DOORZICHT

1976-04-16
  • Jaargang 20
  • nummer 16
• Conservatief

Wat voor de een een scheldwoord is, is voor de ander een eretitel.
Neem bijvoorbeeld dat gedeukte en gehavende begrip "conservatief".
De oude glans van het woord licht nog even op in "conserveren" (hoewel het conservenblikje zijn beste tijd ook al gehad heeft), maar de glans verbleekt ten enenmale in "progressieve" kringen. Progressief staat (zegt men) borg voor vooruitgang. Conservatief schijnt te staan voor stilstand die in wezen achteruitgang is. Je kunt de begrippen toepassen op een politicus, Of op een blad: "Opbouw" bijvoorbeeld. En nog een stap verder: wat conservatief is, is "rechts". Zodat voor progressief "links" overblijft. Dat is toch simpel, nietwaar?
Nu ben ik averechts genoeg om voor conservatief te willen doorgaan.
Mits dat betekent: vasthoudend aan de inhoud van het evangelie, aan Gods hele openbaring.
En mits het niet betekent: mezelf vastpinnen op de traditie, op het "zoals het altijd geweest is". Daarom leen ik graag wat regels van een christelijke-gereformeerde collega.
Hij schrijft behartenswaardige dingen over de taalbarrière der kerk. Maar ook over ontwikkelingen in de kerk. Als voorbeeld noemt hij veranderingen in de liturige, zoals het aantal avondmaalsvieringen per jaar. Met daarbij de notitie: "Evenwel schijnen sommigen de geschiedenis normatief te achten. De een dan de oude kerk en de ander de achttiende eeuw". Precies! Wie zich beroept op "de traditie" loopt het gevaar in de dictatuur van de willekeur te vervallen.

• Traditie

Jaren geleden nodigde een groep protestantse studenten een roomskatholieke priester uit. Ze vroegen hem een toespraak te houden op hervormingsdag. Na zijn rede verweten ze hem dat de r.k. kerk de traditie stelde naast de Schrift.
Zijn weerwoord was een vraag: of de protestanten soms geen traditie( s) kenden? Goed gepareerd.
Mag ik nu namens die studenten u van antwoord dienen? Rome stelt de traditie op dezelfde hoogte als de Schrift. Maar de protestant weet dat alle traditie genormeerd wordt door, ondergeschikt is aan Gods openbaring.
Neem nu eens het probleem van "de vrouw in het ambt". Wie in het vorige nummer "Kerknieuws" gelezen heeft, weet dat deze zaak ook in Eindhoven in bespreking is.
Als we zonder meer de traditie hier als norm stelden, was er geen probleem. "De vrouw moet stille zijn" is een gevleugeld woord in een mij bekende familie (als variant op 1 Cor. 14: 34). Een vrouw mag nog zo actief zijn in de gemeente, maar als ze zich zou laten stemmen, is het met de goede stemming onder ons gedaan. De traditie op dit punt is eensluidend.
Nog erger schijnt het als gemeenteleden namen van zusters aandragen voor de talstelling. Zie je daar niet de kwade gevolgen van emancipatie, feministen, het jaar van de vrouwen dolle-mina's? Moet de kerk nu aan de leiband van de wereld aan lopen? En krijgen we binnenkort naast Ien v. d. Heuvel een Mien v. d. Berg?

• Dat zij verre

Het probleem schijnt simpel genoeg.
En juist nu, verzekert men ons, is het geen tijd om alles over hoop te halen. Toch wil ik daarvoor niet opzij gaan. Waarom niet? Omdat uitgerekend de bijbel zelf geen boek-van-stilstand is.
Het is waar, zoals collega De Jong schrijft, dat de bijbel geen geschiedenisboek is, maar wel een geschiedenis-
aspect heeft. Dát aanzicht van de bijbel zie ik als ik Gen. 1 naast Op. 22 leg.
De geschiedenis begint met een hof, een tuin, en loopt uit op een georganiseerde stads-staat, het nieuwe Jeruzalem. Op die lange lijn zien we hoe God bezig is zichzelf vele malen en op velerlei manier bekend te maken (Hebr. 1 : 1; H. Cat. v. en a. 19). Het is ook duidelijk dat Christus' gemeente zich op het laatste "lijnstuk" bevindt.
Wij leven in "het laatste der dagen"'. Dat betekent: na deze periode komt er voor deze wereld geen nieuwe periode meer. Het laatste wat God ons op deze aarde te zeggen heeft, is gezegd. Daar valt ook onder wat Johannes tenslotte zag: het nieuwe Jeruzalem, nederdalende uit de hemel (Op. 21 : 2). Met dat laatste zitten we een beetje. Wij plaatsen dat nieuwe Jeruzalem buiten onze tijd.
Het komt pas met "de nieuwe hemel en de nieuwe aarde". Het is ondanks het geleidelijke ("nederdalende") niet van déze tijd. Het blijft toekomstmuziek.
Het is in feite "verre van ons".

• Heden en toekomst

Toch is dat merkwaardig. U kunt dat zelf constateren. Ieder hoort immers, al was het alleen maar via de Heid. Catechismus, regelmatig preken over de bede "uw Koninkrijk kome", Eén ding is u dan vast en zeker opgevallen. Elke keer opnieuw komt het probleem aan de orde van de tweeledigheid der bijbelse gegevens. Enerzijds heet het verschillende keren in de evangeliën: het Koninkrijk is er al, Is al gekomen, is (midden) onder u. Maar aan de andere kant leert Christus ons te bidden om de komst van het Koninkrijk. Die komst is blijkbaar een zaak van de toekomst. Het andere is "tegenwoordige tijd". In het evangelie naar Marcus lezen we vrijwel aan het begin al Jezus' woord: de tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Misschien moet dat "nabij" wel plaatselijk opgevat worden. In de zin van: in jullie onmiddellijke nabijheid, vlak bij jullie, Maar wat in elk geval in het oog blijft vallen, is die merkwaardige tweeledigheid. van het "hier en nu al" èn van het "hier en nu nog niet". Voor het Koninkrijk (koningschap) van God begint zich aan te nemen, begint gestalte te krijgen, begint zich te verwezenlijken, maar het is (een kleine 2000 jaar geleden!) nog maar een begin.
En dat geldt zowel de ruimtelijke uitbreiding (toen nog alleen Israël) als het beslag op het leven van.
Gods kinderen.

• Het nieuwe Jeruzalem - nu

Als we er nu eens van uitgaan, dat in de loop der eeuwen, in dit "laatste der dagen", er een steeds verdergaande verdieping is in inzicht en verwerkelijking van het Godsrijk, dan biedt dat een rijk perspectief voor al die problemen die, ook in dit blad, met de regelmaat van de klok aan de orde komen.
Op college hoorde ik prof. Veenhof steeds waarschuwen voor de preken in de trant van: als eenmaal...
dan ... dan ... dan ... Zulke preken zijn immers nauwelijks voor het hedendaagse kerkvolk bestemd. Je zwijmelt wel van de toekomst, maar vandáág kun je er niets mee beginnen.
Zie ik het goed, dan liggen onze problemen rond "het nieuwe Jeruzalem, nederdalende uit de hemel" in hetzelfde vlak als die van het "gekomen" en "komende" Koninkrijk Gods. Dat wil dan ook zeggen dat wij het antwoord metterdaad op de vele actuele problemen niet gemakshalve moeten verschuiven naar een verre en vage toekomst, Niet het verleden van "de traditie" noch de toekomst van "het hiernamaals" zijn onze beroepsinstanties.
Een antwoord wordt gevraagd van Gods gemeente, die nu leeft, en die al 1976 jaar van "het laatste der dagen" achter zich heeft. Hoeveel heeft die gemeente al leren verstaan? In hoeverre is zij bezig "het nieuwe Jeruzalem" actuele gestalte te geven, uit de verf te doen komen? Ongeacht het feit dat de wereldallerlei problemen op tafel deponeert, zal. de kerk zelf, met het evangelie op tafel, zich een mening moeten vormen.
Over de plaats van de vrouw, maatschappelijke problemen in veelvoud, al die onderwerpen die ook in "Opbouw" aan de orde worden gesteld. Kortom: in hoeverre weet Christus' gemeente zich nu een mondige gemeente?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief