Psalm 116

1976-04-02
  • Jaargang 20
  • nummer 14
• Oude èn nieuwe berijming

"God heb ik lief, want die getrouwe HEER ... ": ieder kent die regel, zelfs de "kinderen van de nieuwe berijming", want deze regel heeft de vernieuwing overleefd.
Ondanks alle inconsequenties zeg ik: gelukkig! Want ik heb er begrip voor dat een psalm in bepaalde bewoordingen iemand dierbaar is geworden. En alle liturgische inconsequenties neem je dan maar eens op de koop toe. Dat komt dan precies overeen met deze psalm "in het oorspronkelijk", waarmee bedoeld is: in het hebreeuws.
Het merkwaardige is namelijk dat deze psalm werkwoordsvormen kent die precies zo voorkomen in overoude liederen ah Ex. 15, Ps. 90 en 91, liederen die mogelijk alle drie aan Mozes mogen worden toegeschreven; terwijl daarnaast zgn. arameïsmen voorkomen, taalvormen uit de tijd van de ballingschap of nog jonger.
Oud en nieuw pal naast elkaar in een en dezelfde psalm.
Niet graag zou ik iets afdoen aan de gevoelswaarde die dit lied voor velen heeft gekregen. 't Tegendeel is het geval: liefst zou ik deze psalm zó verklaren, dat ieder met nog meer vreugde zichzelf daarin terugkennen zal.

• Liturgische verklaring

Lees je Psalm 116 op zichzelf, als losse psalm, 'dan blijven er heel wat vragen openstaan, Vragen zoals: wie was de dichter? Waarom zegt hij: banden des doods hadden mij omvangen - was hij ziek geweest?
Vragen zonder antwoord.
Maar Ps. 116 is geen losse psalm: in Israëls liturgie maakt hij deel uit van een kleine bundel liederen.
De psalmen 113 tot en met 118 vormen het zogenaamde Hallel, dat op de grote feesten en met name op het Paasfeest (Mt. 26 : 30) werd gezongen: 113en 114 v66r, en 115-118 ná de paasmaaltijd.
Die samenhang is goed te volgen.
Weliswaar schijnt Ps. 113 nog wat vaag, maar 114 noemt duidelijk het thema: de uittocht uit Egypte en de reis door de woestijn. In Ps. 115 wordt de eer daarvoor toegekend aan de HERE. Vergeleken bij Hem zijn de goden (van Egypte bijv.) minder dan niets: de egyptenaren mogen het uitschreeuwen van ellende, maar hun afgoden zijn doof en blind. Gelukkig is alleen wie in Jahweh's zegen deelt (Num. 6 : 22-27).

• De geschiedenis spreekt voor zichzelf

Psalm 116 sluit daar vanzelf bij aan. Al deze psalmen worden gekenmerkt door het "halleluja", letterlijk vertaald: looft, prijst Jahweh. Van die naam is ook deze psalm vol. Geen wonder: juist bij de uittocht heeft God zich met deze naam bekend gemaakt (Ex.
3 : 11 v.v.). Hij betekent: Hij los er, Hij is present. Welnu, Israël bekend met Egypte's goden en hun ondergang (Ex. 12 : 12; Num. 33 : 4) - verklaart en belijdt: ik heb (Jahweh) lief. En "liefhebben" is ook: de voorkeur geven aan, een keus doen voor Hem.
Daar heeft het, zo zegt de tegenstem, alle reden voor: Hij hoort mijn luide smekingen (en doet er wat aan). Leg daar Ex. 2 : 23-25 maar eens naast: "de Israëlieten zuchtten nog steeds onder de slavernij en schreeuwden het uit.
En God hoorde hun Macht ...
en God had bemoeienis met hen.
Israëls God is niet doof en blind.
Dat brengt Israël tot de verzekering: mijn leven lang zal ik Hèm aanroepen.
Eén ding stond farao voor ogen: de uitroeiing van Israël (Ex. 1 e.v.!). Vandaar: banden van de dood hadden mij omvangen, angsten van het dodenrijk hadden mij aangegrepen, ik ondervond benauwdheid ,en smart. Geen wonder!
Maar: ik riep de naam van Jahweh aan - ach Jahweh, red mijn leven ...

• De geschiedenis spreekt van Jahweh

Niet tevergeefs, aldus weer de eerste stem: genadig is Jahweh èn rechtvaardig (ook tegenover de moordlustige Egyptenaren) ... En de tegenstem: hij waakt over (bewaart) "de eenvoudigen" - eigenlijk: onervaren. Was Israël als volk niet jongen onervaren bij de uittocht?
Hoor: ik was "verzwakt": na de eerste schreden waren de benen van schrik verlamd. De Rode Zee vóór zich, farao’s leger achter zich: wat nu? Maar: Hij heeft mij verlost!
Hier hetzelfde woord als in de naam Jozua/Jezus: Jahweh redt Daarom (2)0weerde eerste stem) kan Israël bijkomen van de schrik en tot rust komen: Jahweh heeft u welgedaan. En weer stemt de tegenstem in: zo Is het - want Gij hebt mijn leven van de dood gered, mijn oog van tranen, mijn voet van aanstoot (vgl. Ps. 91 : 12; 105 : 37). Verlost uit de dood(sangst) zal Israël wandelen, verkeren, de tocht vervolgen onder Gods wakend .oog in de landen der levenden!

• Jahweh doet van zich spreken!

De korte verklaring waarmee het lied begon bij monde van de eerste stem ("ik heb lief"), krijgt nu een even kort vervolg: ik geloof! ik ben een en al vertrouwen. Dat spreekt, zo voert de tegenstem aan, boekdelen - het was immers zo: ik zei bij mijzelf: ik ben diep terneergeslagen; ik sprak in mijn angst: alle mensen zijn leugenaars, bedriegers. Je kunt niet op ze aan.
Op Farao niet, die elke keer beloofde: ik laat je vrij. Op Mozes niet, die ons vrijheid beloofde (vgl. Ex. 5 : 19-21; 14 : 10-12). Ach, wie zal ze hun vertwijfeling kwalijk nemen? Maar Jahweh bedroog hen niet - daar kunnen ze nu "amen" op zeggen!

• Israël spreekt van Jahweh

Blijft de vraag: hoe zal ik Jahweh vergelden al zijn weldaden (vs 70 jegens mij? Misschien zouden wij verwachten: met een groots offer.
Maar Israël, nu verlost van het klappen van de zweep, weet van feestvieren, van "eten, drinken en vrolijk zijn": de beker der verlossing (vs 6!) zal ik opheffen - bij het pascha - onder aanroeping van de naam van Jahweh! Niet ons, 0 Jahweh, niet ons, maar uwen naam geef eer ... (Ps. 115 : 1). En bij elk nieuw paasfeest is de beker meer gevuld, met verlossing op verlossing: ieder kan daar zijn eigen dankbaarheid aan toevoegen, des te meer nu de beker terecht gekomen is op de tafel van de avondmaals-viering!
In hun angst en vrees had Israël Jahweh geloften gedaan: die gaan nu betaald worden. In de tegenwoordigheid van al zijn volk: iedereen mag er bij zijn en meegenieten.
Het is immers "zijn volk" dat deelde in de weldaden? Jahweh laat zijn volk, zijn gunstgenoten niet zomaar omkomen (vs 15)!

• Het halleluja der slaven

Naar Ex. 12 : 26-28 en Deut. 6 : 20-25 moet de israëlitische huisvader de pascha-viering aan zijn kinderen verklaren met het verhaal: wij waren slaven van Farao in Egypte ... In deze psalm verklaart Israël: ach Jahweh, waarlijk, ik hen uw slaaf, ik hen uw slaaf, de zoon van uw slavin.
Uw slaven - van geslacht op geslacht ... Van de ene slavernij in de andere?
Maar: Gij hebt mijn banden losgemaakt!
Israël heeft nu de handen vrij ... om voortaan Jahweh te dienen in alle vrijheid! Is Hij trouw aan zijn gunstgenoten Israël wil Hèm trouw zijn. De lofoffers en de aanroeping van Zijn naam mogen het bewijzenbij wie anders zullen ze hun heil zoeken?
En dat, opnieuw, in de tegenwoordigheid van al zijn volk.
Want feest vieren en Gold dienen doe je niet op je eentje, maar samen met al de anderen: 'samen was je bang, samen werd je blij!
Dat blijft gelden, ook als straks de tent vervangen is door de tempel en de voorhoven volstromen met feestgangers - het lied en de lof gaan mee en passen zich liturgisch aan In een stenen tempel hoeft de lof niet te verstenen en kan een oude taal (berijming) zich nieuwe vormen aanmeten. De lof versteent alleen in een versteend hart. Maar als het hart vol is van Gods verlossing loopt de mond over - wat geeft het dan of het hebreeuws zich mengt met de aramees en twintigste-eeuws nederlands zich verweeft met achtiende-eeuws?
Hoe was het begin ook weer?
Ik heb (Jahweh) lief ... ik kies voor Hém!
Dan is het eind logisch: halleluja - éénstemmig!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief