lets over zendingsprediking in Afrika (3)

1976-02-29
  • Jaargang 20
  • nummer 9
Misverstanden

Nog nooit heb ik een Afrikaan ontmoet die op mijn vraag of hij in God geloofde, zei: nee, dat doe ik niet. Een beetje wijzer geworden, stel ik die vraag ook al sinds jaren niet meer. Een Afrikaan is in de wereld, van kosmische krachten maar een willoos brokje mens dat schijnbaar doelloos heen en weer gesmeten wordt. Hij is niet als de Westerling subject met de wereld als object aan zijn voeten; integendeel, de wereld, is subject en hij dat mensje, kan op zijn best met wat magische krachtenmanipulatie het hoofd boven water houden in de stroom waarheen de wereld hem stuwt. Nu betekent volgens zijn woordenboek het woord 'geloven' zoiets als aanvaarden, berusten, De zendeling die wel van dezelfde woorden gebruik moet maken als de Afrikaan en hoopvol vraagt: geloof je in God, krijgt uiteraard een positief antwoord. Want niet-geloven zou opstand betekenen, het zou zijn een proberen in te gaan tegen de stroom in waarheen je gestuwd wordt. Door niet te geloven zou je beweren: mensen, ik sta eigenlijk boven deze wereld. Het Evangelie zal aan het woord 'geloven' langzaamaan een andere inhoud moeten geven voordat een heiden zegt: ik geloof niet.
In de kerk vraag ik: belijd je de naam van Jezus, en met die vraag bedoel ik of de broeder of zuster de gevolgen van zijn verbondenzijn met Christus nu ook elke dag voor zijn rekening zal nemen.
Maar de broeder hoort iets anders; hij hoort namelijk de vraag of hij voor wat het heden betreft voor de naam van Christus zal uitkomen, om dat bij een andere gelegenheid weer opnieuw te kunnen beslissen. En allebei gebruiken we precies dezelfde woorden.

Drieëenheid

Er zijn broeders geweest die als eis stelden dat met de Catechismus ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis als formulier van eenheid door de Bantoekerken aanvaard zou worden. Nu mag deze gedachte als zodanig niet als dwaas verworpen worden. Je kunt ook kerkelijke apartheid bedrijven!
Ik zou het noodzakelijk vinden dat Bantoepredikanten behoorlijk op de hoogte zijn met de confessionele vruchten van de Gereformeerde Kerken in Nederland.
Maar de Geloofsbelijdenis kàn niet als formulier van enigheid in Bantoekerken functioneren om de eenvoudige reden dat er gedeelten in te vinden zijn die onvertaalbaar zijn in Bantoetalen.
Ik wil dat aantonen in verband met de belijdenis van de Drieëenheid. In de artikelen 8 en 9 wordt uitgegaan van de onderscheiding 'persoon en 'wezen'. Maar Je kunt in geen Bantoebaal dichterbij komen dan 'wij geloven een enige God, één oorsprong waarin 3 mensen zijn'. De Catechismus die wij om zijn Bijbelse duidelijkheid en eenvoudigheid graag gebruiken als dogmatisch leerboek, is dan ook door mij aldus in het Zoeloe vertaald: "Aangezien er maar één God is, waarom noem je de Vader, de Zoon en de Heilige Geest?
Omdat God Zich zo in Zijn Woord geopenbaard heeft dat deze drie verschillende mensen de enige waarachtige en eeuwige God zijn.
Een andere vertaling is niet mogelijk, Het kan je gebeuren - en het is me gebeurd - dat iemand tegen me zei: ik ken maar één mens, en dat is God. Men kan zich in verscheidene Bantoetalen nu eenmaal niet anders uitdrukken. Taalkundig kan over God niet anders gesproken worden dan als over een mens. Laai niemand hierover echter in paniek raken, De verkondiging brenge het Evangelie van God de Vader en God. de Zoon en God de Heilige Geest. Uit deze embryonische Triniteitsleer zal onder druk van een herlevend heidendom vanzelf een formulering tot stand komen die eigen is aan Afrika. De zendingsprediking mag niets ac!hter houden van de Bijbelse openbaring maar hoede zich er wel voor de Christelijke Kerk van Afrika op te nemen aangenomen dat dit mogelijk was - m de historische bedding van de Westerse Kerk. Men neme de belijdenis dat de Heilige Geest de gemeente in alle waarheid leiden zal, serieus en wachte zich in dit opzicht voor kerkelijk kolonialisme.

Cyclisch en lineair

Een zendeling is altijd geneigd te hard van stapel te willen lopen en onmiddellijk te willen beginnen met de prediking van kruis en opstanding.
Dat is zeer wel te begrijpen aangezien hij naar de prediking van de verlossing toe wil.
Maar dan vergeet hij dat in de Schrift de feiten van kruis en opstanding in een historisch raam staan van verleden en toekomst, van schepping en wederkomst. We komen ergens vandaan en we gaan ergens naar toe. Deze lineaire geschiedenisopvatting is voor ons iets vanzelfsprekends maar is dat in Afrika niet. Daar hebben we te maken met een cyclische geschiedenis. We gaan niet met elkaar naar een ver punt in de toekomst, maar we gaan terug naar waar we vandaan kwamen.
De geschiedenis gaat rond als in een cirkel. Bij mijn dood haalt het verleden mij in en keer ik in tot de schoot die mij leven gaf.
Er is dus geen sprake van dat het heden zich ont-wikkelt naar een onbekende toekomst; de prikkel om iets m die toekomst te bereiken is dan ook veelal afwezen. Men zegt dat dit ook economische gevolgen heeft, maar dit terzijde, Er zijn dan ook Bantoetalen die de futurum-vormen missen en die welke ze wel hebben, zien niet verder dan ten hoogste een paar maanden. Achter die kleine toekomstmarge duikt het verleden weer op.
De bijbelse boodschap van het bloed van Christus en de opstanding ligt tussen de schepping en wederkomst in. We komen bij God vandaan en we gaan naar God toe. Hij heeft een dag bepaald waarop Hij door Jezus de aardbodem zal oordelen (Hand. 17 : 31).
Het is ontdekkend dat Paulus in het boek der Handelingen nergens over het kruis spreekt. Wat telkens wèl terug/komt is de prediking van God de Schepper, en van Christus die wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.
Tussen God die aan het begin staat en God die aan het einde staat, - de Alpha en de Omega,vinden we het koningschap van Christus. Tot hen die door de prediking van het begin en het einde en het koningschap van Christus verontrust worden, wordt Christus als de Verlosser gepredikt, en zó komen we uit bij kruis en opstanding.
L. Floer in zijn, mooie boekje 'In Dieselfde Spore' legt de zendingsprediking dan ook uiteen in 4 opeenvolgende motieven: het kosmologische, het eschatologische, het kuriologische en het soteriologische motief.
Duidelijk is nu dat zendingsprediking die niet eerst het fundament legt van schepping en wederkomst, met name in een cyclisch denkende samenleving, in een luchtledig bouwt. Een te vroeg ingezette prediking van kruis en opstanding die naliet het cyclisch denken te doorbreken en het fundament van begin en einde te leggen, schept Christenen die het kruis als een cyclisch en tijdloos gebeuren zien. Ik zeg dit niet betweterig maar als door vele schade en schande een beetje wijs geworden. De schade blijft helaas!
Ik dacht dat het ook onjuist was om te debatteren over de vraag of zendingsprediking bij het O.T. of bij het N.T. moet inzetten. Bij beide, We kunnen de schepping niet behandelen alsof we nog aan het begin staan, net zo min als we over de laatste dagen kunnen spreken alsof er geen begin was.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief