Doop: Woord èn antwoord

1976-03-26
  • Jaargang 20
  • nummer 13
De doop, die ...een bede van een goed geweten tot God is.

1 Petr. 3: 21

Het is niet overbodig om op het vorige week te berde gebrachte nog wat verder door te gaan. Te gemakkelijk wordt onder ons wel gezegd, dat de instelling van de openbare belijdenis des geloofs een menselijke is en dat we daar in het Nieuwe Testament niets over kunnen lezen. We vergeten dan dat hetzelfde gezegd kan worden van de kinderdoop. Nergens wordt die in het Nieuwe Testament met zoveel woorden geleerd. Wel kunnen we zeggen dat zuigelingenbesprenkeling een vrome en juiste gevolgtrekking is uit het geheel der bijbelse gegevens. Tenminste, ze is dat op één voorwaarde: dat namelijk aan de kinderdoop het belijdenis doen op latere leeftijd verbonden wordt. Die twee hangen onverbrekelijk samen. Alleen sámen zijn ze als juiste conclusie uit de gegevens der Schrift te verdedigen. Wie ten aanzien van het belijdenis doen vraagt: waar staat dat?, kan zich moeilijk verdedigen tegen hen, die ten aanzien van de kinderdoop dezelfde vraag stellen.

De hierboven aangehaalde tekst (waarover ik wel eens breder heb uitgeweid, zie Opbouw zomer '73) laat zien, dat doop en belijdenis zeer nauw samenhangen. Dat is eigenlijk nog te zwak gezegd. Je geloof belijden is een wezenlijk onderdeel van je doop. Een onderdeel dat in een gegeven situatie zoveel aandacht kan krijgen, dat de doop wel uit niets anders lijkt te bestaan. Zo zegt Petrus hier dat de doop een bede van een goed geweten tot God is. Het is duidelijk dat de doop hier verschijnt niet als het zichtbare Woord van God - zoals wij gewend zijn de doop te zien - maar als het zichtbare antwoord van ons, Het gebed immers is menselijke daad van onze kant en uit het noemen van het geweten blijkt dat het hier om het persoonlijk gebed gaat. Door je doop ben je een biddend mens geworden - het meest karakteristieke dat van een christen gezegd kan worden (vgl. Rom. 10 : 13-15).

Het is begrijpelijk dat de theologen van de pinksterbeweging deze tekst gebruiken om te laten zien, dat de christelijke doop een belijdenis-doop is. Dit tekstgebruik is niet ten onrechte. Wel is de voorstelling van de doop als belijdenis-doop eenzijdig. Er valt meer van te zeggen. Zelfs het meest wezenlijke is dan nog niet onder woorden gebracht. Niet ons antwoord, maar Gods Woord is de belangrijkste vulling van de doop. Het waterbad is, zoals Paulus zegt, voor alles waterbad met het Woord (Ef. 5 : 26). De naam van Vader, Zoon en Heilige Geest wordt door middel van de besprenkeling op ons gebracht, met de daarin besloten heilsinhoud.
die zo zuiver in het oude doopsformulier onder woorden is gebracht.
Dat staat dus voorop. En vanwege het overwicht van het Woord als vulling van de doop is kinderdoop mogelijk. Maar, inderdaad, de doop is dan ook uitdrukkingsmiddel van ons geloofsantwoord en als zodanig zichtbare belijdenis, zichtbaar gebed van een goed en gereinigd geweten tot God.

Woord van God en antwoord van ons zitten dus beiden opgesloten in de doop. Die twee kanten kunnen nu echter door de kinderdoop niet allebei tot uitdrukking worden gebracht. De kinderdoop is alleen gevuld met het beloftewoord van God, niet met het geloofsantwoord van de gedoopte.
Ook het ja-woord van de ouders mag zo niet uitgelegd worden.
Daarom wacht de kinderdoop nog op een vervolg: de afrondende daad van- de persoonlijke geloofsbelijdenis.
Pas als die belijdenis is afgelegd kan iemand in de volle zin des woord een gedoopt christen heten. Ik begrijp, dat er onder ons zijn, die de wenkbrauwen fronsen bij dat 'in de volle zin des woords', alsof ik terug zou willen naar de synodale leer omtrent de volle en niet volle doop. Maar dat bedoel ik niet. Van God uit is de kinderdoop geheel gevuld en wel voor ieder kind dat gedoopt wordt.
Maar het antwoord-stuk ontbreekt aan de kinderdoop. Deze is daardoor als doop onvolledig, omdat het antwoord-stuk er wezenlijk bij hoort.

Onlangs vertelde iemand mij een pinkstergemeente met een vrij-gemaakt meisje, waarin een kengesprekje van een leider van een merkende kortsluiting zat. De man vroeg: "Ben je een kind van God?" Het meisje: "Ja, want ik ben als kind gedoopt." De pinksterleider nam daarin aanleiding om verachtelijk te doen over de kinderdoop. Geheel ten onrechte.
Maar anderzijds, bij de vraag: ben je een kind van God, wordt behalve naar het Woord van God, dat ons het kindschap belooft, toch ook naar het beamend antwoord van ons geïnformeerd. En nog eens, dat antwoord zit niet in de kinderdoop opgesloten. Mij geeft daarom het opkomen van de pinksterbeweging onder ons aanleiding om op dat antwoord nadruk te leggen. Niet ten koste van het Woord, maar juist uit eerbied voor Gods Woord, dat om ons antwoord vraagt. Vandaar mijn pleidooi voor een zeker eerherstel aan het instituut van de openbare geloofsbelijdenis, dat onder ons niet altijd even serieus genomen is.

Van hieruit wil ik nu opnieuw, (zoals de vorige maal) een oversteekje naar het kinderavondmaal wagen: Het zal wel op weinig tegenstand stuiten, wanneer ik zeg dat de maaltijd des Heren voor gedoopte christenen is. Maar voor mij (zie boven) is een gedoopt christen iemand in wiens leven de doop een plaats heeft als zichtbaar Woord van God èn als zichtbaar antwoord van hemzelf. Als Woord-en-antwoord-christen heeft hij toegang tot de tafel des Heren.
Niet eerder. Want in het avondmaal zit, nog meer dan in de doop, een menselijk antwoord-stuk.
Avondmaal vieren is nog meer dan de doop een daad van belijdenis.
Alleen, dat zit er bij het avondmaal meer impliciet in opgesloten.
Het is een dáád-werkelijke gemeenschapsoefening met de Here.
Het antwoord krijgt er geen persoonlijke stem.

Zeker, ook het avondmaal is voor alles gevuld van God uit, bepaald door zijn heilswoord, dat zichtbaar en tastbaar aan ons voorgesteld wordt. Maar, meer dan bij de doop nog, zit daarnaast in het avondmaal een duidelijke geloofsactiviteit van onze kant. "Neemt, eet, gedenkt en gelooft" - zegt de Here in het avondmaal en dat zijn aansporende woorden, die bij de doop kenmerkend ontbreken.
De doop is een gebeuren dat je ondergáát. Het avondmaal heet een 'doen'. Echter, deze geloofsactiviteit aan het avondmaal heeft niet een duidelijk antwoord-karakter. Het is meer daad dan woord. Daarom is een stuk duidelijkheid gewonnen, wanneer aan die belijdenis-dáád aan het avondmaal het persoonlijke en bewuste belijdenis-wóórd voorafgaat. Dat is eerlijker, geloof ik. Het avondmaal krijgt anders iets tersluiks en de viering ervan wordt gedragen door een gevaarlijk understatement: hij neemt en hij eet en dus zal hij wel gedenken en geloven. Waar komt toch die antwoord-schuwheid onder ons vandaan? Wat is er tegen om alvorens dáden van belijdenis te stellen, eerst duidelijke en klare wóórden van belijdenis te spreken?
Ons geloof is toch geen stille pantomime? "Ik heb geloofd en daarom heb ik gesproken" (2 Cor. 4 : 13). Natuurlijk weet ook ik, dat een kind kan geloven. Het kan dat zelfs voorbeeldig. Verder kan een kind ook spreken, met een geloofsvrijmoedigheid die ouderen vaak beschaamd maakt. Maar één ding kan een kind typisch niet: z'n woord geven.

Er is dus alles voor te zeggen, dat tussen de kinderdoop en het avondmaal de woord-daad van de openbare geloofsbelijdenis plaatsvindt. Als afsluiting van de doop en als voorwaarde voor de belijdenisdaad van het avondmaalvieren.
Misschien zou er iets voor te zeggen zijn om dit belijdenisdoen in twee fases te laten geschieden: de eerste, waarbij men zich op wat jongere leeftijd met overtuiging aan Christus verbindt, en de tweede, waarbij men op iets rijpe leeftijd treedt inde rechten en plichten van het kerklidmaatschap.
Maar dit is bijzaak. Hoofdzaak is dat in een kerk die kinderen doopt de instelling van de openbare geloofsbelijdenis als onderdeel van de doop zelf volstrekt ernstig genomen wordt.

Dit standpunt getuigt ook van bescheidenheid en terughoudendheid tegenover de opgroeiende kinderen. Ik kan het niet helpen, maar ik zie er iets opdringerigs in, wanneer ouders hun kinderen het brood en de wijn van het avondmaal in de mond stoppen. Het getuigt van weinig respect voor hun eigen persoonlijke beslissing die ze moeten nemen, wanneer ze daarvoor rijp zijn en ten naasten bij kunnen overzien wat ze doen.
Kinderdoop - dat kun je als ouders maken tegenover je kroost.
Want kinderdoop is een conclusie uit het belofte-woord, dat God over de levens van onze kinderen gesproken heeft. Maar kinderavondmaal is niet een conclusie uit het Woord, maar een vooruitlopen op het antwoord. Wat zij persoonlijk moeten zeggen, maken we dan vanzelfsprekend. Dat zullen juist de kinderen die het rond hun twintigste nogal moeilijk hebben met het geloof, ons niet in dank afnemen, evenmin trouwens als een aangeprate belijdenis.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief