Filosoof niet - Evangeliebelijder!

1976-02-29
  • Jaargang 20
  • nummer 9
Zolang er mensen hebben geleefd, hebben zij nagedacht over zichzelf; over de hen omringende wereld; over het ontstaan, de geschiedenis en het einde daarvan; over wat daarachter en daarboven is en leeft. Zij hebben gepeinsd over het wonderlijke begin van het mensenleven en het onafwendbare einde daarvan. Zij vroegen naar de zin van hun dikwijls moeilijk bestaan. En zij hebben ook altijd geworsteld met de vraag wie of wat "boven" deze wereld is en het verloop daarvan beslissend bepaalt. Kortom: de mensen hebben altijd "gefilosofeerd". Zij konden dat niet laten. Het was met hun "mens-zijn" gegeven.
In de loop van de geschiedenis zijn voorts ook steeds mannen opgestaan die er hun levensroeping in vonden zich met de inzet van heel hun, vaak indrukwekkende, denkkracht met deze problemen bezig te houden, men kan wel zeggen: zich daarmee af te pijnigen!
En als resultaat van hun zwoegen ontwierpen zij dan een of andere filosofie, waarin ze een antwoord poogden te geven op vragen als: wat kan 'ik kennen?, wat moet ik doen?, waarop mag ik hopen?, vanwaar komt onze wereld?, wat is zij in laatst er instantie?, waartoe is zij er?, wat is de structuur ervan?, waarheen is zij op weg?
In de gang der eeuwen is zo een lange reeks van filosofieën ontwikkeld.
Ieder meelevend mens heeft wel iets gehoord over filosofieën van Plato en Aristoteles, van Thomas Aquino, Descartes.
Kant, Hegel: van Karl Jaspers, Heidegger, Sartre. Voor hen die zich niet speciaal en "hardnekkig" daarvoor geprepareerd hebben zijn deze filosofieën zwaar om te verstaan.
Maar desondanks hebben zij een enorme invloed uitgeoefend op het leven van de mensheid. En ze doen dat nog steeds. Want door de mannen en vrouwen die deze filosofieën in zich hebben opgenomen, men mag wel zeggen: ingedronken, werden en worden ze toegepast en uitgewerkt in de staatkunde, het maatschappelijke leven, de wetenschap, de kunst, de theologie, ja, in alle sectoren van het menselijke leven.

De enorme invloed die filosofieën op het leven van de mensheid uitoefenen kan men momenteel het duidelijkst demonstreren door te wijzen op de filosofie die Karl Marx heeft geproduceerd, Deze is zeer ingewikkeld. Zijn hoofdwerk: "Het Kapitaal' is een moeilijk boek. Maar het is zonder meer verbijsterend te ontdekken hoe momenteel niet minder dan tweevijfde deel van de wereldbevolking in hun leven door deze filosofie - ze is in wezen een valse religie! - wordt beheerst. De overgrote massa daarvan heeft van Marx' ideeën weinig of niets begrepen, er misschien zelfs nauwelijks iets van gehoord. Maar door de "leiders" van de kommunistische landen en partijen, voor wie het marxisme evangelie is, worden ze geïndoctrineerd met de marxistische visie op de mens en de menselijke samenleving en wordt zo hun hele bestaan daardoor beïnvloed.
Of, om iets anders te noemen: de huidige theologie wordt voluit beïnvloed door, ja, is voor een groot deel ontstaan uit neomarxistische filosofieën. Vele lezers zullen wel eens gehoord of gelezen hebben van neo-marxistische filosofen als Ernst Bloch, Marcuse, Habermas, Horkheimer, Adorno.
Deze beïnvloeden in onze dagen het theologische denken en daardoor ook het kerkelijke leven op diepgaande wijze, Prof. Kuitert noemde eens de neo-marxistische, atheïstische, mystieke, chiliastische denker Ernst Bloch terecht "de vader van een complete theologie".
En de bekende "theologie der revolutie' is grotendeels een geesteskind van filosofen als Marouse, Adorno en dergelijke.
Het is uit dit alles duidelijk welk een enorme betekenis filosofieën op het menselijk leven en - niet minder - op het theologische en kerkelijke leven uitoefenen. De bekende kreet: ik bemoei me niet met filosofie, moet daarom beantwoord worden met de verzekering: denk er wel om: de filosofie bemoeit zich wèl en diepgaand met jou! En dat te meer naarmate je je daar minder van bewust bent!

Ik wil in dit verband op nog een verschijnsel wijzen. Eén dat ons, gereformeerden, in bizondere mate aangaat.
Het is een algemeen erkend feit dat de grote reformatie die God aan zijn kerk in de zestiende eeuw door mannen als Luther en Calvijn schonk al heel gauw voor en groot deel is verzand. Het krachtige, levende geloof in het levende Woord van God verzwakte, verstarde, verdofte. Dat geloof ging reeds ongeveer in de tijd van de Dordtse synode over in de "orthodoxie" van de zeventiende eeuw. Naar de rake, scherpe typering van Bavinck werd zo het belijden van het geloof vervangen door het geloof in de belijdenis.
Als men nu vraagt naar de oorzaak van dat verval moet niet in de laatste plaats gewezen worden op de infiltratie van de filosofie speciaal van de aristotelische - in de theologie en daardoor in de prediking. In de strijd met de roomse, sociniaanse, spiritualistische dwalingen kwamen de theologen er toe de toevlucht te nemen tot de begrippen en denkmodellen van de aristotelische filosofie.
Het levende Woord van God verhardde en ontaardde daardoor tot een aantal theologische redeneringen en begrippen. Het accent werd verlegd van de uitlegging der Heilige Schrift naar de dogmatiek. De Schrift werd gedegradeerd tot een reservoir van bewijsplaatsen voor die dogmatiek.
De "waarheid" waarvan de Schrift spreekt en die concrete gestalte ontvangt in de trouw Gods, in Gods genadevolle belofte, werd misduid tot, of vervangen door een reeks "waarheden", die zogenaamd uit de Schrift werden "afgeleid".
Zo werd de levende theologie van de reformatoren vervangen door wat eens getypeerd werd als een conserverend consoliderend theologisch, of beter gezegd, dogmaticaal denken.
De misère - en de gescheurdheid! - van de gereformeerde gezindte, die tot op vandaag voortduurt, ja, in onze dagen tot een hoogtepunt is gekomen, moet naar mijn stellige overtuiging voor een groot deel aan de permanente infiltratie van allerlei on- of anti-Schriftuurlijke filosofieën worden geweten.

Ongeveer een halve eeuw geleden werd - in een allesbehalve florissante periode uit de geschiedenis van de gereformeerde wereld - de poging ondernomen om tot een waarlijk Schriftuurlijke wijsbegeerte te komen. Vroegere gereformeerde denkers hadden voor zo'n filosofie aanzetten gegeven.
Maar verder dan daarmee waren ze niet gekomen. Aan deze poging zijn de namen van Vollenhoven, Dooyeweerd en Janse onlosmakelijk verbonden.
Allesbeheersend voor dat filosoferen was - en is! - het daarbij volstrekt beheerst willen worden door het Woord van God zoals Hij ons dat in de Heilige Schrift toespreekt Het staat voor hen die deze filosofie naar de oorspronkelijke opvatting daarvan beoefenen vast, dat het zonder een levend geloof in het Woord van God onmogelijk is tot een authentiek christelijk filosoferen te komen.
Zonder dat geloof ontaardt deze filosofiebeoefening in een ijdel begrippenspel, een hoogmoedige denkacrobatiek.
De erkenning van de Heilige Schrift als Woord van God zegt evenwel niet veel als niet tegelijk een duidelijk antwoord gegeven wordt op de vraag: "Wat zegt de Schrift?' Vollenhoven gaf op die vraag, speciaal met het oog op het filosoferen eens dit antwoord: "a. De Heilige Schrift leert de rechtstreekse souvereiniteit van die God, Die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, over alle dingen, in welk verband en op welk terrein ook, en onderscheidt in overeenstemming daarmee helder tussen God als de Souverein èn het door Hem geschapene. b. Zij beschouwt de religie als een verbond (unio foederalis), het menselijk geslacht ook vóór de zondeval bekend door woordopenbaring. c. Zij predikt, wat de toestand na de val betreft: de algehele verdorvenheid van de mens, de dood ais straf op de zonde, en de openbaring der genade van de souvereine God in de Middelaar. Door de belijdenis dat christelijk filosoferen alleen mogelijk is in een voortdurend gelovend luisteren naar de Heilige Schrift erkenden "de mannen van het eerste uur" dat zich óók in het filosoferen een antithese openbaart. Het Woord van God, zo schreef Vollenhoven, "kent slechts twee levensrichtingen: Van God af of naar God toe. Dat is sinds de zondeval: in Adam gevallen of in de Christus hersteld. Een derde is er niet. Alleen wie daarmee begint kan verder komen Ook voor de beoefenaar der wijsbegeerde geldt, dat de Christus is gezet tot een val en opstanding en tot een teken dat wedersproken zal worden.
Daarom is het ook hier, evenals in de praktijk van het leven: Of rechts of links. En voor ons: rechts tegen links."

Nu reeds ongeveer een halve eeuw zijn mannen van wetenschap op allerlei terrein bezig geweest met dit filosoferen. Het gaat daarbij om het verkrijgen van inzicht in de overstelpende rijkdom van de door God geschapen kosmos, om een "totaal-blik op het geschapene". Allerlei "vakwetenschappen" als - ik noem maar wat - physica, biologie, psychologie, sociologie, geschiedeniswetenschap, rechtswetenschap, ethiek, richten hun aandacht op bepaalde aspecten van het geschapene, maar de filosofie streeft ernaar een overzicht van een inzicht in het geheel daarvan te verkrijgen.
Een veertig jaar geleden werd door de toenmalige beoefenaars van en belangstellenden in dat Schriftuurlijke, reformatorische filosoferen een vereniging opgericht om op allerlei wijs deze wijsgerige studie te bevorderen en de resultaten ervan bekend te maken. Om iets te doen beseffen wat de oprichters daarvan bedoelde en de geest waarin zij die arbeid aanvatten wil ik iets citeren van wat de eerste voorzitter ervan, prof. Vollenhoven, in het openingswoord van de oprichtingsvergadering daarvan zei: Wat ons hier samenbrengt, zo hoorden we toen van hem "is iets heerlijks. Het is niet de wijsbegeerte, want die is niet het eerste in ons leven (vet van mij - C.V.). Het is veeleer de band aan Gods Woord, omdat wij door genade hebben geleerd alleen uit de Christus te willen leven, en de religie als een hartezaak de kern is geworden van heel ons bestaan: omdat we hebben geleerd, dat alleen in het letten op de geboden des Heeren vrede en leven is te vinden, niet alleen voor de enkeling, maar van zelf ook voor alle levensverbanden, in welke wij staan; daarom is de wijsbegeerte niet nummer één. Ze is dat noest geweest in onze kring, en indien de vereniging, die wij thans willen oprichten, haar taak getrouw blijft, zal het ook aan haar niet liggen, indien de wijsbegeerte ooit nummer één wordt.
Wij willen slechts ernst maken met die hoofdzaak, óók in de wijsbegeerte. Dat is nodig, want de gangbare filosofie weet niets van dàt alles, dat ons zo na aan het hart ligt: niets van een God, indien ge daaronder verstaat de God der Schriften; niets van een hart, dat alleen rust kan vinden in Hem; niets van de wereldgeschiedenis, die vastligt in de eerste en tweede Adam; ook heel weinig van de terreinen, welker onderscheiding in de praktijk toch zo nodig is."
Men merkt het duidelijk uit dit woord: alle wetenschapshoogmoed wordt door de beoefenaars van deze wijsbegeerte principieel veroordeeld.
Het gaat hun voor alles om het geloof in het Evangelie, om de vreze des HEEREN óók en vooral in hun filosoferen.

Niet lang na de oprichting van deze vereniging geschiedde nog wat anders. Tot op dat ogenblik werd de in geding zijnde wijsbegeerte alleen gedoceerd aan de Vrije Universiteit. Maar steeds meer werd de behoefte, ja, zelfs de noodzaak gevoeld dat ook aan de openbare universiteiten en hogere scholen te doen. Het is namelijk zo dat elke wetenschapsbeoefenaar, of hij zich dat bewust is of niet, door een of andere filosofie, een bepaalde visie op God, wereld en mens wordt beheerst.
Deze visie doordringt als een fluidum heel zijn wetenschappelijke arbeid en uiteraard ook zijn onderwijs.
En daar deze visie bij de onderscheidene wetenschappers zeer verschillend, soms radikaal verschillend zijn, worden, speciaal pas aankomende studenten, met een wirwar van tegenstrijdige opvattingen geconfronteerd die ze in de achtergronden en consequenties daarvan niet kunnen doorzien. Veelal zijn deze daarbij on- of zelfs antichristelijk, Hoevelen hebben onder de invloed daarvan aan de universiteiten het geloof in God en Jezus Christus verloren!
Vooral met het oog op deze "nood" van de universitaire jeugd werd daarom in 1947 een stichting in het leven geroepen tot oprichting en instandhouding van "bizondere leerstoelen voor calvinistische wijsbegeerte aan openbare universiteiten en hogescholen".
Dat was een gedurfde onderneming.
Want de daarvoor benodigde gelden moesten door vrijwillige bijdragen worden bijeengebracht.
Maar men begon deze arbeid in het geloof een "goede zaak" te dienen. En we mogen nu zeggen: Ze werd in ieder opzicht zeer gezegend. Nu zijn reeds vijf docenten in opdracht van deze stichting aan universiteiten en hogescholen werkzaam, Maar men wil de beoefening van de reformatorische wijsbegeerte nog intensiever aanpakken en vooral haar nog meer dienstbaar maken aan de strijd des geloofs, waartoe alle christenen van Godswege in alle sectoren van het leven geroepen zijn. Daarom is nu een nieuwe stichting in het leven geroepen onder de naam "Stichting Centrum van Reformatorische wijsbegeerte", die, zo luidt de doelstelling "enerzijds doorgeefluik (wil) zijn wat het denkwerk van de reformatorische wijsbegeerte betreft (naar kerk, vakbeweging, politiek, de publiciteitsmedia, christelijke maatschappelijke organisaties en het "grondvlak"
in het algemeen), en anderzijds het meedenken (wil) bevorderen van allen die, hoewel niet wetenschappelijk, toch vanuit de invalshoek van de wijsbegeerte, bezig willen zijn met de vragen van leven en samenleven".
In de periode van 28 februari tot 12 maart zal nu een landelijke actie daarvoor worden gevoerd: "Beweging 76', waar in de genoemde drie organisaties samenwerken om zo mogelijk tot het bijeenbrengen van een bedrag van 1 1/2 miljoen gulden te komen om daarmee op allerlei wijze de studie van deze wijsbegeerte te bevorderen en dienstbaar te maken aan heel het volk!
Via de pers, de radio, de televisie zult U er nog heel veel over kunnen horen!
Met alle aandrang bevelen wij deze aktie bij U aan.

Ik schreef boven dit artikel: "Filosoof niet - Evangeliebelijder".
Zoals velen reeds zullen begrepen hebben deed ik dat naar analogie van een bekend woord van Groen van Prinsterer.
Groen was zonder twijfel een staatsman - en zelfs een groot- maar hij wilde in alles, vooral ook in zijn staatkundige activiteiten, bovenal Evangeliebelijder zijn. En daarom riep hij om de essentie van zijn staatskunde te typeren in een bewogen woordt heel het Nederlandse volk toe: Een staatsman niet - Evangeliebelijder.
Op dezelfde wijze zal iedere beoefenaar van de reformatorische wijsbegeerte van zichzelf wiîlen, kunnen, mogen en moeten zeggen: een filosoof niet - een Evangeliebelijder".
In deze paar woorden wordt op pregnante wijze uitgedrukt wat deze reformatorische filosofie naar haar oorsprong en opzet is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief