De belofte van de witte steen
2012-09-15
De gemeente van Pergamum wordt in Openbaring ‘een witte steen met een nieuwe naam’ beloofd. Het is een belofte die ongelooflijk actueel is in iedere samenleving waarin mensen wegzinken in de anonimiteit van de massa en verworden tot ‘nummer’. - Jaargang 56
- nummer 18
Er wonen op dit moment ongeveer 7 miljard mensen op aarde. In 1900 waren dat er ‘nog maar’ 1,6 miljard. In één eeuw is het getal dus verdrievoudigd.
Diezelfde ontwikkeling kunnen we zien in de stad Utrecht. In het jaar 1000 had de stad 1200 inwoners, in 1900 waren dat er 100.000 en in 2000 waren dat er 300.000. De statistieken laten een enorme stijging zien en die stijgende lijn zal zich, voor zover wij kunnen voorspellen, zeker voortzetten.
Maar het is niet alleen een kwestie van statistieken. Het laat zich ook voelen.
Ik ben er zeker van dat het in het jaar 1000 best gezellig was om in Utrecht te wonen. Ook al hadden ze een fiks aantal andere problemen, eenzaam was niemand en men kende elkaar, zoals dat nu nog in een klein dorp ervaren kan worden. In het Utrecht van vandaag zal niemand je groeten en kijkt men vreemd op als je het wel doet. Je voelt je veeleer in de grauwe massa wegzinken.
Dit heeft een diepe uitwerking op ons zelfbesef. Wij voelen ons één van de velen. Een naamloos sofinummer. Men heeft becijferd dat een ambtenaar in de stad Londen in één dag meer mensen tegenkomt dan een middeleeuwse boer in zijn hele leven. Zoiets werkt averrechts.
Je brengt het niet op om echt contact te maken.
‘Massificatie’ leidt tot anonimiteit en sociale isolatie. In Utrecht is daar onderzoek naar gedaan. 7 procent van de inwoners gaf aan zich ernstig geïsoleerd te voelen en daaronder te lijden.
Vooral dat laatste intrigeert. Want dat ‘lijden’ gaat gepaard met gevoelens van zinloosheid. Waar dien ik nu nog voor? Waar hoor ik bij? Doe ik ertoe?
Tempelcomplex
In Openbaring 2:17 wordt aan de gemeente in Pergamum een belofte gegeven die precies op deze vragen ingaat.
‘Wie overwint, hem zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet, dan die hem ontvangt.’ Wat was er aan de hand met deze gemeente dat Jezus uitgerekend aan hen deze belofte geeft? Dat lezen we direct in de aanhef van de brief: ‘Ik weet waar gij woont, daar waar de troon van de satan staat.’ We weten dat Pergamum het centrum was van de keizercultus in dat deel van Klein-Azië. Pergamum had op een berg midden in de stad een enorm tempelcomplex. Dat was eerst gewijd aan Zeus, maar toen Augustus ‘de Verhevene’ aan de macht kwam, werd het gewijd aan de keizer. Van heinde en verre trokken de mensen naar deze tempelgebouwen om de keizer offers te brengen.
De keizercultus was echter geen vrijblijvend, onschuldig bedrijf. De keizer beloofde zijn burgers de Pax Romana; de Romeinse vrede, bescherming en welvaart. Maar dan moesten zij hem wel goddelijke hulde bewijzen, hun vrijheid opgeven en zich geheel en al onderwerpen aan zijn totalitaire macht. Zo werden zij pionnen op zijn schaakbord.
Een pion is naamloos. Misschien dat u nu begrijpt waarom Jezus juist deze brief met deze belofte afsluit. Overal waar een totalitaire macht de mens in zijn greep krijgt – of het nu gaat om een despotische vader, een dogmatische kerk of een politiek machtsapparaat – daar voelt de mens zich niets anders dan een radertje in een machine. Een naamloos nummer.
Zelfkennis
De brief stelt het rijk van Jezus Christus in scherp contrast met het rijk van de keizer. Direct in de aanhef verschijnt Jezus met ‘het scherpe, tweesnijdende zwaard’, het symbool van Augustus.
Augustus wordt altijd afgebeeld met dwars over zijn lijf een enorm lang, scherp, tweesnijdend zwaard. Jezus verschijnt hier met eenzelfde zwaard.
Proeft u de ironie? Alsof Hij wil zeggen: ‘Ik ben de echte keizer, in macht ga ik Augustus ver te boven.’ Waar Hij aan de andere gemeentes verschijnt als sleuteldrager, goede herder en advocaat, daar verschijnt Hij aan Pergamum als de machtige imperator.
Toch verschijnt Jezus niet – zoals de Joden tijdens zijn leven op aarde verwachtten – als de Heer voor wie alles moet wijken, de Heer die desnoods een leger op de been brengt om de dingen naar zijn hand te zetten. Jezus presenteert zich als de keizer die ieder bij name kent. Waar Hij verschijnt, zien we een man die werkt met individuen.
Hij brengt een nacht door met Nikodemus, gaat eten met Zacheüs en doorstaat de hitte van de dag voor een gesprek met de Samaritaanse vrouw.
En in al die contacten leren we Jezus’ geheim kennen: mensen durven in zijn nabijheid zichzelf te zijn. De gevierde prediker Nikodemus blijkt in zijn hart een twijfelaar te zijn. De keiharde belastingambtenaar Zacheüs blijkt een eenzaam man te zijn. En de Samaritaanse vrouw komt tot ware zelfkennis.
Jezus is een keizer die zijn mensen niet massaal beheert en bestuurt, maar die met iedereen persoonlijk contact zoekt. Zijn hoogheid gebruikt Hij om ieder terug te voeren naar zijn ware identiteit. In zijn aanwezigheid durven de mensen hun eigen slechtheid onder ogen te zien, omdat ze weten dat ze dwars door alles heen gedragen worden, niet verworpen. En tegelijkertijd durven ze hun eigen gaven te onderkennen en in te zetten. Minder- en meerderwaardigheidscomplexen vallen weg en mensen komen tot zichzelf.
Stenen
In het verlengde hiervan ligt de dubbele belofte aan het einde van de brief: ‘Wie volhardt, hem zal Ik geven het verborgen manna en de witte steen.’ Beide beelden voeren terug op Israëls woestijntijd. Het verborgen manna kreeg Israël toen het onderweg was naar het beloofde land. Dagelijks ontving het de voeding die nodig was om verder te kunnen gaan. Hier zegt Jezus: ‘Ik beloof aan u ieder persoonlijk het verborgen manna.’ Verborgen, want het speelt zich van binnen af.
Er zit iets intiems in dit beeld. Hij belooft ons zijn nabijheid, die ons uit de moeite opheft en ons opnieuw kracht geeft om voort te gaan. Hij is onze keizer, die voor ieder in de gaten houdt wat hij of zij dagelijks nodig heeft. Wie voor Christus kiest en volhoudt, krijgt onderweg bemoediging.
En op het eind van zijn weg ontvangt hij een witte steen. Ook dit beeld stamt uit de woestijntijd, toen God aan Mozes de beschrijving gaf hoe de hogepriester eruit moest zien. Hij moest een borstplaat dragen met twaalf edelstenen, met daarop de twaalf namen van de stammen van Israël. Zoals de hogepriester in het Oude Verbond die namen op zijn hart droeg bij zijn dienst in de tempel, zo draagt Jezus als de hogepriester van het Nieuwe Verbond de namen op zijn hart van de talloze schare, de 144.000, de twaalf stammen van Israël vermenigvuldigd met het werk van twaalf apostelen. Hij draagt ze niet als een naamloze massa, maar Hij kent ze allen bij name, tot in het diepste van hun wezen.
In aardse rijken worden namen uitgewist, maar in het rijk van Christus wordt het meest eigene van de mens eruit gehaald. Wie Jezus leert kennen, merkt dat hij door de omgang met Christus pas wordt wie hij eigenlijk is.
J.H. Bavinck zegt bij dit gedeelte: ‘Jezus nivelleert niet, maar Hij regenereert.’ Hij maakt mensen niet tot nummers, Hij maakt nummers tot mensen. Daarvoor is een witte steen nodig.
Gratie
Wit is de kleur van vergeving. Maar het beeld van de witte steen heeft ook een maatschappelijke achtergrond.
Soms werd in het Romeinse rijk gratie verleend aan ter dood veroordeelden.
De keizer liet dan een zak rondgaan waarin negen zwarte stenen en één witte steen zaten. Eén op de tien kon vrijspraak krijgen. De witte steen is de steen van allen die gratie krijgen. Gratie door het kruis van Christus.
Maar daarmee stopt het niet. Op deze witte steen komt een naam te staan.
Een naam die niemand weet dan wie hem ontvangt. Dat is voor mij het mooiste deel in de Bijbel. Er zal een dag komen waarop Hij het verborgen ik van iedereen zal ontsluiten. Op die steen wordt een naam geschreven die ons tot in onze diepste kern weet te treffen. Dat wat niemand weet en wat we ook zelf vaak alleen maar bij benadering vermoeden, ons allerintiemste levensgeheim. Een naam die alleen Hij begrijpt die ons gemaakt heeft en hij die hem ontvangt. Zo intiem en persoonlijk leidt de Here ons tot onze bestemming.
En ik maak me sterk dat als Hij die naam opgeschreven heeft, Hij een pas terugdoet en zal zeggen: ‘Zo is het goed, zo was je bedoeld, zo had ik je gedacht.’ God creëert geen kopieën, maar originelen.
Iedere steen, ieder mens apart zal zich opgenomen weten in het grote orkest van Gods nieuwe mensheid.
Geen twee instrumenten gelijk. Allen uniek, om zo gezamenlijk het magistrale concert aan te heffen waarmee we God zullen prijzen. Zo rijk en veelkleurig is de God die de mens schiep naar zijn beeld.
Kroonstuk
Wie is de mens? Zijn wij mensen robots, onbetekenend en naamloos? Als je je blindstaart op de massa en de statistieken wel. En als je let op de Caesars van deze wereld, dan zou je het soms gaan vrezen. Maar je moet alleen letten op wat God van je denkt. Dat heeft Jezus duidelijk gemaakt met dit beeld van de witte steen met een naam erop.
Volg de Caesar niet na, laat je niet imponeren, maar volg Jezus Christus na.
De wereld is vol Caesars. Waar zij gevolgd worden, worden mensen nummers. Maar wie kiest voor Jezus mag weten dat er iemand is die niet rust voordat Hij ieder van ons heeft gevoerd naar dat uiteindelijke scheppingswerk dat God in ons allen wil volmaken, totdat we het kroonstuk van zijn schepping zijn geworden.
Het is ongelofelijk wat dit belooft voor eigentijdse problemen. Het zet bijvoorbeeld de toon voor een goede opvoeding. Zoals dr. Terruwe steeds weer duidelijk maakte (zie Leen mij je ogen): kinderen hebben het nodig dat ouders hen ‘bevestigen’, hen helpen te ontdekken wat bij hen hoort en wat hun uniekheid is.
En denk eens na wat dit kan betekenen in de grotestadspolitiek: wie gelooft dat ieder mens een eigen, unieke persoonlijkheid heeft, zal zeker meehelpen aan het opzetten van ‘pilots’ om sociale isolatie tegen te gaan. In Utrecht is er nu een aantal van zulke proefprojecten gaande. Ze helpen om dit in de inleiding geschetste levensgevoel te signaleren en creatieve ideeën te propageren.
De meest creatieve bemoediging ligt in de belofte van de witte steen. ‘Haal de engel eruit die erin zit’, zei Michelangelo toen hij stond te hameren op een rots.
Drs. Wim Rietkerk is emerituspredikant in de NGK en sinds 1971 betrokken bij het werk van l’Abri in Nederland en daarbuiten.
| Bijbelleessuggesties: 1 Korintiërs 15:48-50 Johannes 10:3 Romeinen 8:29 Galaten 4:19 Om over na te denken/gespreksvragen: 1. Heeft u zich wel eens een nummer gevoeld? Wanneer? 2. Bij Christus mag u worden wie u werkelijk bent. Kunt u dit vanuit uw eigen leven beamen? 3. Waar wordt hier iets van zichtbaar in uw gemeente? Stad? 4. Is echte groei en verandering mogelijk? Hoe? |