"Gezangen"

1976-03-05
  • Jaargang 20
  • nummer 10
Het is een bekend feit dat het voor een paar jaar verschenen "Liedboek" voor de kerken een enorme opgang gemaakt heeft in de kerkelijke wereld van ons land. De oplagen ervan hebben alle verwachtingen overtroffen. En in talloze kerken en scholen wordt daaruit getrouw "het lied van de week" gerepeteerd, gememoriseerd en gezongen. Met verbazing kan men constateren dat het nogal wat eigenzinnige en recalcitrante moderne kerkvolk wat dat betreft uiterst volgzaam is en zeer gedwee de weg in het Liedboek zoekt van de hand van "Hilversum".
Het is met het oog hierop weleens goed na te gaan hoe de gereformeerde kerken over het zingen van "gezangen" dachten.
Om maar met de deur in huis te vallen: ze hebben er nooit principieel bezwaar tegen gemaakt dat deze ook in de eredienst werden gezongen. En ze hèbben ze ook van de aanvang af daarin gezongen, Zeker, op sobere wijze. De psalmen stonden 'onbetwist op de eerste plaats in de liturgie. Maar de gezangen kregen daarin toc!h ook een plekje.
Het is misschien wel goed daarover iets te zeggen.

Zoals velen wel zullen weten werd door Marnix van St. Aldegonde in 1580 een prachtige psalmberijming aan de oude Nederlandse Geref. Kerken geschonken, Marnix was een vroom man en een uitstekend kenner van de Hebreeuwse taal. Daarbij een dichter.
Op verbluffend rake wijze heeft hij meestal het origineel in onze taal weergegeven. Het is ontzaglijk jammer dat zijn psalmen niet in de kerken in gebruik zijn gekomen.
De berijming van Datheen was gangbaar geworden in de oude kerken! En in de kerken verzet men de "oude palen" niet gauw.
Men lette er niet op dat Datheen zelf meermalen erkend had dat zijn berijmingen "hem schier als een ontijdige geboorte waren afgedrongen geweest, so dat hyse in vele plaetsen niet wel oversien en hadde, ende om de onervarentheyt van de Hebreisscher sprake, was gedwongen geweest sijne overs ettinge uyt een ander oversettinge te maJken, soo dat daer vele dingen waeren daerop wel behoorde naerder gelet te worden."
En men gaf er ook niet om dat Datheen zelf ook "vrijmoedelik seyde, dat hij grootelickswensche, de dat de berijming van Marnix "in de gemeynten Godes mochten worden aengenomen, als die met der Hebreischer waarheyt naerder over een quamen."!
Maar, zoals gezegd, zelfs deze verklaringen van Datheen veranderden aan de zaak niet. Zijn rijmelarijen die "onder de gemoedsbewegingen van de beeldenstorm en de hagepreek een indruk op het volk maakten, onvergetelijk en onuitbaar, was met het hart van het volk samengegroeid voordat enige prosodische of theologische kritiek zich kon laten gelden" en zo bleven die in gebruik.
Die van Marnix kwam niet aan het bod. Tot onvoorstelbare schade van de kerken!
Men vergeve mij deze uitweiding.
Wat ik zeggen wilde is dit, dat aan Marnix' psalmberijming was toegevoegd "Het Boeck der Heylioke Schriftuerhcke Lof-Sangen" waarin hij 21 prachtige berijmingen publiceerde van fragmenten uit het Oude en Nieuwe Testament.
Onder andere een prachtige versificatie van Jesaja 53 en Daniël 9.
Marnix droeg deze bundel opze verscheen reeds vóór zijn psalmberijming afzonderlijik aan de weer onder de macht van Spanje gekomen "ketters" in de zuidelijke Nederlanden.
Met een ontroerend gedicht draagt hij deze bundel "Lof Sangen" aan die kerken op.
De eerste strophen ervan luiden zo:

U moet ick vrij getuygenise geven
Van mijne ldefd end broederlick gemoet,
Die buytens lants verstroyt zijt ende verdreven
End'wel gerust leeft onder Gods behoet.

Hoe oond ick u, mijn Broeders, oyt vergeten,
Daer wy doch zijn in eenen stronek geplant?
All zijn wy noclh zo veer van een geseten,
So can ons doch geseheyden zee noch Iant.

De opdracht telt maar liefst 58 strophen te zingen op de wijs van Psalm 12. De laatste luidt zo:

Ontfanget dan dees heylige Lofsangen,
End oefifent u daer inne dach end nacht.
End siet dat ghy met hertellok verlangen
End welgerust. op Christi koms wacht,

Zo was er van de aanvang af in de Nederlandse Gereformeerde Kerken naast de bundel psalmen ook een bundel "Lofzangen". En zoals bekend is heeft de synode van Dordrecht principieel het zingen van gezangen in de kerkdiensten als geoorloofd verklaard.

Rondom de Afscheiding ontstond "er veel rumoer over de "gezangen".
De Afgescheidenen waren globaal genomen tegen de in 1806 in e Ned. Herv. Kerk ingevoerde Gezangenbundel.
En nog veel sterker kantten zij zich tegen de door de synode aan de kerken opgelegde verplichting ze ook in elke kerkdienst te laten zingen!
Dat ze de toen in gebruik zijnde bundel afwezen was volkomen terecht.
Want daarin kwam veel voor dat de vertolking was van het verburgerlijkte, moraliserende, brave, oppervlakkige christendom van die dagen.
Maar, al weer globaal genomen, Koesterden de Afgescheidenen geen principieel bezwaar tegen het zingen van gezangen in de eredienst.
Zo, stond het met mannen als Brummelkamp, Van Velzen, Scholte, Gispen, Lindeboom.
lik wdl een paar uitspraken van hen citeren.
In een Ned. Herv. Tijdschrift "Stemmen voor Waerheid en Vrede" werd in 1866 een artikel het was ondertekend met het pseudoniem Ramanah - een beschouwing, niet al te vriendelijk, over de Gezangenstrijd onder de Afgescheidenen. Daarop werd gereageerd door ds A. Brummelkamp, destijds een der docenten van de Kamper Theologische School. Hij schreef letterlijk: "Het is niet het zingen van een gezang dat ons bezwaart. Gelijk gij het daar ter neêr stelt. komt het voor, alsof wij bezwaar hadden in hetgeen waartoe de Apostel ons in Col. 3:16 nadrukkelijk opwekt, dat de heilagen onder het oude en nieuwe verbond steeds hebben gedaan en dat ook de Nederl. Kerk steeds gedaan had. Neen, niet in 't zingen van een gezang hadden wij bezwaar, maar in 't zingen van een kwaad gezang; of om meer juist te spreken: in het wettigen ten kerkelijken gebruike van een bundel, waarin goed en kwaad, -waarin vergif en spijze dooreengemengd zijn, en zoo dooreengemengd, dat het dikwerf zeer moeyelijk ds te onderscheiden wat goed en wat kwaad is. Ik herhaal het: niet het zingen van een gezang, maar het zingen van een kwaad gezang; het gebruiken en wettigen vaneen gezangboek, dat ons wederrechtelijk opgedrongen wordt en daarenboven opgedrongen dooreen kerkbestuur dat Gods eer en waarheid laat vertrappen, dat" is het waar wij tegen hebben."

In het debat over de gezangenkwestie mengden zich nog een paar andere scribenten. En in reaktie daarop schreef Brummelkamp een Open Brief waarin hij o.a. dit opmerkte: "Dat het vooroordeel meer en meer wijke, en de Christen ook in Nederland begrijpe, dat gezangbundels alle eeuwen door in de Kerk gevonden werden; dat zij bij het godvruchtig gemoed steeds zeer geliefd waren; en dat de Afgescheidenen zich weldra in een uitnemende bundel mogen verheugen is mijn vurige wensch".

Een jaar of wat later, in 1875, liet dr Gispen zich over de gezangen uit. Hij deed dat in een artikelenreeks in. "De Bazuin", die handelde over "Het Kerkbestuur".
lik zal enkele uitspraken daaruit hier laten volgen:

"Werd mijn begeerte vervuld, dan luidde dit artikel (Art. 69 D.K.O.) spoedig aldus: "De Gemeente gebruikt in de openbare godsdienstoefening, behalve de psalmen, de gezangen, dde achter de psalmen, in de gewone kerkboeken gevonden worden. Het gebruik van een door de Synode goedgekeurde verzameling van geestelijke liederen, wordt in de vrijheid der gemeenten gelaten ...
Daarbij, welke deugden en voortreffelijke hoedanigheden de Nederlandse Gereformeerden ook mogen bezitten, zangerig zijn ze, over het algemeen, niet en van kerkmuziek hebben we weinig begrip. " Vooral in godsdienstige gebruiken zijn we behoudend ...
Daarbij heeft de gezangenstrijd zich te kwader ure met de Afscheiding verbonden, zodat velen, heden ten dage, nog in den waan verkeren, dat de Afscheiding ontstaan is om de gezangen ...

Onze Hervormde broeders, die ons over onze anti-gezangengeest telkens hard vallen, hebben daartoe, geloof ik, weinig recht. Onze oudjes hebben die geest medegebracht uit de Hervormde Kerk, gelijk de meeste dingen, die we anders zouden wensen ... Uit mijn kindsheid herinner ik mij nog zeer goed, dat de toenmalige, beroemdste vertegenwoordigers der orthodoxie inde Herv. Kerk o.a. kenbaar waren aan het niet laten zingen der gezangen, of wel, daar zij verplicht waren ze in de openbare g1odsdáenstoefening te gebruiken, nooit meer dan één vers in elke dienst opgaven en wel het kleinste, dat er te vinden was, waarbij ze dan, hetzij door zelf niet mee te zingen, of door een of ander woord of teken, hun afkeuring te kennen gaven, om aan de gemeente te doen gevoelen, dat ze het gedwongen deden. Een gezang et je te zingen was dan ook een bewijs van een flauw, oppervlakkig en liberaal Christendom ...
Zover mij bekend is, heeft slechts één der eerste afgescheiden leraars zich tegen de gezangen verklaard, en hun inhoud als ketters veroordeeld, van oordeel zijnde, dat men zulke "algemene hoeren-Liederen" moest uitroeien ...
De alles beslissende vraag is, of het gebruik in de openbare godsdienstoefening, van andere dan in de Bijlbel voorkomende gezangen, met het formeel beginsel der Gereformeerde Kerk, de Heilige Schrift, de énige regel van geloof en wandel, strijdt. Naar mijn mening is dit niet het geval. De Heilige Schrift spreekt van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, waarmee de gemeente zich moet stichten en de gelovigen elkander vermanen (Efeze 5: 19; Coll. 3: 16). Dat de Gereformeerde Kerk het ook nooit zo verstaan heeft, bijkt uit hare daden ...
Het is niet in strijd met het formeel beginsel der Gereformeerde Kerk, om in de openbare godsdienstbeoefening andere dan in de Bijbel voorkomende psalmen en gezangen te gebruiken, wijl zij formulieren bij de bediening der sacramenten heeft gevoegd en formuliergebeden heeft voorgeschreven om de eenheid en opbouwing der gemeente te bevorderen.

Ook onze Kerk heeft, door haar Synode, het gebruik van gezangen nevens de psalmen nooit ongeoorloofd verklaard, Toen op de Synode van 1866 een verzoek ter tafel kwam om een Commissie te benoemen tot het verzamelen van een bundeltje gezangen tot gebruik bij de openbare godsdienstoefening, heeft de Synode, na ernstige overweging, het niet raadzaam geacht het verzoek toe te staan. Let wel! niet raadzaam; derhalve niet ongeoorloofd! Mitsdien, gezangen te gebruiken nevens de psalmen, in de openbare godsdienstoefening, is noch met Gods Woord, noch met het beginsel der Gereformeerde Kerk in strijd ...
Waarom heeft de Kerk dan geen gezangen? Te zeggen: gezangen zijn altijd in tijden van afv·aQ en verval ingevoerd, is geen afdoende reden; elk, die ooit een boekje over Kerkgeschiedenis gelezen heeft, is van het tegendeel overtuigd.
Zonder twijfel is het psalmgezang uit het Oude Verbond in het Nieuwe overgegaan: maar hieruit af te leiden, dat de Heilige Geest in de dagen van het Nieuwe Verbond zich met geen dichtkunst meer bemoeit en in dit opzicht onder de bedeling der vervulling kariger bedeelt dan onder de bedeling der belofte, ware een al te gewaagde veronderstelleng. Paulus althans schrijft niet aan een bijzonder persoon, maar aan de gemeente, dat zij geestelijke liederen moet gebruiken. Hoe kan ze dat nu, als ze er niet zijn, en hoe kunnen zij er zijn, als ze niet gemaakt worden? Godsdienst en Poëzie zijn niet te scheiden. Ik noem slechts de namen van Ambrosius, Gregorius en Luther ten bewijze, dat de oorsprong der gezangen in Christus' gemeente niet in afval en dwaling moet gezocht worden en dat het woord van Paulus: "Zingt de Heere in uw hart" niet opgevat moet worden: zingt niet. Hebben nu de ketters het Christelijk volksgezang bedorven door hun liederen te gebruiken tot verbreiding van hun leer, hoeveel te meer is het de roeping der Kerk om door goed en degelijk gezang de ware Leer te verbreiden! Men bedenke dit wel. Zoals de zaak nu staat, kunnen wij geen enkel Nieuwtestamentisch denkbeeld in het kerkgezang uitdrukken, tenzij dan in het windsel van het Oude Verbond ...
Wat hebben we voor het Avondmaal, voor de bevestiging van nieuwe leden, voor de Doopsbediening, voor de Christelijke huwelijksinzegening, voor de inzegening in kerkelijke ambten, voor vaderlandse en kerkelijke gedenkdagen, voor onze kerkelijke bijeenkomsten?
Ik vraag slechts ...
En waarom achtte de Synode van Amsterdam het dan niet raadzaam in die behoefte (aan Christelijke gezangen) te voorzien? Ik weet het niet, Zij heeft het niet gezegd, en dit blijkt dus een raadsel. Ik gis echter uit vrees voor tegenstand en die wees is niet ongegrond.
Niet gaarne zou ik zien, dat de (Ned. Herv.) bundel van evangelische gezangen door ons overgenomen werd. Niet alleen om het vooroordeel, maar ook om de geest van meer dan één gezang, en het onpoëtische van sommige uitdrukkingen, omdat die bundel, zoals hij daar ligt, niet is een afspiegeling en uitdrukking van wat tegenwoordig in de Christelijke gemeente gedacht en doorleefd wordt. Maar de keurigste liederen - en er zijn heerlijke in - uit die bundel, vermeerderd met liederen van Lodensteijn, Voet, Sluiter, Bilderdijk, ten Kate, de Liefde. Bij allen is wat te vinden, en vertalingen van Luther, Malan en zo, waren ook niet te versmaden, Nu weet ik wel, er kunnen vele bedenkingen tegen in gebracht worden.
Het is de tijd nog niet, zegt de een, en de ander zegt: we hebben het zolang zonder gezangen gedaan, terwijl een derde als zijn vrees in 't midden brengt, dat het de moeite niet meer waard is, wijl het toch spoedig met de kerkgenootschappen zal aflopen. Doch ik vraag: zou de tijd daartoe wel ooit komen, als hij er nu nog niet is, en is dit dan de ware opvatting van onze roeping, dat we in ons kerkelijk leven een Egyptische verstening gelijken; of zou zulk een taak aan het jonger geslacht beter vertrouwd zijn dan aan de mannen van leeftijd, ernst en ondervinding. die God ons nog gespaard heeft, en die een algemeen vertrouwen genieten in de Kerk?
En als morgen de jongste dag er is, zou het dan 'beter zijn, dat we heden ons talent in de aarde begraven, dan dat we er nog een dag winst mee doen?"

Het spreekt wel haast van zelf dat dit betoog van Gispen hem niet door allen in dank werd afgenomen!
Op zijn heerlijk humoristische manier schreef hij er een jaar of drie later in één van zijn boeiende brieven "aan zijn vriend in Jeruzalem" over de reakties die hij op zijn pleidooi voor gezangen ontving het volgende: "Gij weet, mijn vriend! wat mij zelf wedervaren is, toen ik eens de stoutheid had van te beweren, dat het gebruik van Christelijke gezangen in de openbare samenkomst der gemeente, in beginsel niet ongereformeerd en in vele opzichten wenselijk is. Als een gevallen morgenster zag men mij, in de tien provinciën des koninkrijks, van de kerkhemel in de diepte ter neer slingeren. Op sommige kansels werd tegen mij gewaarschuwd.
Anderen wierpen mijn portret op het vuur. In het kerknieuws werd op mijn misdaad gezinspeeld.
En die mij kenden en liefhadden zeiden: "och, Gispen meent het zo kwaad niet, maar hij is tegenwoordig wat van zijn hart af". En toch weet ik, dat zeer vele predikanten en gemeenteleden dezelfde behoefte met mij gevoelen en hartelijk sympathiseren".

Inderdaad waren veel predikanten en afgescheiden broeders het met Gispen's pleidooi voor het zingen van nieuwtestamentische gezangen dn de kerkdienst van harte eens.
Eén ervan was ds - later professor - L. Lindeboom. In zijn opmerkelijke en boeiende brochure "De Christelijke Gereformeerde Kerk", die kort na Gispen's betoog verscheen, schreef hij o.a. dit: "Ons Kerkgezang is weinig geschikt om de stichting te bevorderen.
Wij erkennen 150 psalmen, en zingen er ... nog geen 30. Voor een goed deel ligt dat aan de zangwijzen.
Herziening daarvan zou geen weelde zij. En de berijming - inderdaad, er zijn wel psalmen en verzen, welker berijming naar vorm en inhoud te wensen overlaat.

En - noch in de lijdensweken, noch op de Chr. feestdagen, noch bij het Avondmaal kan de Gemeente de waarheden des Nieuwen Testaments zingend belijden en er zich mede stichten. Hoe langer hoe meer wordt het ons duidelijk dat, even rechtmatig als de afkeer is van een groot deel der zag. Evangelische gezangen en haar gedwongen invoering, de traditionele antipathie tegen "gezangen" bij velen in onze kerk ongeestelijk, tegen Gods Woord strijdende, en het geestelijk leven schadende is. Vooral nu br Gispen in zijn "Ons Kerkbestuur" ook de onmisbaarheid van een bundel geestelijke liederen heeft betoogd, en daarover is hard gevallen. is het ons eene behoefte, ter wille van waarheid en broederlijke liefde en het belang der Kerk, hem openlijk onze instemming te betuigen.
De artikelen, die in De Bazuin tegen Gispen's artikelen zijn geschreven, kunnen niet anders dan ieder die èn waarheid èn vrede bemint, bedroeven; zich zelven oordelende zijn ze de waarlijk gemoedelijke en verstandige leden een bewijs te meer, voor de met grote uitspraken afgekeurde zaak.
Bij nadenken zullen die schrijvers zeiven wel het ongepaste van zulk een behandeling ener gewichtige zaak erkennen; de liefde doet ons dat hopen. Is het nu nog niet, lang zal het toch niet meer kunnen duren, of de Synode zal over geestelijke liederen moeten handelen. Al waren het alleen maar de Zondagsscholen, die het noodig zullen maken. Waarom zullen wij niet door een goed bundeltje een min verkieslijk allerlei voorkomen?"
Tot zover deze week.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief