TERUGBLIK

1976-04-02
  • Jaargang 20
  • nummer 14
• Huis-taal

Een rubriek als "kerkelijk leven" heeft voor mijn besef iets huiselijks, en ik wil graag duidelijk maken waarom. Elk huisgezin heeft zo zijn eigen stempel, zijn eigen karakteristieke gebruiken en zijn eigen woordenschat. Als dat laatste ontbreekt, las ik eens ergens, is er iets mis met het gezin. Daarom hoop ik dat u zichzelf herkent, als ik zeg dat in een gezin een bepaalde stereotype uitdrukking steeds weer aanleiding geeft tot hilariteit of ergernis. Voor een buitenstaander zegt zo'n uitdrukking niets, maar de gezinsleden hebben een gemeenschappelijke ervaring, herinnering, waardoor zij aan een half woord al voldoende hebben. Een bepaald woord wordt onmiddellijk geassociëerd, verbonden met een humoristische, lachwekkende of trieste situatie. Zulke woorden stempelen in zekere zin een huisgezin als een eigen vorm van samenleving: ieder begrijpt direct wat de ander met zo'n woord, zo'n zin bedoelt.

• Taal-eigen

Een kerkgemeenschap heeft bijna altijd iets dergelijks. 'Misschien kan ik voor het volgende trouwens beter de verleden tijd gebruiken: je hoefde maar een paar minuten naar de radio te luisteren om trefzeker te kunnen zeggen of je met een hervormde, een gereformeerde, een vrijzinnige, een vrij-evangelische of iemand van het Leger des Heils te maken had (u ziet: ik beperk me maar tot de N.C.R.V.).
We hadden allemaal zo onze typische eigenaardigheden en een half woord was al voldoende. Een "halleluja-hoed" was even typerend als "zwarte-kousen". Aan de hand van één uitdrukking kon je zelfs bepalen of iemand uit de protestantse dan wel rooms-katholieke hoek stamde. Hoorde je zeggen "op de eerste plaats", dan wist je hier is Rome aan het woord. Maar klonk het "in de eerste plaats", dan had je van doen met een protestant of (zoals een van onze kinderen het typeerde) een openbare.
U ziet: 't zijn vaak de kleine dingen die het doen. Maar voor mij zijn die kleine dingen wel vaak waardevolle dingen, en als ik het goed zie, geldt dat voor veel mensen.
Dat hier een gevaarlijke kant aan zit, ben ik mij overigens heel wel bewust.

• Vervreemding

De kennis van de goe-gemeente was vroeger gekoppeld aan de accent-verschillen, zoals je iemands herkomst kan raden aan de hand van dialect-resten. Je kon, zei men, ruiken of iemand thuishoorde bij de dolerenden of de afgescheidenen, of hij gestudeerd had aan de V.U. of aan de School in Kampen.
Een artikel uit de Reformatie was anders dan uit de Heraut, de Wachter of de Samenbinder. Ieder huisje had zijn eigen taaltje.
Het waren misschien "de barthianen", wat deftiger gezegd de dialecrioi, die daar de klad in brachten.
Hun woordgebruik was misleidend, zei men ons. Ze gebruikten nog wel de oude, vertrouwde termen, maar die waren gevuld met totaal andere begrippen. Als zij spraken over "Gods Woord", dan was dat wezenlijk iets anders dan wat de argeloze toehoorder daarin meende te horen. Maar je raakt zo wel in verwarring, en verwarring wekt wantrouwen; je weet niet meer waar je met iemand aan toe bent. De stem is Jacobs stem, maar ... Dat "maar" is belangrijk.
Het verraadt onzekerheid èn een zekere machteloosheid: hoe kun je er nu achter komen, dat je niet voor de gek wordt gehouden?
Over het algemeen ben je immers niet bij machte, ontbreekt het aan de nodige kennis, om iemand "thuis te brengen". Het was de verdienste van prof. dr K. Schilder, dat hij o.a. via "De Reformatie" probeerde de fundamenten bloot te leggen en de lezers de nodige informatie te verschaffen.
Jammer was, dat hij slechts een klein deel van het kerkvolk zo bereikte.
Natuurlijk siepelde er wel iets van door, maar over het algemeen kwam het niet veel verder dan dat je voor "de barthianen" op moest passen. Dat Karl Barth niet zonder reden zich verzette tegen een bijna alles overheersend rationalisme, kwam zodoende voor velen nauwelijks uit de verf.

• Bevreemding

Op een conferentie werd zo'n tien jaar geleden gesproken over moderne theologie, met name duitse, Het gehoor bestond uit predikanten.
Toch kwam ook daar de verlegenheidsvraag aan de orde. Je zou denken, dat zulke uitgesproken, moderne theologen, volledig schrift-kritisch ingesteld, zichzelf onmiddellijk zouden verraden.
Maar het vreemde, zo constateerde iemand, was dat in hun preken daar eigenlijk niets van te merken viel - een gereformeerde predikant zou ze met genoegen zelf gehouden hebben - hoe was dat mogelijk? Het antwoord op die vraag, herinner ik mij, bleef de vergadering schuldig. Men zat ermee en bleef er mee zitten - althans sommigen. Je kunt natuurlijk "domweg" (met alle respect mijnerzijds overigens) reageren met de opmerking: als zo'n preek. uit die en die theologische hoek stamt, deugt hij niet. Maar je kunt je ook afvragen (stel dat de preek anonym was): hoe valt zo'n preek te rijmen met zulke moderne theologie?
Ook hier de dubbele reactie. Botweg de zaak afdoen met een "wat modern is deugt niet". Of onzekerheid en verwarring: de stem is wel Jacobs stem, maar ... Dat laatste lijkt niet erg flink. Zeker niet als je deze of gene hoort beweren, dat je van iemand ah Barth bijv. ook nog wel ies goeds kunt leren. Dat maakt de achterdocht en de irritatie alleen maar groter.
En de stellingen worden nog vastberadener betrokken: wachter, blijf op uw post!

• Irritatie

De geïrriteerdheid werd er niet minder op, toen er boeken verschenen als "De parade der mannenbroeders" en "Het beeld der vaderen". Of het met "Het rijke roomse leven" net zo ging weet ik niet zeker. Maar die twee eerstgenoemde uitgaven verwekten, naast de nodige hilariteit bij de jongeren, nogal wat verontwaardiging bij de ouderen. Het was alsof de mannenbroeders opeens werden verguisd en het beeld der vaderen aan beeldenstormers was prijsgegeven, Dat in deze boeken een insider aan het woord was, maakte het alleen nog maar des te erger.
Waarom die storm van verontwaardiging?
Voor mijn besef is dat niet zo moeilijk te verklaren. Het hangt m.i. direct samen met het huiselijk karakter van onze kerkelijke samenleving.
Onze vaderen waren het die ons "kerktaal en -leven"
bijbrachten, waardoor wij aan een half woord voldoende hadden. Wij, d.w.z. de ouderen onder ons, kennen nog de samenhangen, weten nog van de sfeer waarin de dingen gezegd en gedaan werden. Dit alles, uit zijn verband gerukt, prijs te geven aan de openbaarheid, het uit te stallen voor buitenstaanders, grenst zo ongeveer aan heiligschennis en vervuilt ons met gène. Wanneer met emotie geladen woorden en begrippen - ja zelfs eeuwige beginselen - moeten dienen tot andermans vermaak, voelen we ons machteloos belachelijk gemaakt.
Die onmacht tot verweer leidt opnieuw, en nog heviger, tot irritatie.
En dat terwijl de innerlijke onzekerheid toeneemt: hebben we het dan allemaal zo verkeerd gedaan?

• Herkenning

Waarom ik deze dingen ophaal?
Niet om op de sentimentele toer te gaan, uit een nostalgische behoefte aan smartlappen in de boekenweek.
Wel omdat "Opbouw" dit jaar de twintigste jaargang is ingegaan. Met een enkele medewerker èn nog al wat lezers "van het eerste uur". Ook met lezers en medewerkers (hoop ik) van het laatste uur. Ouderen voor wie het verleden van het huiselijk kerkelijk leven een aureool heeft en jongeren die "de glorie van het eerste huis" (Neh. 3: 12) niet hebben gekend en er daarom ook niet naar terugverlangen. Voeg daarbij, dat in sommige streken (gemeenten), de oude huiselijke omgangstaal veel langer in ere blijft dan zeg maar in een "gemeente van ontheemden" als bijv. in Eindhoven.
Breng ook nog in rekening dat de onzekerheid of we nog wel hetzelfde bedoelen met dezelfde woorden, hand over hand toeneemt.
Dan begrijpt u, waarom zowel jong al", oud moeite blijken te hebben met een blad tot opbouw van het gereformeerde leven: op kerkelijk, op politiek, op maatschappelijk gebied, als het gaat om de verontrusten, het kerkverband. de C.D.A., abortus, euthanasie, vragen rond de eerste hoofdstukken van Genesis, de biologische dood, gezinsplanning, charismatische beweging, liedboek, psalm:berijming en zoveel meer. Leiding via "Opbouw" wordt verwacht of verweten.
Maar daarover volgende week meer!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief