"Gezangen" (2)
1976-03-12
Ook deze week wil ik nog wat zeggen over de "Gezangen".- Jaargang 20
- nummer 11
Het thema is immers uiterst belangrijk Want het lied speelt een enorm belangrijke rol in het leven des geloofs. Wie zieken en stervenden begeleid heeft weet daar alles van. Het is niet te zeggen hoeveel troost en kracht psalmen en geestelijke liederen christenen in nood, aanvechting, vervolging hebben geschonken.
Wie de wereldoorlog hebben beleefd of de verhalen lazen over de mannen en vrouwen die via een huiveringwekkende gevangenschap de dood werden ingejaagd, hebben er ook van gelezen hoe ontzaglijk veel ook een psalm of een lied voor deze martelaars hebben betekend.
Maar niet alleen met het oog hierop is het zingen - en kennen!van psalmen en gezangen van betekenis - hoe groot die ook al is.
Het lied neemt een onvervangbare, een noodzakelijke plaats in in de eredienst. De HEERE "troont op de lofzangen Israëls!" De gemeentezang is immers de hoogste vorm van de aanbidding! Ze is de vertolking van de “lof" der gemeente.
En daarom komt het daarop heel nauw aan. We moeten daarin God niet beledigen met woorden en uitspraken die niet volkomen in harmonie zijn met zijn Woord, zijn Evangelie. En die Hem daarom niet "aangenaam" zijn.
Ik heb het b.v. altijd griezelig gevonden als voor Gods aangezicht gezongen werd dat Hij het oog van zijn gena wendt op zulken "die, oprecht en rein van zeden met vaste gang het pad der deugd betreden!" Want ik heb een sterk vermoeden dat God op mensen die van zichzelf overtuigd zijn dàt ze met vaste gang het pad der deugd betreden helemaal niet "het ook van zijn gena" wendt! Ik heb zo de gedachte dat de woorden die Jezus eenmaal tot de farizeërs richtte méér op zulke lieden van toepassing zijn.
Ik wil maar zeggen: het komt er in de gemeentezang zeer nauw op aan. Want wat we in een samenkomst zingen is een belijdenis van het Woord van God.
Hebben we niet van ouds geleerd dat een echt dogma, een echte belijdenis een lied is. En dat omgekeerd, een lied, een belijdenis is?
Omdat nog zo vaak gezegd wordt dat het zingen van "gezangen" een nieuwigheid is en velen er nog wat huiverig tegenover staan, wil ik er ook nu nog eens op wijzen dat er reeds voor een eeuw in de Geref. Kerken om werd gevraagd en voor gepleit en van een principieel bezwaar daartegen geen sprake was!
Ik wil nu overnemen een aantal stellingen die prof. A. Brummelkamp, die van de oprichting van de Kamper Theologische School in 1854 daaraan meer dan dertig jaar onderwijs heeft gegeven in de exegese van het Oude en Nieuwe Testament.
In "De Vrije Kerk", het bekende Maandblad van de Afgescheiden kerken, publiceerde Brummelkamp in 1878 "Veertien redenen waarom de invoering van een bundel gezangen in onze Kerk wenselijk schijnt. Als "motto" boven deze "redenen" plaatste hij het woord van Paulus "Met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen."
Hier volgt wat Brummelkamp schreef.
1e. Omdat de Staten-vertalers terecht in bovenstaande tekst achter "lofzangen" een komma plaatsten, en hun gezonde uitlegkunde dus niet heeft kunnen onderstellen, dat PaulJusmet die onderscheiden benamingen slechts één zaak zou hebben bedoeld.
(Vermoedelijk toch heeft volgens deze tekst de Apostel Paulus zelf Psalmen èn Gezangen gezongen).
2e. Omdat het geestelijk leven, dat zich buiten het kerkgebouw in Psalmen en geestelijke liederen luclht geeft, in het kerkgebouw niet willekeurig aan banden gelegd, of in zijn vleugelslag geknot worden mag.
(Ongeveer als een kind dat buitenshuis vrijelijk, uit het hart, tot lof zijns vaders spreken mag, maar binnenshuis niet anders dan in bepaalde, vooruit vastgestellde, bewoordingen).
3e. Omdat het onmogelijk is op de christelijke feestdagen, die hoogtijden des gemeentelijken levens, het opgewekte feestgevoel voldoening te verschaffen, wanneer de gemeente alles bezingen mag op die dagen, behalve het feit van de dag.
(Toegestemd dat de Lofzangen van Maria, Zacharia enz. ons tot op de drempel van het Nieuwe Testament voeren, wat verhindert, eenmaal zóver gekomen, binnen te treden?)
4e. Om de publieke op.nie, in zover die tegen ons is, het voorwendsel te ontnemen, als zou onze Kerk slechts aan zeIkerebekrompen weerzin tegen het gebruik van Gezangen haar oorsprong danken.
5e. Om door het verzamelen van een betere bundel feitelij1k (wat afdoender is dan met woorden) te bewijzen, dat onze eerste Leraren gelijk hadden in hun klacht over het rationalistisch, met het onchristelijk Deïsme der Achttiende Eeuw besmet karakter veler zogenaamde "Evangelische" Gezangen in de oude Bundel.
6e Om door het contrast van die nieuwe bundel met de oude, aan hun rechtmatige klacht nog deze niet gering te achten bijzonderheid toe te voegen, dat vele van die Gezangen zelfs uit een oogpunt van smaak aan de bescheidenste eisen niet voldoen en Vlaakweinig meer dan armzalige rijmelarijen mogen heten.
(Zie bijv. de navolgende Gezangen XV (vooral vs. 6 en 7), XXIII, XXXII, LV, LVI, LIV. LXII (vooral vs. 8 en 9), LXVII, LXXI (vooral vs. 4 en 5), LXXVIII, CXI, CLVII).
7e. Omdat het hoog tijd wordt de betrekkelijk weinige ujtstekende liederen in de oude Bundel te verlossen uit het slecht gezelschap, waarin ze verdwaald zijn, en ze in een nieuwe Burudeleen plaats te geven naast andere klassieke uitstortingen des geloofs,
8e. Omdat de bestaande drang naar Gezangen, die op onze Zondagscholen, Dagscholen, Jongelingsverenigingen enz. zich behelpt met hetgeen tijdige aanpassing van het betere zou kunnen voorkomen dat bij voorkeur aan het middelmatige in onze kringen burgerrecht worde verleend.
9e. Omdat onze Letterkunde, oude zowel als nieuwere, rijk is aan geestelijke liederen als door de Apostel bedoeld worden, en de Gemeente die schat van onderlinge opwekking en vertroosting niet mag verwaarlozen.
10e. Omdat er gevaar bestaat dat men, in de waan dat er niets bruikbaars voorhanden is, tot het opzettelijk dichten, of misschien wel het "vervaardigen" van nieuwe gezangen zal overgaan, terwijl aldus, overdrachtelijk gesproken, het fijne goud onopgemerkt voor onze voeten zou blijven liggen.
11e Omdat Apostelen, Kerkvaders, Hervormers en Martelaren ons in het zingen van Gezangen zijn voorgegaan, en we de stroom van het geestelijke lofgezang eigenmachtig stremmen, als we de geestelijke Iiedieren nu van de lippen der gemeente weren.
12e Omdat de meeste, zo niet alle vrije (zusters-)Kerken in het Buitenland Gezangen gebruiken, en wij haar schriftuurlijk voorbeeld niet mogen veronachtzamen. (Zelfs de Vrije Schotse, die gedurende de eerste twintig jaar van haar bestaan enkel Psalmen zong, besloot daarna tot een proefneming met een kleine verzameling, die reeds in 1872definitief in gebruik is gesteld, behoudenswijs besluit! - de vrijheid der individuele gemeenten om er zich van te bedienen.)
13e. Omdat we nu gelukkig zover zijn, dat onze Synode in haar jongste vergadering te Utrecht, de wenselijkheid van het zingen van Gezangen in onze kringen in beginsel duidelijk heeft uitgesproken.
(Zie Hand. der Synode, uitgegeven te Kampen 1877.Art. 149, bladz. 63.)
14e. Omdat de opgenoemde redenen wel voor vermeerdering, maar niet voor vermindering vatbaar zijn.
Interessant is het te lezen wat in het door Brummelkamp genoemde artikel van de Handelingen van de synode van 1877 te lezen is. (Tussen haakjes: men krijgt dan tegelijk een indruk van de wijze waarop men in de Geref. Kerken in die tijd de "Handelingen" van synoden schreef! Die zijn leesbaar en begrijpelijk, soms zelfs plezierig om te lezen.) Ze zijn zo geheel anders dan die kille notarieel dorre "Acta" van tegenwoordig!).
In art. 149 van de genoemde synode wordt een begin gemaakt met de behandeling van een aantal "vragen". Men leest daarin het volgende: "Friesland. De Synode wekke predikanten en onderwijzers op een bundel liederen van gereformeerd gehalte te verzamelen, geschikt voor jongelingsvereniging, scholen enz."
Hoe op deze vraag door de synode werd gereageerd leest men in wat daarna volgt.
"Frieslands afgevaardigden wijzen er op, dat er thans een grote menigte verwaterde liederen is, die een nadelige invloed uitoefenen.
Onze jonge mensen zingen die liederen en ongemerkt zuigen zij denkbeelden in, die in strijd zijn met de belijdenis onzer kerk. Een bloemlezing uit gezonde liederen, met zorg en tact gehouden (gekozen? - e.v.) verdient aanbeveling.
Dit punt wordt in discussie gebracht en verschillende gevoelens worden open!baar. De zaak schijnt echter allen goed toe. Sommige broeders wilden, dat deze Synode een oommissie zal benoemen van 5 leden die zich met nog 5 leden kan versterken, om een bundel liederen van gereformeerd gehalte en van een liefelijke melodie te verzamelen tegen de volgende synode.
Anderen vinden er bezwaar in, dat zulk een poging direct van de synode uitgaat en vrezen, gedachtig aan de gezangen-kwestie, slechte gevolgen. Eindelijk verrijst een lichtstraal. Onze kerk is in nauwer contact met de vereniging voor gereformeerd onderwijs gekomen en op haar jongste vergadering zijn bereids enige stappen op deze weg gedaan. Met het oog daarop wordt het volgende voorstel gedaan en aangenomen: De synode, betreurende dat rijp en groen van zogenoemde christelijke liederen in omloop zijn, oordeelt het nodig de aandacht te vestigen op de commissie, die door de vereniging van gereformeerd onderwijs benoemd is om door tractaatjes het belang der vereniging te bevorderen en haar te verzoeken naar een bundel van ontwijfelbaar gehalte en met een goede melodie om te zien."
Tot zover dit verhaal.
Een volgend keer de toepassing.