"Ik, die met u spreek"

1976-03-05
  • Jaargang 20
  • nummer 10
Deze reeks lezingen 1) over het evangelie naar Johannes begint met de zelfopenbaring van onze Here Jezus Christus aan de Samaritaanse vrouw. De eerste en eigenlijk ook wel de meest openlijke van het hele vierde evangelie.
Daarbij denk ik aan vers 25 en 26 van hfst. 4: “De vrouw zeide tot Hem: lk weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt: wanneer die komt, zal hij ons alles verkondigen. Jezus zeide tot haar: Ik, die met U spreek, ben het."

Ik wil voorop stellen, dat ik niet van mening ben, dat wij hier te doen hebben met het zwaargeladen zinnetje 'Ik ben het' dat we verderop in het vierde evangelie enkele malen tegenkomen, waarin wel een toespeling beluisterd wordt op de heilige verbondsnaam van de Here God 'lk ben die Ik ben'. Bijvoorbeeld in hfst. 8 : 28: ..... dan zult gij inzien, dat Ik het ben". Wat ben? Ja, het ben .. dat is nu juist het majesteitelijke en raadselachtige van die uitdrukking.
Hier evenwel, in het antwoord van Jezus aan de vrouw: "Ik, die met U spreek, ben het,"
hebben we dit pregnante spraakgebruik niet. 'Ik ben het' wil hier zeggen 'Ik ben de Christus', zoals uit het verband blijkt. Nergens heeft de Here duidelijker gezegd, dat Hij de Christus is dan hier.

Op een later tijdstip in dit evangelie-verhaal, in hfst. 10, horen we de Joden aan Jezus vragen: "Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit.
Jezus antwoordde hun: Ik hèb het U gezegd, maar gij gelooft het niet; de werken die Ik doe in de naam mijns Vaders, die getuigen van Mij," (10 : 24, 25). Tot de joden heeft Jezus dus indirect, via de werken, gezegd dat Hij de Christus was. Maar tot de Samaritaanse zegt Hij het onomwonden.

Dat is opvallend, dat de Here zich rechtstreeks openbaart aan iemand, die half buiten staat, die naar de opvattingen van die tijd wel door drie muren van Hem gescheiden was: ze was een Samaritaanse, zij was een vrouw, en zij was een zondares. Alles werkte in haar geval een rechtstreekse openbaring tegen, zou men in die tijd zeggen. En toch breekt Christus door de drievoudige discriminatie heen en geeft zich zelf aan juist deze vrouw duidelijk te kennen: Ik, die met u spreek, ben de Christus. En dat gebeurt in een toch eigenlijk kort gesprek, waarbij Jezus met grote stappen door een zee van misverstanden heenwaadt, om bij de vrouw te komen.
Wat een vorderingen maakt Jezus in dit gesprek met deze halve heidin, met deze vrouw uit de wereld.

Vergelijk dat eens met Joh. 3, waar Jezus in gesprek is met de joodse theoloog Nicodemus, Een gesprek dat niet uitloopt op een zelfopenbaring van de Here. Een gesprek dat stroef verloopt en van meet aan afstuit op een bevangenheid aan de kant van de wetgeleerde.
Dat kun je zien aan het begin, waar Nicodemus zegt: "Rabbi, wij weten dat Gij van God gekomen zijt als leraar. Want niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet, tenzij God met hem is." Dat is een royaal begin, zou je zeggen, een erkenning op voorhand, maar vergis je niet, hier is de zelfbewuste joodse theologie aan het woord: wij weten. En binnen het raam van dit joodse weten krijgt Jezus z'n plaats aangewezen. Daar binnen mag Hij zich nader verduidelijken.
Zijn speelweide is Hem aangewezen, waarop Hij zijn kunsten mag vertonen. Jezus verzet zich hiertegen en stoot het kader dat Nicodemus aandraagt, omver.
Maar Nicodemus blijft toch bevangen.
En daarom, ondanks de geweldige dingen, die Jezus in dit gesprek zegt, het zijn woorden die bij Nicodemus niet landen, niet aan de grond komen. Daardoor wordt dat gesprek ook tot een alleenspraak van de kant van Jezus: woord zonder antwoord althans voorlopig.

Bij de Samaritaanse vrouw is dat anders. In dat gesprek zijn zeker ook weerstanden. O ja. Weerstanden en misverstanden. En in de woorden van de vrouw is hier en daar zelfs een toon van sarcasme te beluisteren: "Gij hebt niet eens een emmer en de put is diep.
Hoe komt Gij dan aan het levende water?" Maar de vooringenomenheid ontbreekt. De vrouw perst Jezus niet in de mal van haar denken. Ze stellt vragen, scherpe vragen, maar echte vragen.
Vragen, die Jezus gelegenheid geven om telkens meer te zeggen.
Jezus vordert in dit gesprek, al gaat het ook door een dood punt heen. (Ik bedoel dat punt waarop Jezus duidelijk een andere weg inslaat met zijn vraag: Ga Uw man halen.) Deze vrouw laat Jezus aan zich toe. Zij is in dit gesprek niet een muur, maar een deur, in de geestelijke zin van het woord. Daarom loopt dit gesprek uit op een zeer duidelijke zelfopenbaring.

Ik denk dat het de bedoeling van de vierde evangelist is, dat wij die twee gesprekken, dat van Jezus met Nicodemus en dat van Jezus met de Samaritaanse, naast elkaar zetten en met elkaar vergelijken, zoals wij ook de twee aanvangstekenen in bist. 2, het wijn wond er te Kana en de tempelreiniging te Jeruzalem, tezamen moeten nemen. Johannes hanteert dan zowel Nicodemus als de Samaritaanse als typen van het tweeërlei gehoor, waarmee Jezus tijdens zijn rondwandeling te maken had. Nicodemus staat dan model voor het bevangen reageren van de officiële kerkleiding, waarop Jezus herhaaldelijk gestuit is: wij weten; wij weten eigenlijk alles al. Je kunt ons geen wezenlijk nieuws meer vertelden.
Terwijl de Samaritaanse in haar wijze van optreden het meer open type vertegenwoordigt, dat we in de andere evangelies ontmoeten in de persoon van Samaritanen, vrouwen en andere maatschappelijk gediskwafificeerden, met wie de Here zo opvallend goede oontacten en gesprekken gehad heeft.
De religieus gediscrimineerden van die tijd, voor wie Jezus Heiland heeft kunnen zijn, de Heiland der wereld, zoals Hij op het eind van dit hoofdstuk kenmerkend heet.

Deze naar joodse maatstaf onvolwaardigen werden niet gehinderd door de joodse theologie der bevangenheid.
Zeker, zij wisten ook wel wat. hadden in hun grijze verleden ook wel enige catechisatie ontvangen. Zoals blijkt bij de Samaritaanse, die zegt: "Ik weet, dat de Messias zal komen, die Christus genoemd wordt; wanneer Hij komt zal Hij ons alles verkondigen."
Maar met dit weten stelden zij zich niet te weer. Zij verbonden het met wat Jezus zei, en openden zo de deur voor Hem, die Hij binnenging om bij hen te wonen, (14 : 23).

Maar het 'wij weten' van de joodse theologie stond mensen als Nicodemus in de weg. Dat zie je vooral in hfst. 9, de geschiedenis van de blindgeborene, waarin de officiële kerkleiding ook herhaaldelijk zegt: wij weten, wij weten, maar aan het eind van Jezus te horen krijgt: "indien gij blind waart, zoudt gij geen zonden hebben, maar nu gij zegt; wij zien blijft uw zonde." (9 : 41). Jezus komt bij de joodse kerkleiders niet binnen.

Zo vergelijk ik dus die twee gesprekken uit Joh. 3 en Joh. 4 met elkaar. Ze vormen samen een tweeluik. En uit deze vergelijking ga ik nu een forse conclusie trekken.
Ik hoop het voorzichtig te doen, vragenderwijs, maar de conclusie is er niet minder fors om. Is het wel juist, zo wil ik vragen, het bekende spreken van de Here tot Nicodemus over de wedergeboorte tot een passe-partout te maken, zoals in bepaalde kringen van het nederlandse protestantisme steeds gedaan is? Tot een passe partout. dat wil zeggen, tot iets, dat bij elke gelegenheid onveranderlijk gezegd moet worden.
Die bekende woorden dus uit Joh. 3: "Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: tenzij iemand: wederom geboren wordt, kan hij het koninkrijk Gods niet zien." - zijn die niet te vaak uit dit gesprek losgesneden en in elke situatie elke geloofscandidaat voor de voeten gegooid? Het valt toch op, dat de Here dit wèl tegen Nicodemus en niet tegen de Samaritaanse vrouw heeft gezegd.

Had deze laatstede wedergeboorte dan niet nodig? Zeker wel. Wat Jezus tot Nicodemus zegt, is algemeen genoeg: Tenzij iemand wederom geboren wordt ... Tenzij iemand, wie hij ook zij. Ik ben stellig van mening, dat dit ook voor de Samaritaanse gegolden heeft. Maar de vraag die ik nu stel is deze: moet deze wedergeboorte en haar noodzakelijkheid altijd op dezelfde wijze gepredikt worden als het tot Nicodemus gebeurd is, te weten: in een haast dreigende vooropstelling?
Of is deze vorm door de gesprekssituatie bepaald geweest? Ik meen dat dit laatste het geval is.
Dit woord was antwoord van de Here aan iemand, die Hem met zelfbewuste vooringenomenheid benaderde. Hem waarschuwt Jezus zó zul je niets zien, van Mij niet en van het koninkrijk niet.
Maar als Jezus die bevangenheid niet aantreft, gaat Hij op een heel andere wijze te werk. Zoals zijn gesprek met de Samaritaanse bewijst.

Zeker. ook voor haar hangt Hij de ruif tamelijk hoog met Zijn diepzinnige woorden over het water des levens. Hij Iaat de vrouw echt tegen steilten opklauteren. Het is bepaald geen zoetsappig gesprek.
Maar de cruheid van Joh. 3 ontbreekt.

De cruheid, waarmee de Here Nicodemus heeft willen wakker schudden. Nicodemus, die neerbuigend Jezus wil binnenlaten in zijn theologische wereld, waar de Here zowaar ook nog een erezetel krijgt aangeboden. En Jezus die dan aan het gesprek een wending van 1800 geeft en stelt: de vraag is niet, hoe Ik in jouw wereld pas, maar of jij in Gods koninkrijk binnengaat.

Als we deze cruheid, die in Joh. 3 heilzaam is, algemeen gaan maken en op iedereen gaan toepassen vrees ik dat wij gesprekken als van Jezus met de Samaritaanse bij voorbaat onmogelijk maken. We gooien dan deuren dicht, die ook vandaag openstaan, al is het ook maar op een kier. Want nog eens, deze Samaritaanse mag dan naar de maatstaven van die tijd door een drievoudige barrière van Jezus gescheiden zijn geweest: zij was Samaritaan tegenover Hem als Jood, zij was vrouw tegenover Hem als man en zij was een zondares tegenover Hem als rechtvaardige - toch kwam Jezus tamelijk gemakkelijk bij haar binnen, omdat zij onbevangen was.

Zo geloof ik, dat er voor- de kerk vandaag ook verrassende open deuren zijn, al is de gemeente door vele barrières van de wereld om haar heen gescheiden in de ogen der mensen. Alleen, de kerk moet dan voor die contacten en gesprekken dat zware geschut van Joh. 3 eens thuis durven laten.
Laten ze dat liever in stelling brengen tegen kerkelijke bevangenheid en theologische vooringenomenheid, Want die zijn nog al eens geneigd de wedergeboorte te vergeten of onnodig te vinden.
Maar waar belangstelling is en een luisterend oor. daar hoeft die wedergeboorte niet zo nadrukkelijk vooropgesteld te worden.
Achteraf blijkt dan wel, hoe God ook bij zulken met zijn wederbarende genade is bezig geweest.

Samengevat: Joh. 4, de geschiedenis van de zelfopenbaring van de Here aan de samaritaanse vrouw, wint aan rijkdom, als we een vergelijking maken met Joh. 3, Jezus' gesprek met Nicodemus. De heerlijke woorden: Ik die met u spreek, ben het, die we zo pijnlijk missen in Jezus' gesprek met de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder Nicodemus, die woorden klinken hier in Jezus' gesprek met een halve heidin. Vreemd genoeg is ie kerk soms meer toe aan wedergeboorte dan de wereld, die buiten of half buiten het evangelie staat.
Soms is voor het evangelie de kerk een muur en de wereld een deur.

1) Door verschillende sprekers reeds gehouden en nog te houden voor de E.O.-microfoon.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief