Antwoord
1976-03-12
- Jaargang 20
- nummer 11
Antwoord
Ze kon de mensen slaan, die naar haar keken
omdat ze anders dan een ander was.
De ogen, die wel medelijdend leken
maar waar zij vaak nieuwsgierig in las.
Ze voelde zich een vogel, die, gevangen,
zijn vleugels stukvliegt in een ijzeren kooi.
Ze kon intens en machteloos verlangen
te zijn als andere meisjes, jong en mooi.
Ze was zo eind'loos moe van haar gedachten
die draaiden om zichzelf en haar gebrek.
En in de lange, slapeloze nachten
begon zij met de Heer een twistgesprek:
Waarom moest zij het zijn, die werd geboren
met deze handen, en met dit gezicht?
Of God niet wist wat zij soms aan moest horen,
dat dit haar drukte als een zwaar gewicht?
Tot God een antwoord gaf op al haar vragen:
Ik weet het wèl m'n kind, Ik ken je pijn,
Mijn lichaam werd eens aan een kruis geslagen
opdat jij straks voorgoed volmaakt zult zijn.
Uit: Een fluit in het riet - E. IJskes-Kooger
Uitgave Buijten & Schipperheijn – Amsterdam