Verzoening in de woestijn

2005-02-25
  • Jaargang 49
  • nummer 4
‘Als je je al die offers voorstelt, met al dat bloed en dat verbranden van vlees en vet - wat moet daar een lucht hebben gehangen!’ zo schreef Tineke Plooij bij haar lezing van de eerste zeven hoofdstukken van het boek Leviticus.

Je ruikt in zo’n opmerking de afstand tussen toen en nu. Israël diende voor ons gevoel zijn God ook zo anders dan wij in 2005. Sterker nog: de God van de heilige tent lijkt soms zo’n andere dan de God, die wij bezingen in kerk of aula! Dat zijn gedachten die opkomen bij de lezing van Leviticus en Numeri.

Offers voor mens en plaats
Eerst maar eens iets over de offers.
Die blijken er in soorten en maten te zijn. Bob Wielenga, ongetwijfeld onze meest zuidelijke meelezer, is blij met de NBV als het gaat om de typering van de verschillende offers. Hij schrijft: ‘Het brandoffer is het eigenlijke en grondleggende zondoffer, offer voor de vergeving van zonden dat dan ook dagelijks meerdere malen gebracht werd. Het reinigingsoffer (het vroegere zondoffer) is gericht niet op de mensen maar op de plaats waar God woont: die werd bezoedeld door de zonden van mensen. Priesters en nationale leiders bezoedelden die woonplek van God zwaarder dan de mensen in de kerkbank, en moesten zwaardere offers brengen.’

Dag en nacht
Gemakkelijk zijn ze niet voor een 21e eeuwse lezer - deze eerste zeven hoofdstukken met al die bloederige rituelen. Al geeft een kerntekst uit een veel later hoofdstuk (Leviticus 17) wel richting: ’Want het bloed is de levenskracht van een levend wezen. Ik heb het jullie gegeven om er op het altaar de verzoeningsrite mee te voltrekken, want bloed kan, als levenskracht, verzoening bewerken’. Menig lezer dacht door tot op de dood van Jezus. ‘Al dat bloed van dieren en al die rituelen zijn niet meer nodig nu Christus zijn bloed, zijn levenskracht, heeft gegeven. En die levenskracht was wel afdoende om definitief de verzoening te bewerken. Het leven met de Heer is er een stuk eenvoudiger door geworden’, zo schreef Andries Mak.
Soms waren er ook details, die bemoedigden om door te lezen. Zoals het vuur van het brandoffer, dat voortdurend brandend moest worden gehouden. Tineke Plooij dacht aan Romeinen 12:1 ‘ met de vraag om onszelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen; ook dat geldt dag en nacht.’

Leeswijzer
Herman Takken (van Evangelie & Moslims) werd al lezend in het derde en vierde boek van Mozes getroffen door de verwantschap met islamitische uitingen van geloof: ‘Het belang van reinheid en rituele wassingen (Leviticus 22), gedetailleerde voorschriften, nogal strenge straffen, het verschil tussen dochters en zonen (die allerlei voorrechten genieten). Denk ook aan de tekst over het doden van homofielen (Leviticus 20:13). Ook moest ik aan islamitisch volksgeloof (met veel bijgeloof) denken bij het lezen van Numeri 5; het lijken mij magische handelingen, als ik lees over bezweringen uitspreken en het drinken van water waarin de tekst van een vervloeking is opgelost…’. Takken is van plan om meer nog dan voorheen aan degenen die beginnen aan het lezen van de bijbel (vaak moslims) een leeswijzer mee te geven: ‘Dat betekent eerst andere gedeelten dan de genoemde passages; dus niet zomaar beginnen bij het begin en doorlezen tot het slot van de bijbel’.

Is God wel aantrekkelijk?
Na zulke hoofdstukken vol met allerlei voorschriften is de dood van de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, schokkend onverwacht. Wat was er nu zo verkeerd in de handelwijze van deze beide priesterzonen, zo vroeg bijna iedere meelezer zich af. Dat wordt in de korte beschrijving van Leviticus 10 ook niet helder. Dát er voor het aangezicht van God iets fundamenteel scheef ging is wel duidelijk en wordt onderstreept door het zeer ongebruikelijke vervolg. Aäron moet afzien van elke uiting van rouw en op die manier zichtbaar maken, dat er in de verhouding met God blokkades kunnen komen, die bitterder zijn dan de dood (van je kind). Wat zegt het ons (op grote afstand!) trouwens, dat je niets leest van onbegrip bij degenen, die van heel dichtbij getuige waren van deze dodelijke goddelijke reactie?
Toch schreef ik zelf bij de lezing van Numeri 4 ‘deprimerend, deze chronische doodsdreiging van Gods kant’.
In dat hoofdstuk gaat het over de Kehatieten, die belast waren met het opbreken van het allerheiligste van de ontmoetingstent. Over hen lees je: ‘Om te voorkomen dat zij te dicht bij het allerheiligste komen en sterven, moeten jullie het volgende doen: Aäron en zijn zonen komen bij hen en wijzen ieder van hen toe wat hij moet dragen. Zelf mogen ze het heilige niet binnengaan, want als ze er ook maar een glimp van zouden opvangen, zouden ze sterven.’ Bij deze God houdt je je hart vast in plaats van dat je het geeft, denk je dan. Wat is er eigenlijk aantrekkelijk aan deze God?
Alle reden om op veilige afstand te blijven!

But He’s good
Ik herinnerde me op dit dieptepunt aangekomen een passage uit de Narnia-verhalen, waar het gaat over Aslan, de Leeuw. Je leest dat niemand zonder knikkende knieën voor Aslan kan verschijnen. En op de vraag of Aslan ‘safe’ is hoor je: ‘Natuurlijk is Hij niet ‘safe’, maar Hij is goed. Hij is de koning!’. Lewis doet aan het huiveringwekkende van de heiligheid van God dus niet af, maar het is niet het enige en laatste woord. Dat herken ik ook in Leviticus als juist deze heiligheid van God vrijwel steeds in verband wordt gebracht met de heiliging van het volk. ‘Weest heilig, want ik ben heilig’, is het meest karakteristieke woord uit dit bijbelboek. Daarin proef je Gods diepe verlangen om zijn heiligheid te delen met zijn volk.
Dat zit ook achter de instelling van de Grote Verzoendag, met als spits de bok, die de zonde van het volk de woestijn indraagt. Echt één van de hoogtepunten in het boek Leviticus!
Maar toch staat dit verzoeningsritueel wel in het teken van de dood van de beide zonen van Aäron (16:1).
Huiveringwekkend en nabij zijn ook de momenten, waarop Mozes gehoor vindt bij God in zijn pleidooi voor het volk rond het echec bij Kades (Numeri 14 en16). Het heeft dus elke keer weer iets van een geheimenis, deze nadering van de Heer, die heilzaam en schrikwekkend tegelijk is. En ten diepste is het de boodschap van de dood van de Zoon.

Onze omgang
Ook Kees Bos mijmerde door over de betekenis van de strenge straffen in deze boeken van Mozes. ‘De waarschuwing is: leef mijn regels na, want anders zal het land je uitbraken. Wij vinden dat een heel hard oordeel.
Maar het is de vraag of het goed is dat we er gemakkelijker mee omgaan.
De Here Jezus zegt, als de Joodse leiders hem met een geval van overspel confronteren, niet: maak je niet dik, het is zo erg niet. Hij zegt: Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar (Joh 8:4) ... Dat God overspel, incest en dergelijke zo sterk afkeurt, heeft wel betekenis voor hoe wij er in de kerk mee om moeten gaan. Het dringt pas nu goed tot me door dat God daar zo expliciet over is.
Ik denk niet dat het criterium is of we er al dan niet onze naaste mee beschadigen, al is dat wel een belangrijk aspect. Het argument is: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’. Het is wel moeilijk als je de consequenties hiervan overweegt’, zo besluit onze broeder uit Ede.

Etappe 4: Numeri 19-36; Deuteronomium: 10-2-2005 t/m 23-2-2005 (kopijdatum) Etappe 5: Jozua- Richteren-Ruth; 24-2-2005 t/m 9-3-2005 (kopijdatum) Wie een deel van een étappe mee heeft gelezen, kan ook rustig zijn/haar bevindingen opsturen (Bakemastraat 4, 3822 WJ Amersfoort; f.gerkema@solcon.nl)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief