Antwoord

1976-03-19
  • Jaargang 20
  • nummer 12
Gij hebt heden van de Here het woord aanvaard ...
En de Here heeft heden van U het woord aanvaard ...

Deutr. 26: 16-19

Misschien herinneren de wat ouderen onder ons zich nog wel, dat er in de tijd van de vrijmaking verschil van mening was over de vraag, wat toch wel de betekenis was van de woorden uit het oude doopsformulier, dat in alle verbonden twee delen begrepen zijn!
Waren daarmee nu de twee partijen in het verbond aangeduid, God en mens dus, of waren die twee delen de belofte en de eis in het verbond? Ongetwijfeld was volgens de tekst van dat formulier dat laatste de bedoeling. Dat zagen de bezwaarden van toen dus terecht in. Toch neemt dit niet weg, dat er in het verbond ook wel degelijk twee partijen zijn, te weten de Here en zijn volk, en dat, hoezeer ook het verbond gevuld is door de Here en zijn woord, er toch ook ruimte en aandacht is voor ons antwoord. Om deze twee partijen en hun beider woord gaat het in deze passage van het hoek Deuteronomium.

Nu is het waar, dat elke nadruk op de menselijke partij en zijn antwoord kan voortkomen uit een verkeerde gesteldheid van het hart.
Hierbij denk ik aan de onreligieuze zin, die je vandaag nog wel eens hoort: 'de mens is er ook nog'- alsof de mens in het verbond er voor op zou moeten passen, dat hem de kaas niet van het brood gegeten wordt. Tegenover een zodanige houding wil ik een ander woord in Deuteronomium laten horen: "Zwijg, Israël, en luister.

Heden zijt gij geworden tot het volk van de Here uw God. Daarom zult gij luisteren naar de stem van de Here uw God en zijn geboden en inzettingen onderhouden, die Ik u heden opleg." (27 : 9, 10) Hier bestaat het verbond aan mensen-zijde alleen maar in het zwijgend aanhoren van Gods Woord. Het antwoord krijgt hier geen liturgische vorm; het moet met het leven gegeven worden, met het doen van de wil van de Vader. Dit is dus een tekst, die gebruikt kan worden om het overwicht van het Woord van God in de eredienst te onderstrepen.
Het menselijk antwoord komt daar nooit evenwaardig naast te staan.

Maar dit gezegd zijnde constateren we dat die boven aangehaalde tekst over de twee sprekende partijen in het verbond toch nog in de Bijbel staat en om verwerking vraagt. Er blijkt uit dat aan het menselijke antwoord in het verbond een zeer belangrijke en eervolle plaats is toegekend. Er blijkt ook uit, dat de Here God er met mee tevreden is, wanneer wij dit antwoord geven met de daad van het leven naar Gods geboden. Hij stelt daarnaast prijs op een antwoord, dat ook werkelijk woord is, ja-woord waarmee we ons duidelijk uitspreken voor Hem, waarop we ons vastleggen tegenover Hem. De tekst zinspeelt op een plechtig liturgisch gebeuren, waarbij God en zijn volk zich wederzijds met een woord van trouw aan elkaar verplichten, zoals bij een huwelijksverbond. Letterlijk staat er: gij hebt de Here doen zeggen ... en de Here heeft u doen zeggen ...

Het is om deze redenen, dat ik in deze tekst een warm pleidooi beluister voor wat wij dan kennen als de kerkelijke instelling van de openbare belijdenis des geloofs.
Met de woord-daad van deze openbare geloofsbelijdenis verbinden wij ons publiekelijk aan de Here en zijn dienst. Wij geven dan ons woord aan de Here, nadat de Here zijn woord aan ons heeft gegeven. Dit geloofs-antwoord hoort wezenlijk bij het verbond.
Er moet dan ook met warmte en tederheid op aangedrongen worden, dat gedoopte kinderen bij het volwassen worden dit antwoord zullen geven, niet alleen door de daad van het naar de kerk gaan en door het tonen van belangstelling voor het dienen van de Here, maar ook door de opzettelijke en goed voorbereide daad van de openbare geloofsbelijdenis.

Men zou mij kunnen tegenwerpen, dat het in de tekst niet de persoonlijke gelovige is, die de Here zijn woord van trouw geeft, maar het volk, dat hier in het enkelvoud en dus als een sterke eenheid aangesproken wordt. Er zou derhalve aan de bedoeling van deze tekst al voldaan worden, wanneer in onze erediensten de gemeente gezamenlijk het christelijk. geloof zou belijden.
In dat gebeuren immers beantwoordt de gemeente haar Here met het ja van haar geloof.

Inderdaad is dat ook een gewichtig gebeuren in de liturgie. Wanneer ieder in de kerk dit moment bewust zou ervaren en met zijn hart zou vullen zou de overeenstemming met Deutr. 26 bereikt zijn.

Toch zien we iets belangrijks over het hoofd, als we zo te werk gaan.
Daar is de werkelijkheid van Israël's historie, de verbondsgeschiedenis.
Je mag zeggen, dat er in de loop van die geschiedenis een zwaard door de volksziel van Israël gegaan is. Met dat zwaard bedoel ik de prediking van de profeten, die scheiding maakte tussen gelovig en ongelovig Israël.
Zelf stonden de profeten vaak als eenlingen tegenover het volkstotaal en met degenen, die hun prediking geloofden, gebeurde hetzelfde, De ballingschap en haar nasleep tenslotte bracht de grote schifting, waarvan de profeten reeds gesproken hadden, toen ze zeiden dat slechts een rest zou omkeren en terugkeren. Sinds de profetische prediking dus was het behoren tot Israël meer dan voorheen aan een persoonlijke beslissing gebonden. Het zou de moeite waard zijn om eens uit te zoeken of het boek Deuteronomium aan deze werkelijkheid reeds recht doet, als het Israël afwisselt in enkelvoud (gij) en meervoud (gij lieden) aanspreekt. (Wat in de nieuwere vertalingen helaas niet meer te zien is.) Het volk Gods is een eenheid die gevormd is door persoonlijk toegetredenen, zou dan uit dit boek blijken. Een voorstelling waar het Nieuwe Testament bij aanknoopt.

Hiermee vecht ik dus een gangbare menging aan, volgens welke het Oude Testament collectief en het Nieuwe Testament individueel zou denken. We doen de werkelijkheid meer recht als we zeggen, dat binnen de volk-Gods-gemeenschap, die zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament voorop staat, reeds in het Oude en dan verder in het Nieuwe de persoonlijke gelovige gaandeweg duidelijker uit de verf komt. Tussen haakjes merk ik op, dat ik in de kerkgeschiedenis een soortgelijke ontwikkeling meen te zien.

M.i. kunnen we het zojuist gevondene niet verwaarlozen, als we de tekst uit Deuteronomium proberen te verstaan voor onze situatie.
Dat betekent dan, dat we behalve een gemeentelijk ook denken aan persoonlijk belijdenis doen, wanneer we hier lezen van het woord, dat de Here van ons wil aanvaarden. Gods volk, dat heden ten dage zeer goed bij een profetische rest vergeleken kan worden, wordt juist in onze tijd opgebouwd uit persoonlijk toegetredenen.

Hier ligt precies een gevoeligheid van onze jonge mensen naar de zijde van de geloofsbeleving bij de charismatische bewegingen van onze tijd. Wat hen daarin aanspreekt is het feit, dat ze tot een persoonlijke geloofsbeslissing worden uitgenodigd, Het bezwaar, dat daar een 'Wederdoop aan te pas komt, tellen zij niet. Volgens hen is uit hun kinderdoop toch veel te gemakkelijk afgeleid, dat ze christelijk waren of ooit we zouden worden. Te weinig ging in de kerk voor hen een persoonlijk appèl uit. Er was wel de openbare geloofsbelijdenis, maar die werd wat al te uiterlijk aan een bepaalde leeftijd verbonden: je bent nu ongeveer twintig jaar, zou je niet ... met de anderen mee ... ?

Ik denk dat de jeugd met deze kritiek niet helemaal ongelijk heeft. In ieder geval zie ik er een reden in om er krachtig voor te pleiten, dat wij als ouders en opvoeders de jongelui met warmte en tederheid tot die openbare geloofsbelijdenis zullen aansporen, omdat zij de gelegenheid bij uitstek is om in de gemeente van Christus heel persoonlijk te kiezen voor de Drieënige God, nadat deze eerst voor ons gekozen heeft.
Met andere woorden: er dient in de gemeente weliswaar geen scheiding, maar toch wel een duidelijk onderscheid te zijn tussen hen die wel en hen die niet deze belijdenis hebben afgelegd.

Het zal niemand verwonderen, dat ik van hieruit bedenkelijk aankijk tegen het opkomende gebruik om ook kinderen aan het avondmaal toe te laten. Het zal de charismatische kritiek op het kerkelijke vanzelfsprekendheidsgeloof versterken. Want hoe je het ook keert of wendt, kinderavondmaal ondergraaft het instituut van de openbare geloofsbelijdenis.
En daarmee gaat, juist in onze tijd, iets kostbaars verloren.
De opzettelijke daad van het antwoord geven is in geding.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief