De nijlbaars zie je overal terug
2012-09-15
Een zomervakantie die echt anders was dan anders. Dat was het voor twintig gemeenteleden van de NGK Amersfoort-Noord, die samen een opvanghuis voor weeskinderen in Kampala (Uganda) een opknapbeurt gaven. Het was een klus met veel kanten: schrijnend, chaotisch, maar ook hartverwarmend en niet zonder hoop.- Jaargang 56
- nummer 18
Vragen zijn er genoeg bij zo’n bouwproject in de derde wereld. Je reist als blanke (‘Mzungu’ op zijn Ugandees) voor een flinke duit af naar zo’n exotisch land om even het goede te zoeken voor een enkeling uit de massa, die in de marge van de marge leeft.
Om daarna weer terug te vliegen van daar naar hier. Een shot ontwikkelingshulp, zou je het kunnen noemen.
Of is het meer?
Mudjevol
Ik begin mijn verhaal even buiten Kampala, bij het beroemde Victoriameer.
Dat is een immense waterplas (anderhalf keer de oppervlakte van Nederland) met even kostbare als kwetsbare flora en fauna. Dat laatste werd pijnlijk duidelijk toen men rond 1960 een vis van elders (de nijlbaars) uitzette in het meer. Dat werd zo’n ‘succes’ dat het hele ecosysteem van het Victoriameer binnen enkele decennia onherstelbaar beschadigd raakte. En ook sociaal-economisch werkte het door, want de export van gevangen nijlbaars spekte wel de handige bovenlaag, maar de vele plaatselijke vissers profiteerden er niet van.
Integendeel!
Het was apart om te merken hoe geregeld ik tijdens mijn verblijf in Uganda moest denken aan dat verhaal van de nijlbaars en het verstoorde leven. Al rijdend door Kampala bijvoorbeeld.
Overal mensen, boda-boda’s (motortaxi’s), auto’s, bussen en uiterst matige wegen, met soms vervaarlijke kuilen. Een stad die niet veel meer is dan een aaneenschakeling van wijken, mudjevol gebouwd met in elkaar geflanste huisjes en hutjes. En geen straat ontbreekt het aan kraampjes en krotjes, waar de handelswaar ligt uitgestald. Officieel leven er in de stad ruim 1,5 miljoen mensen, maar volgens ingewijden loopt de teller dagelijks op tot 4 miljoen.
Kampala is een stad van overleven, zoals de meeste derdewereldsteden.
Een stad zonder veel structuur. Ook sociaal gezien, zodat meisjes van 15 of 16 al weer moeder worden en mannen niet zelden bij drie of vier vrouwen kinderen hebben.
Het is een verbijsterende gedachte dat de hoofdstad van Uganda in nauwelijks een eeuw tijd is uitgerold over al die groene heuvels. En nog dagelijks wint het hakmes het van het omringende oerwoud!
Is Kampala niet gewoon het verhaal van de nijlbaars, denk je dan. Met een hoofdrol voor de technisch superieure Mzungu’s, die het twee eeuwen geleden te zeggen kregen in Uganda en de oude structuren ingrijpend verstoorden. Met als gevolg een ongekende bevolkingsgroei en steden die in hyperkorte tijd groot groeiden, zonder ooit echt een stad te worden.
Nagellak en voetbalplaatjes
In dat Kampala werkten we dus als ingevlogen Mzungu’s aan een huis met de mooie naam Nafasi, ‘kans op een thuis’ (zie www.kajanafasi.org).Daar worden maximaal twintig jonge kinderen tijdelijk opgevangen, kinderen die zelfs de meest minimale ouderlijke zorg moeten missen. Het doel is een definitief onderkomen voor de kinderen te vinden, als het even kan in de kring van de familie, maar zo nodig wat verder weg.
Het project, opgezet door een Nederlands echtpaar, is in november 2011 gestart, maar de aanpak is veelbelovend.
Het is kleinschalig, met niet meer kinderen dan financieel verantwoord is.
Rond dat Nafasi-huis heeft de groep uit Amersfoort een beschermende muur opgehoogd, een garage tot kantoor omgebouwd en de groentetuin flink uitgebreid. Verder kwam er een ‘handmade’ wipwap en een zandbak voor de kinderen. Dat alles in eendrachtige samenwerking met Afrikaanse bouwvakkers.
Mooi werk! Maar zit je met zo’n shot ontwikkelingshulp niet gewoon op de vertrouwde positie van de Mzungu met zijn geld, die weet hoe het moet en hulpverlenend ingrijpt in een door en door Afrikaanse wereld? Want Afrikaans is het, of je nu samenwerkt met bouwvakkers in Kampala of bivakkeert tussen de boeren in één van de dorpjes.
Alles gaat relaxt, dus het duurt even voordat de dingen anders gaan – als ze al anders gaan. En ook als dingen veranderen, dan gaan ze ‘Afrikaans anders’.
Moet je daar als Mzungu wel iets aan doen, denk je dan. Bijvoorbeeld door een paar van die (wees)kinderen met stevige financiële steun uit Nederland uit de prut te trekken en voor hen een nieuw onderkomen te zoeken?
Iets doen voor slechts een enkeling uit Kampala, omdat je machteloos staat tegenover de vele tienduizenden stadskinderen, voor wie het leven even hopeloos oogt? Help je op zulke momenten zo’n Afrikaanse samenleving of verstoor je juist wat er aan structuur is of groeit? Dat gevoel werd nog eens versterkt op de momenten dat we met onze aardigheidjes op de proppen kwamen. De flesjes nagellak – losgepeuterd bij de Etos – en dozen met overgeschoten EK-voetbalstickers, die we van de grootgrutter mochten uitdelen.
Zulke presentjes vonden natuurlijk gretig aftrek onder de kinderen, maar wat voor mechanismen zie je op zulke momenten ontstaan? Toch die van de blanke weldoener en de kleine zwarte bedelaar – niet eens veel anders dan in koloniale tijden. Hoe kom je daar bij weg, zo dacht ik meer dan eens.
Gevangen?
Lastig om zo’n ingevlogen helper te zijn. Ook omdat je de zaken zo graag eens echt grondig zou willen aanpakken.
Op die zaterdag bijvoorbeeld, toen we met een deel van de groep een soort kinderopvoedingskamp bezochten, tientallen kilometers buiten Kampala. Als je niet beter wist, zou je denken dat het een gevangenis was!
We troffen er een paar honderd kinderen aan in de leeftijd van 2 tot 18 jaar, veelal straatkinderen uit Kampala.
Telkens als er weer een lichting van de straat is geplukt door de politie, verblijven ze de eerste weken in een kale afgesloten zaal, zonder stoel of matras, met nauwelijks sanitaire voorzieningen.
Ze lopen rond met ontbloot bovenlijf, om de eventuele onwilligheid te breken.
Sommige van de kinderen lijden aan schurft of hoofdluis, of zelfs tbc. En meer dan één maaltijd per dag zit er niet in.
Hoe is zoiets mogelijk, denk je dan.
We kwamen er binnen dankzij een Belgisch echtpaar van evangelische snit, dat er wekelijks komt. Die Belgen brachten met hun enthousiasme en concrete hulp nog een beetje hoop op deze uitzichtloze plaats (zie www.kampiringisa.org).
Zo’n situatie vraagt om ingrijpen, om een structurele aanpak. Maar dat gaat meestal niet. Je bent niet meer dan een ingevlogen Mzungu, die niet zit op de stoel van de Ugandese overheid en niet geroepen is om de verantwoordelijkheid van welke Afrikaan dan ook over te nemen. We moeten eerst maar eens ruimte maken voor onze Afrikaanse naaste en kijken waar ze zelf al mee bezig zijn. Rustig de initiatieven afwachten van de gewone Ugandese man of vrouw, eenvoudig bouwen vanaf de grond, heel lokaal en heel kleinschalig. Want voor je het weet, zit je als Mzungu de Afrikanen weer in de weg met je geld en je weetjes.
En dan krijg je toch ergens weer dat verhaal van de nijlbaars! Nu niet als de koloniaal van voorbije eeuwen, die vooral zijn handelswaar kwam halen en allerlei bestaande structuren naar de knoppen hielp, maar als de hulpverlener die van alles komt brengen waar nauwelijks om wordt gevraagd.
Inbreng die wel eens meer zou kunnen hinderen dan helpen en waarbij verantwoordelijkheid zo maar in witte handen komt te liggen.
Toch is er ook een andere plaatje, van een beker met koud water. Daarover verder in een tweede artikel.
Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.