden, te vernieuwen en waar nodig - helaas, hoe dikwijls en dringend is dit nodig - deze opnieuw in te dragen.
Haar arbeid moet daarom een onderwijzend karakter dragen niet in het stichtelijke of gemoedelijke heeft zij haar eigenlijke kracht te zoeken, maar in het den volke leren van de wegen des Heeren. Dat doet zij op de Zondagsscholen en kransen, op de voor- en huiscatechisaties, door middel van de jongensclubs en de moedermiddagen.
Daartoe willen dienen de eenvoudige Bijbelkringen en de samenkomsten voor intellectuelen, de openluchtsamenkomsten en de verspreiding van, lectuur. Daartoe trachten wij met de Bijlbel en de Heidelberger de gezinnen binnen te treden, want waar geen kennis is wordt het volk ontbloot en valt het aan menigvuldige dwalingen en verleidingen ten prooi. Deze arbeid is ook door de Kerk des Heeren in Amsterdam sinds vele jaren aangevat, hij is in de loop der tijden gegroeid, al heeft hij nog geenszins die omvang verkregen noch de vaste ordening, die zijn moeilijke taak vereist en de nood der tijden vordert.
Dankbaar voor veler liefde en de toewijding van honderdtallen heeft de evangelisatie nog niet de plaats ontvangen in het kerkelijk leven, waarom zij bescheiden en gelovig moet vragen. Het is wel te begrijpen Zij is een arbeid onder mensen en zie, mensen zijn zo akelig concreet! Theorieën kan men in zekere zin uitstippelen Zoals men wil en beginselen met ongeremde geestdrift poneren, maar mensen staan daar levend voor mij, met hun on- en bijgeloof, met hun humeur en hun gebreken, met al de teleurstellingen, die zij ons aandoen. Dit merken wij reeds in het gewone kerkelijk leven. Men kan een prachtig opstel over de Kerk schrijven en als wij dan Zingen: Israëliërs al te saam, looft den Naam van uwen God! dan schiet ons gemoed vol. Maar als de predikanten en ouderlingen, de diakenen en de leden van de corporatie deze Israëliërs hoofd voor hoofd en stuk voor stuk in hunne woningen gaan opzoeken, dan zingen zij niet zooluide van "Israëliërs al te saam!", eerder zijn zij geneigd in vele gevallen met de schrijver van zeker boek te vragen: "Zijn dit uw kinderen?" Hun arbeid is steeds een arbeiden in het geloof, een opheffen van de dierbare belofte des Heren, een roepen in Zijn Naam, in de Naam van Hem, Die de dioden levend maakten de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren.
In veel sterker opzicht geldt dit van de evangelisatie, zij heeft te arbeiden onder een geslacht, dat of persoonlijk of reeds in de voorgeslachten van het Verbond des Heren is afgeweken. Zo gemakkelijk trekt men zich, na een enthousiast begin, geërgerd terug en vergeet ...
dat het onderscheid tussen ons en "di,e mensen" principieel alleen gelegen is in het Woord der Genade, dat over ons uitgeroepen werd.
0, wie op zijn plaats werd gebracht, voor wie het stuik der ellende geen hoofdstukje bleef uit de geloofsleer, die ziet het wel enigszins anders. Die geneert zich niet aas de mensen uit de evangelisatie, na een betrekkelijk korte bearbeiding, niet ineens standvastige gereformeerde belijders zijn geworden, die schaamt zich veeleer over zichzèlf, waar hij en zijn broeders en zusters na zulk een langdurige en zorgvuldige bearbeiding met de genademiddelen nog slechts zulke schaarse vruchten der genade vertonen. En hij ziet en ervaart ook àndere dingen, hij ziet niet slechts de zonde en afwijking concreet voor ogen, maar hij ziet ook hoe de genade Gods concreet wordt in verwoeste, gebroken of verdwaalde levens.
Hij ziet hoe ook in onze dagen de Kerk vergaderd wordt, hoe ook in onze dagen het Woord Gods wast!
De Heere vermeerdere ons het geloof om in deze arbeid der evangelisatie te volharden, Hij beware en vermeerdere Zijn Kerk in de grote stad, waarin Hij ons doet wonen en die Hij ons leerde liefhebben als geen andere in ons land en in de wereld.
*) Onlangs ontdekte ik, snuffelend in onde paparassen, een artikel van N. Baas over evangelisatie. Het is naar mijn overtuiging èn principeel en actueel voortreffelijk en daarom geef ik het graag door in "Opbouw".
Het werd gepubliceerd in het Jaarboekje vande Geref Kerk van Amsterdam-Centrum voor het jaar 1942.
C.V.