Goede reis en behouden vaart
1976-04-16
Er was eens een jong echtpaar. Lief en toch fris. Ze geloofden nog aan een monogaam huwelijk, aan eerlijke liefde, aan zuivere geslachtelijkheid: Aan een Goddelijke plicht van de man, om zijn gezin met God en met ere te onderhouden. Aan de Goddelijke plicht van de vrouw, om haar man in alle goede zaken bij te staan, op haar huishouding goede acht te geven en zich te versieren met een stille en ootmoedige geest, die kostbaar is voor God. Kortom, ze namen het serieus: dat de man het hoofd van de vrouw - en de vrouw het hart van de man is.- Jaargang 20
- nummer 16
In dit hun geloof wandelden ze en ze gewonnen hun eerste kind. De kroon op hun huwelijk, het pand van hun liefde, het geluk van hun huis. Een dankzegging waard!
Toen dan ook, op de welaangename tijd, een tweede kind zich aandiende om hun gezinnetje te vervolmaken, was dat alleszins welkom. De verwachtingsperiode duurde haast te lang. De tijd mocht van hen wel omvliegen. Ze strekten de handen uit naar het geschenk, dat hun in de schoot scheen te worden geworpen.
Helaas. Na deze zonnige inzet moet ik u een verdrietig verhaal doen. Het tweede kindje meldde zich ál te vroeg. Het werd een moeilijke bevalling, in een ziekenhuis, ver van de huiselijke haard. Voor het leven van de moeder moest worden gevreesd. En het leven van het kindeke ...
ach, wat heeft een onvoldragen kindje eigenlijk bij te zetten als het moeilijk wordt? Niet veel. Inderdaad, de ouders mochten het niet hebben.
De Heere had gegeven, de Heere nam terug.
Soms komen rampen en tegenspoeden in zo felle mate op je af, dat horen en zien vergaat. Een enkele maal zo erg dat zelfs je geloof, dat niet op horen en zien berust, gevaar loopt, Wanneer je je van God en alle heiligen verlaten acht, moet je soms ver lopen om je geloof in Gods alwetende voorzienigheid te behouden.
Nu, zo gaat het jonge mensen, die een vurig begeerd geschenk van Boven aan zich zien voorbijgaan. Ze zouden wilden vragen: Heere, bent u er wel? Ziet u dat nu niet? Komt u niet in actie als wij machteloos staan?
Stil maar. Wacht maar. Er is een teer Afrikaans liedeke, dat deze ramp bezonken weergeeft. Het is van J. R. L. van Bruggen en de Zeister componist H. C. van Oort maakte de muziek:
Ek ken een melodietjie,
so menslik en so rein,
dat heel mij siele saamween
saam met die Iiedjie klein.
Die liedjie is so simpel,
dat elkeen dit verstaan:
een kindjie is vanavend
sach na die Heer gegaan.
Ek ken een melodietjie
van onse sterflikhèid,
Maar 0, die moederliefde
moet glô an die eeuwigheid!
Ik kan u niet alles verrellen van het grote verdriet, waarin deze ouders onlangs gedompeld zijn. Al zouden we allen wel willen meetillen. Voelt u dat nu ook: dat, als één lid lijdt wij allen meelijden? Dan ga ik u wat anders verhalen.
De moeder, in het verre ziekenhuis, lag ernstig ziek. En de vader was het, die hun kindje moest gaan begraven. Vraagt u mij niet, wat er in een ouderhart omgaat op zo'n dag. Het blijve u bespaard. Gelukkig de man, zalig de vrouw, die dan de band met onze hemelse Vader bewaart.
Het uur kwam, waarop de begrafenisondernemer, die het kleintje in zijn kistje had gelegd, de vader vroeg of hij mee wenste te gaan op de laatste tocht. De vader ging mee, uiteraard. Samen gingen de mannen ineen taxi naar de begraafplaats; het waardevolle kistje apart op een bank geplaatst.
Op dat ogenblik kwam iemand per auto uit dezelfde stad, reed bij geval dezelfde weg, zag de taxi stilhouden, zag twee mannen in het zwart met een kistje uitstappen, zag een bedroefde jonge man hen volgen door de poort van de begraafplaats, herkende de jonge man als zijn broeder!
Zette zijn wagen ook aan de kant en volgde de kleine stoet.
Toen de zakelijke plechtigheid voltooid was, het Iichaampje aan de aarde was hergeven zoals de ziel tot God was teruggekeerd, herkende de eenzame jonge man de vreemdeling: zijn broeder! Hij zag dat hij niet helemáál van God en alle heiligen verlaten was geweest. Hij zag dat de Heere soms, heel zelden maar almachtig en duidelijk, een zonnestraaltje geeft op een onbegaanbaar pad. Trouwens als de Heere over de zee, de winden en alle elementen beschikken kan - waarom niet over een enkele dienaar?
Zo zette Hij, gelijk Hij eenmaal Filippus op de weg van de Moorse kamerling had geplaatst, deze bescheiden broeder als een engel tegenover de bitter bedroefde.
Er zullen wel enkele woorden gewisseld zijn; maar elk woord is dan overbodig. Daarna zal de verwonderde vader wel in de taxi naar het ziekenhuis zijn teruggebracht. De ander reed door en werd vermoedelijk niet gemist. Want stellig reisde de jonge vader zijn weg met blijdschap, gesterkt in het geloof: dat onze Vader alles weet, alles riet, bij ons is en nu reeds onze tranen wil afdrogen. Dan heeft hij ook zijn zieke vrouw kunnen troosten. De naam des Heeren zij geloofd!
Er is nóg een prachtig lied over het jonggestorven kind, dat tot de Vader werd genomen. Het vers is van Guido Gezelle en de muziek is van Catharina van Rennes. U moet het haast kennen:
Vaarwel! Dat schone woord
en droevig maar voor dezen,
die leven zonder hoop op Gods voorzienigheid.
Vaarwel! En moog' zoo blijde, blijde welkom wezen
als 't edele vaarwel, dat ik getroost u zeg, mijn kind,
als dezen zeggen, dien ik op uw voorhoofd leg:
Vaarwel! Ga!
Weze u God voor einde en hulp en reisgezel,
mijn kind, vaarwel!
Gaf het Afrikaanse lied de vluchtige vleugelslag van het opstijgend kinderzieltje - dit Vlaamse vers lis tevens een afscheid van het lichaam aan de groeve. De componist heeft dat fijn aangevoeld: na de laatste regel daalt de muziek bijna twee octaven tot haar rustpunt. Maar er is een tegenstem, die omhoog stuwt. De geest keert weer oot de Schepper het stof wordt verzameld tot stof.
En is dat een thema voor vandaag? Is dat nu een paas-lied?
Maar natuurlijk. Het is niet minder dan de beleving van Christus' opstanding uit de doden. Het heerlijk hoofd is opgewekt, dat zijn leden tot Zich trekt. Zo zeker als Hij verrezen is uit het graf - zo zeker leven wij in de verwachting van onze opstanding.
Wie op Gods almachtige leiding rekent is wel bedroefd, maar niet moedeloos.
Elk vaarwel op de begraafplaats is een schoon woord: de zegen voor een goede reis en een behouden vaart. Zoals Vondel zong:
Men klaagt wanneer de kiele strandt
maar niet wanneer ze, rijk belàan,
uit de verbolgen oceaan
in de behouden haven landt.
Daar is een blij welkom voor allen, die uit 's levens wachtkamer worden opgeroepen rot hoger heerlijkheid. Want God is het doel van onze reis. Onze hulp is in zijn naam. Hij is bij ons, ook ondersteunt Hij ons, ook helpt Hij ons. Dat is: einde en hulpe en reisgezel.
Op die koers varen we wel. Elk die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, wordt van die blijde wel-vaart deelgenoot. Door het dal van de dood: geen gevaar te vrezen. Als we ontwaken is Hij nog bij ons. In het huis van Vader zijn vele woningen. Jezus Christus stond op uit de doden om ons plaats te bereiden. En wij mogen in het vaderhuis blijven tot in lengte van dagen. Wij en de kinderen, die God ons heeft geschonken.