Het boek Daniël

1976-02-29
  • Jaargang 20
  • nummer 9
De mens der wetteloosheid

Het plaatsen van de gruwel der verwoesting in Gods huis is nog het ergste niet van wat Antiochus zal doen. De zelfvergoddelijking, die menselijke oerzonde, blijkt in hem steeds duidelijker. Het begint met de verachting van de goden, zowel de inheemse goden der vaderen als de internationale, zoals de jaarlijks stervende en weer verrijzende voorjaarsgod Tammuz (vergelijk Ez. 8 : 14) moeten wijken voor de universele Grieks-Romeinse god Zeus of Jupiter, met wie Antiochus zich steeds meer gaat vereenzelvigen. Zijn bijnaam Epifanes, de (op aarde) verschijnende (god) wordt later nog versierd met de speciaal aan Zeus toekomende titel "de overwinning brengende" en de beeltenis van de koning op de munten vertoont steeds duidelijker de trekken van deze "vreemde" god. En ieder die deze god in de persoon van de koning hulde brengt wordt met gunsten beloond; wie deze verering weigert krijgt het hard te verduren.
Het is duidelijk dat Paulus, als hij spreekt over de mens der wetteloosheid (2 Thess. 2: 3-12) gebruik maakt van de tekening die Daniël heeft gegeven van Antiochus, En even duidelijk lijkt mij dat Paulus daarbij doelt op iemand die in zijn dagen leeft (zie de verzen 6 en 7) en spoedig zich zal laten gelden. Evenals Jezus, als Hij de aandacht richt op Dan. 11 : 31, zal ook Paulus het oog hebben op hetgeen geschied is in de tempel tijdens de belegering van Jeruzalem door de Romeinen, toen mensen het hebben gewaagd God naar de kroon te steken en over Zijn tempel te beschikken, alsof het hun eigen huis was.
In ieder geval blijkt, zowel uit Matth. 24 : 15, als uit 2 Thess. 2, dat een profetie op meer dan één gebeurtenis kan wijzen. Met het optreden van Antiochus is het woord van Daniël niet uitgeput, maar het is enkele eeuwen later nog springlevend. En het blijft springlevend. Want zo weinig reden er is Antiochus te zien herleven in een verre toekomst als de Antichrist, zoveel reden is er hem telkens weer in de historie te zien opduiken. De niet-herboren mens zal toch altijd weer als god willen zijn en telkens weer zullen zich machten verheffen die de God der goden willen verdringen en die alles op alles zullen zetten om hun eigen idealen te realiseren. Het woord van Jezus: "wie het leest geve er acht op", blijft altijd actueel, als waarschuwing en als vertroosting.
Wie heult met de goden van de tijd kan wel voor de ogen van mensen tot grote eer komen, macht en bezittingen ontvangen en schitteren voor een tijd, maar het einde is toch verkwijnen in verlatenheid.
Hoe Antiochus precies zijn laatste levensjaren heeft doorgebracht is niet geheel duidelijk. Oorlogen en geruchten van oorlogen worden in het slot van Daniël 11 genoemd.
En toen kwam voor deze mens, die zich inbeeldde alles te zijn en alles te bezitten en alles te kunnen het einde "zonder dat iemand hem helpt". De mens, die als God wil zijn, blijkt toch altijd weer de hulpbehoevende en de hulpeloze.
Epifanes, die naam komt niemand toe, dan aan Hem die op aarde is verschenen als Knecht des HEREN en die al wat zich tegen God blijft verheffen zal doden door de adem van zijn mond en machteloos zal maken door zijn Epifanie, als Hij komt (2 Thess. 2 : 8).

De grote hulp

In tegenstelling tot de kleine hulp, die van mensenkant komt en niet meer vermag dan voor sommigen een tijdelijke verlichting van druk te schenken, staat de hulp van de grote vorst Michael, de aanvoerder van het hemelse leger. Ook dl wordt de nood zwaarder dan ooit tevoren, groter dan de helper is de nood toch niet. Al wie opgeschreven staan in het boek, dat is het boek des levens, zullen ontkomen en geen macht ter wereld zal dat kunnen keren.
Dat wil niet zeggen, dat er in de verdrukking geen slachtoffers zullen vallen. Integendeel, voor velen zal de "kleine hulp" geen baat brengen. Evenals velen van de verdrukkers zullen vallen in de voortdurende oorlogen, zullen ook velen van de verdrukten hun leven verliezen.
Zo voor het oog is alles gelijk voor allen en treft eenzelfde lot de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, alsook de onreine. Zo was het, zo is het en zo zal het zijn.
Maar eens zal het verschil blijken; voor de eerste maal in de Godsopenbaring wordt nadrukkelijk gesproken over de opstanding zowel van de rechtvaardigen als van de goddelozen. Opstanding ten leven en opstandding tot afgrijzen zal tenslotte het onderscheid aan het licht brengen tussen de verstandigen en de onverstandigen.
De verstandigen,o dat zijn niet de mensen die hun kansen hebben waargenomen, die buiten schot hebben weten te blijven, die zorgvuldig hebben gemanoeuvreerd en die altijd op het goede paard hebben gewed; de verstandigen zijn zij die in alles hebben gerekend op de Onzienlijke. Ze hebben in deze wereld in het donker vertoefd, als reizigers met de nachtschuit, maar ze zullen eenmaal stralen als het uitspansel en schitteren als de sterren.
De verstandigen zijn zij, die hun hulpeloosheid hebben gekend en die zich daarvoor niet hebben geschaamd; die hun hulp niet hebben verwacht van edelen, van mensenkinderen bij wie geen heil is, maar van de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft, die nabij is allen die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in waarheid.
Tot hun hulp staan de engelen gereed: alle legerscharen des HEREN, die worden uitgezonden ten dienste van hen die het heil zullen beërven, het heil dat duurt in de eeuwen der eeuwen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief