Ingezonden

1976-04-09
  • Jaargang 20
  • nummer 15
Geachte redactie,

In "Opbouw" 'Van 19-3-76 was het "inleiding-artikel "Antwoord" van de hand van drs H. de Jong.
Hoewel ik mij ervan bewust ben, dat de voorpagina-artikelen een eigen karakter hebben, voel ik mij toch genoodzaakt om op dit artikel te reageren. Ik meende te begrijpen dat deze "hoofd"-artikelen primair de lezer iets uit Gods Woord wilden aanbieden, zonder dat dit nu direct verband zou houden met all wat zich op het kerkelijk toneel afspeelt.
In het artikel van drs De Jong was veeleer sprake van het tegengestelde.
Het begint weliswaar met een gedeelte van een tekst, maar schenkt weinig aandacht aan het verband waarin die tekst voorkomt, en eindigt met een conclusie, die m.i. helemaal niets met die tekst te maken heeft.
Dat er verschil van opvatting is tussen drs De Jong en broeders en zusters die niet zo gelukkig zijn met "openbare geloofsbelijdenis" (en andere tradities) omdat volgens hun inzichten de Schriftuurlijke grond daarvoor ontbreekt, zal niemand verbazen. Drs de Jong blijkt zich dat ook te realiseren, en juist daarom had ik van een theoloog van professie een degelijker, duidelijker op de Schrift gebaseerde argumentatie verwacht.
lk ben uiteraard niet in staat om een exegetisch diep gefundeerd commentaar te leveren op wat drs De Jong heeft geschreven, maar een paar opmerkingen moeten mij toch van het hart.

De gebeurtenissen die in Deut. 26 en daaromheen beschreven worden, vinden plaats bij, de vernieuwing van het verbond, dat JHWH met Israël had gesloten. Dit is een belangrijke episode in Israëls geschiedenis, een tijdsgewricht in de ware zin des woords: de woestijn achter zich, het beloofde land voor zich, de monstering, of liever nog de parade met uitgifte van een marsorder voor de heilige oorlog.
Hierbij wordt het verbond tussen Israël en zijn Koning vernieuwd volgens het toen gebruikelijke ritueel.
(Ais ik "Vonk" tenminste mag geloven, wat ik vooralsnog maar doe.) Een vergelijkbaar ritueel, ook met ja-woord van het volk vinden wij bij Hor eb en later onder Jozua. Als het echter zo'n warm pleidooi is voor openbare geloofsbelijdenis, waarom lezen wij er dan niets over tijdens de regering van b.v. David of Salomo? Wellicht werpt u tegen: maar bij Hizkia en Josia is er toch iets dat er op lijkt, en dat is ook wel zo, maar juist daaruit blij/kt, dat het niet een gewoonte was maar dat het in deze gevallen gebeurde na zeer zware afval van het vollk (het doen van een belijdenis na "in de wereld" te hebben geleefd).
Dat God in voorkomende gevallen graag een belijdenis hoort (b.v. als iemand bot het geloof komt) zal niemand bestrijden, maar het gaat in Deut. 26 duidelijk niet over het instellen van een gewoonte in de geest van besnijdenis en pascha, Het in Deut. 26 beschrevene zouden wij ook ais volgt kunnen weergeven: JHWH als Koning van Israël vraagt bij bijzondere gelegen, heden, naar de gewoonte in die tijd de rouwbetuiging van Zijn onderdanen: bij Zijn "inhuldiging" op Horeb, voor de grote strijd (en de vervulling der beloften) begint, als het land is veroverd en Israël zich mag vestigen, Ik zou hier kunnen denken aan de volksstemmingen die De Gaulle liet houden.
Nogmaals, waar is de overeenkomst met een gewoonte die bij ons bijna het karakter van een sacrament heeft?

Mag ik het in Nieuwtestamentische verhoudingen zo formuleren: Welke vader verlangt van zijn bloed-eigen kinderen op 16-18-jarige leeftijd de plechtige verklaring: Ik wil uw kind zijn? En welk onderscheid wil drs De Jong maken tussen een kind dat al wel, en een dat nog niet zo'n verklaring heeft afgelegd? (Heeft het lichaam van Christus dan toch leden van verschillende rangorden) Als in dit gezin een kind van die leeftijd geadopteerd wordt, ligt de zaak natuurlijk duidelijk anders.
Ik ben als Nederlander geboren, of ik dat nu leuk vind of niet, en een publiekelijke verklaring, dat ik erin toestem, Nederlander te zijn, is volmaakt zinloos. IJk kan wel wat doen om Nederlander-af te worden, nl. in vreemde krijgs of staatsdienst gaan (c.q. mij scharen onder devanen van de Satan).
Het onderhavige artikeI heeft geen schriftuurlijke gronden aangevoerd, waaruit zou blijken dat de door mij weergegeven opvatting onjuist is.

Als drs De Jong zijn pleidooi voert, mede gezien onze jonge mensen en de persoonlijke geloofs, beslissing waartoe zij worden uitgenodigd door allerlei charismatische bewegingen, zou ik graag de volgende aantekeningen wi1len plaatsen:

• Ligt hier in de grond van de zaak toch eigenlijk een afwijzen van het "alleen uit genade"? Bij verschillende "vrije groepen" heb ik zelf de tendens gemerkt: God roept wel, maar uiteindelijk heb Dkde vrije wil om te beslissen: Dat kan ik nu eens doen.
Wie geregeld, ook voor Bijbelstudie, met deze kringen in aanraking momt, zal m.i. deze verschijnselen ook wel gesignaleerd hebben.

• Wat is belijden nu eigenlijk?
Zijn dat die woorden voor in de kerk? Dat is toch weinig zinvol.
Al die kerkmens en geloven toch wel dat ik een kind van God wil zijn, maar mijn ongelovige collega, die moet het weten.
"Zoudt gij de moed roemen van den Wachter, die overal bij de hand is, behalve waar de vijand ziclh bevindt? Tot zodanig bellijden is het, dat de christenen geroepen worden." (G. Groen van Prinsterel', gecit. bij F. v. Deursen. D.V.L. lik, p. 45).

• Weet drs De Jong niet, en weten de door hem genoemde jongeren niet, dat er ook in onze buitenverbandse kerken voor mensen . (ook jongere) die alleen de Schrift als norm trachten te hanteren, voldoende te (be-)lijden valt, en dat heel wat vaker en onder moeilijker omstandigheden dan die ene keer voor in de kerk? (Dat begint heus al op de jeugdvereniging.)

Het zal niemand verbazen dat ik bedenkelijk kijk naar de oude traditie van het doen van openbare geloofsbelijdenis, en dat m.i. drs De Jong zijn overtuiging nu niet met overstelpende bewijzen brengt. Des te verdrietiger vind ik het slot van zijn artikel, waarin hij het belijdenis-doen koppelt aan de Maabtijd des Heren, net als trouwens het formulier: Gij zijt verschenen om belijdenis te doen, ten einde toegang te verkrijgen tot de Tafel des Heren. Alsof ik het recht heb om de door mijn vader (of door mijn oudste broer) genodigde gasten, waartoe ik n.b. zelf ook behoor, de deur te wijzen.
Dit leidt uiteraard tot een andere kwestie, het aanzitten van de kinderen der gemeente aan de Tafel des Heren. Dit onderwerp wil uk laten rusten, maar het valt, mij op dat drs De Jong nu juist de openbare geloofsbelijdenis, die de Schrift niet vraagt, gebruikt als argument tegen de "kindercommunie".

Zijn er dan toch geen Schriftuurlijke argumenten tegen deelname van de kinderen aan de Maaltijd des Heren?
Met oprechte broedergroeten.

C. P. Kleingeld,
Roelofsstraat 62,
Nieuwkoop.

Naschrift

Hoewel Ik in mijn overdenking "Doop: Woord èn antwoord" in het nr. van 26 maart 1976, waarin ik een verdere uitwerking gaf van wat ik in het omstreden artikel te berde bracht, onwetend misschien al antwoord gegeven heb op sommige van de hier gestelde vragen, wil ik graag nog op een en ander reageren.
Het meest belangrijke is natuurlijk wat br. Kleingeld over Deuteronomium opmerkt, aan welk boek in z'n historische situatie ik geen recht gedaan zou hebben. Maar is het wel terecht, zou wil ik vragen, het boek Deuteronomium op te sluiten in één historische situatie, te weten het tijdsgewricht, waarin Israël de woestijn achter zich en het beloofde land vóór zich had? Het boek zelf doorbreekt m.i. dat kader, als het in hfst. 31 : 10 v.v. bepaalt: "En Mozes gebood hum: Na verloop van zeven jaar ... zult gij deze wet ten aanhore van geheel Israël voorlezen, Roep het volk tesamen, mannen, vrouwen en kinderen, ook de vreemdeling die in uw steden woont, opdat zij er naar horen en de Here uw God Leren vrezen en al de woorden dezer wet naarstig onderhouden, en opdat hun kinderen, die er niet van weten het horen en de Here Uw God leren vrezen - al de tijd, dat gij leeft in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit moet nemen." Deze bepaling wist de concrete historische situatie natuurlijk niet uit, maar laat wel zien, dat Deuteronomium óók bedoeld is a!ls een actualisering van het Horeb verbond voor elke volgende generatie en situatie van Israéls geschiedenis. Naar de bedoeling van het boek werd dus in elk zevende jaar trot Israël gezegd, wat in de tekst van mijn overdenking staat: "Gij hebt heden van de Here het woord aanvaard ... en de Here heeft heden van u het woord aanvaard ... " (26: 16-19).

Het overvloedig voorkomende woordje 'heden' in Deuteronomium verwijst stellig naar de historische situatie waarin Mozes afscheid nam van zijn volk, aan de vooravond van de intocht, maar het is daarnáást hetzelfde 'heden', als waar ps. 95 het over heeft: heden, zo gij zijn stem hoort... Zie voor de actualiteit van dit heden Hebr. 4: 6-10.
Het valt te vermoeden, dat de boven aangehaalde bepaling van Deuk 31 een vergeten bestaan heeft geleid in Israël. Inderdaad, alleen na tijden van afval, wanneer Israël terugkeerde tot de Here, wordt v,an een nieuwe verbintenis melding gemaakt. Maar uit die praktijk moet toch niet afgeleid worden wat de bedoeling van Deuteronomium was. Die bedoeling was toch, dat Israël regelmatig het verbond zou vernieuwen, ook wanneer er geen afval tussen beide was gekomen. De Here vond dat blijkbaar nodig, al was het alleen maar om 'de kinderen, die er niet van weten' (31 :13).
Vandaar dat ik een parallel zag met het doen van openbare geloofsbelijdenis.
Voor br. Kleingeld is, als ik het goed zie, in drie gevallen een geloofsbelijdenis zinvol: voor de gemeente na een tijd van geloofsafval, voor een buitenstaander, die zich aansluit bij de gemeente, en voor een adoptief ..kind, dat tot de jaren des onderscheids kromt.
-Maar voor de opgroeiende jeugd in de gemeente is ze niet nodig.
"Welke vader verlangt van zijn bloed-eigen kinderen op 16-18-jarige leeftijd de plechtige verklaring: Ik wil uw kind zijn?" "Ik ben als Nederlander geboren, of ik dat nu leuk vind of niet, en een publieke verklaring, dat ik er in toestem, Nederlander te zijn, is volmaakt zinloos. Ik ken deze argumenten, maar volgens mij stuiten ze af op het feit, dat God geen bloed-eigen kinderen heeft. Wel wil Hij onze bloed-eigen kinderen, die van nature kinderen des toorns zijn, genadig de Zijne noemen.
Daar reageren wij 't beste op door voor hen te bidden, dat ze deze genade-werkelijkheid met een gelovig hart zullen aanvaarden en zo kinderen Gods zulten zijn, "die niet uét bloed, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn." (Joh. 1 , 13).
Overigens ben ik het van harte eens met br. Kleingeld, als hij waarschuwt dat het nadruk leggen op de persoonlijke geloofsbeslissing kan voortkomen uit een afwijzing' van het "alleen uit genade".
"God roept wel, maar uiteindelijk heb ik de vrije wil om te beslissen". "Dat kan ik nu eens doen." Inderdaad, dat komt voor, ook in de charismatische kringen.
Daarom heb ik in bedoelde meditatie ook gewezen op Deutr. 27: 9, 10: "Zwijg, Israël, en luister ... "
en gewaarschuwd tegen de verkeerde hartsgesteldheid van: 'de mens is er ook nog'. Daarover zijn we het dus eens en dat is niet weinig.
En werkelijk, als er gekozen zou moeten worden tussen het spreken van dat enkele ja-woord in de kerk èn het belijden van ons geloof tegenover een ongelovige collega op het werk, dan zou ook ik van harte kiezen voor het laatste.
Toch meen ik dat ik uit Deutr, 26 : 16-19 geen onjuiste conclusie trok, toen ik schreef: "Er blijkt ... uit, dat de Here God er niet mee tevreden is, wanneer wij het geloofsantwoord geven met de daad van het leven naar Gods geboden. Hij stelt daarnaast prijs op een antwoord, dat ook werkelijk woord is, ja-woord, waarmee we ons duidelijk uitspreken voor Hem, waarop we ons vast leggen tegenover Hem."

H. de Jong

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief