JEREMIA

1976-04-02
  • Jaargang 20
  • nummer 14
Profeet (vervolg)

Wanneer het om het Woord van God en een opdracht van God gaat, zijn menselijke omstandigheden niet meer doorslaggevend. Dan doet het er niet meer toe dat je nog een broekje bent of dat je in vergelijking met degenen aan wie je Gods Woord moet doorgeven, in maatschappelijk opzicht of wat ontwikkeling betreft maar een dwergje bent. Want Gods Woord krijgt zijn gezag niet door jouw overwicht of door jouw persoonlijkheid, Het heeft zijn eigen gezag, ongeacht wie je bent en of je jezelf wel geschikt acht.
En wanneer je Gods Woord brengt en doorgeeft, wees dan maar niet bang. Want dan mag je ervan uitgaan dat God met je is. Wanneer je alleen naar jezelf kijkt, naar je eigen ontoereikendheid, naar de moeilijke omstandigheden, naar tegenstand en vijandschap, blijft Gods Woord in je keel steken. Dan komt er van je opdracht niets terecht.
En natuurlijk is God dan ook niet met je. Dan ben je helemaal aan jezelf overgeleverd en op jezelf aangewezen. God is met je als niet de omstandigheden, maar Zijn Woord en opdracht bij je centraal staan.
Dat bindt de Here Jeremia op het hart. Maar daar laat Hij het bij.
Hij zègt niet alleen: Ik geef je Mijn Woord en opdracht, maar Hij laat het Jeremia ook voelen. Jahweh raakt zijn mond aan en zegt: zie je nu wel, Ik leg Mijn woorden in je mond. Nu kun je zelf voelen dat Ik je opdracht geef (vs. 9).

Val en opstanding

In vs. 10 wordt de opdracht van Jeremia nog nader omschreven: Ik stel u heden over de volken en 'de koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten.
Opnieuw wordt duidelijk, dat Jeremia's opdracht verder reikt dan Juda. Gods Woord raakt ook mensen buiten de kerk. Ook als ze er niets van willen weten en eraan voorbij leven, worden hun bestaan en toekomst door dat Woord bepaald.
Wanneer, om maar een voorbeeld te noemen, de europese volken zich van Gods Woord afkeren, wil dat nog niet zeggen, dat ze er niets meer mee te maken hebben en er los van zijn. Zij kunnen dat Woord wel loslaten, maar Gods Woord laat hen niet los. Het bepaalt hun toekomst.
De volkeren en Israël trokken zich in Jeremia's dagen niets van God en Zijn Woord aan. Maar Gods Woord hield zich nog wel degelijk met hen bezig.
In welk opzicht bepaalt het Woord van God de toekomst van de voIkeren? Het doet dat door uit te rukken en af te breken, door te verdelgen en te verwoesten, door te bouwen en te planten.
Gods Woord kan een verwoestende kracht zijn. Dat klinkt niet erg lief en aardig. Maar het is wel realiteit.
Waar men Gods Woord verwerpt en negeert, is men er niet van af. Het blijft ah een Verwoestende macht boven zo'n leven hangen (vergelijk voor een aangrijpende tekening daarvan Zach. 5 : 1-4).
Het rukt zo'n bestaan af van zijn levenswortel. Het breekt het af en levert het over aan de vernietiging.
En zo zullen hele volken en koninkrijken door het Woord dat Jeremia spreken moet, hun ondergang tegemoet gaan. Maar gelukkig is Gods Woord ook een kracht die bouwt en plant. Dat doet het overal waar het aanvaard wordt in geloof, waar men zich eraan onderwerpt en zich eraan gewonnen geeft. Om dat laatste is het God te doen, want Hij heeft geen plezier in de dood van de zondaar.
Het evangelie wordt door Hem gezonden als een kracht tot behoud, tot redding voor ieder die gelooft (Rom. 1: 16). Maar als men zich niet wil laten redden door het evangelie, wordt het een kracht tot verderf.
Er zijn mensen die dat laatste hard en wreed en oudtestamentisch vinden. Het Nieuwe Testament spreekt toch heel anders, zeggen ze.
bedenken wat er van Christus gezegd wordt, Hij is gesteld tot een volk en opstanding van velen in Israël, zegt Simeon (Luc. 2 : 34). En Petrus zegt: Hij is geworden tot een hoeksteen en tot een steen des aanstoots en een rots der ergernis 1 Petr. 2 : 7, 8).
Helaas zijn er mensen, die niets van Christus willen weten. We zijn niet in Hem geïnteresseerd, zeggen ze. Hij laat ons koud, We willen niets met Hem te maken hebben, We maken ons los van Hem. Zijn ze dan ook los van Hem? Neen.
Door zich van Hem los te maken wordt Hij voor hen een steen waarover ze struikelen en vallen en die hen verplettert (Luc. 20: 18).
Maar voor hen die Hem aanvaarden in geloof, is Hij de opstanding, de rots waarop ze onwankelbaar kunnen staan en hun bestaan bouwen.
Wat van Gods Woord door Jeremia gesproken gezegd wordt, is niet achterhaald door het Nieuwe Testament. Het is precies hetzelfde als wat van Christus gezegd wordt. En daarom is het ook vandaag nog in alle hevigheid actueel.

JEREMIA 2: 1-13

Restauratie is nog geen reformatie

Jeremia werd tot profeet geroepen in het dertiende regeringsjaar van Josia, Deze Josia was een vrome koning, vertelt 2 Kron. 34 : 1-7. Hij deed veel om de heidense invloeden in Juda en Jeruzalem te bestrijden. Toen hij 16 jaar oud was, begon hij daar al mee, hoewel hij als knaap natuurlijk nog niet zoveel invloed op de gang van zaken had. Maar toen hij 20 jaar was, begon hij heel rigoureuze maatregelen te treffen en ging hij over tot een complete beeldenstorm tegen de heidense godsdiensten.
Josia begon met die beeldenstorm één jaar voordat Jeremia tot profeet geroepen werd. Jeremia zal er wel met instemming kennis van genomen hebben.
Maar wanneer van hogerhand de heidense altaren en godenbeelden en cultusplaatsen verwoest worden, wil dat nog niet zeggen, dat het hart van het volk nu ook geen behoefte meer had aan de verering van afgoden. Dat volk was er in zijn hart helemaal nog niet los van. In de sector van het privéleven ging de afgodendienst gewoon door. Men had zijn eigen huisgoden, kleine afgodsbeeldjes, die natuurlijk door Josia en zijn ambtenaren nooit te achterhalen waren. Je zou kunnen denken aan de bezettingstijd, toen de duitse bezetter het luisteren naar de engelse zenders verbood. Dat verbod had wel tot gevolg, dat in publieke gelegenheden en in het openbaar.
niet meer naar die zenders geluisterd werd. Maar in de beslotenheid van de huiskamers bleef men het wel degelijk doen.
Overheidsmaatregelen, hoe goed op zichzelf ook, zijn nooit afdoende.
Ze doen wel iets aan de buitenkant. Ze wijzigen wel het beeld naar buiten. Maar ze brengen geen innerlijke verandering tot stand.
Zo was het ook in de tijd van Josia.
Aan de buitenkant veranderde er heel wat. Alle publieke altaren en afgodsbeelden werden met de grond gelijk gemaakt. Maar het hart van het volk werd er niet door veranderd. In hun hart bleven ze de afgoden zoeken.

Verleden en heden
In die situatie werd Jeremia tot profeet geroepen. Door middel van hem wil Jahweh proberen op het hart van het volk in te werken en een andere gezindheid bij hen te bewerken. Hij wil hun hart van de afgodendienst afwenden en tot Hem terugbrengen.
Dat het inderdaad de Here zelf is, die om het hart van zijn volk gaat worstelen, blijkt duidelijk uit de tekst. Niet Jeremia, maar Jahweh richt zich tot het volk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief