UITZICHT

1976-04-23
  • Jaargang 20
  • nummer 17
• Dubbel-zinnig

Kerkwoorden zijn ook al niet meer wat ze geweest zijn. Eens heeft de jonge christelijke kerk heel wat woorden uit de dagelijkse omgangstaal overgedoopt, ze een eigen, nieuw stempel gegeven. Al was het alleen maar het woord ,,dopen". Nu lijkt het erop, dat kerk woorden weer worden omgezet in profane taal. Op een gegeven ogenblik spreken kerk en wereld dezelfde taal. Maar het blijkt waar: als twee hetzelfde vragen, IS het nog niet hetzelfde.
Neem nu het begrip "mondigheid".
Argeloos gebruikt op een Opbouwvergadering of kerkeraad. Helaas: mensen uit het bedrijfsleven kijken wat bleekjes. Ze denken meer aan vakhonden en ondernemingsraden dan aan kerkelijke zaken. Met als bijgedachte: maatschappelijke ontwrichting en onverantwoordelijkheid.
Spijtig. Wat nog niet zeggen wil dat ik me dit goede woord laat afnemen. Zelfs Paulus en Lucas namen het risico van dubbel-zinnig taalgebruik. Lucas als het gaat om de geboorte van de èchte Heiland (Luc. 2 : 1 v.v.), Paulus als hij de komst (parousie) van de antichrist beschrijft. Luther herkende hetzelfde verschijnsel toen hij satan de aap van God noemde.
De mens is geschapen als beeld (vertegenwoordiger) van God. Bezield door Gods Geest dient hij te handden en
te spreken zoals God zelf dat zou doen. De bezieling door Gods Geest ontmaskert alle naäperij,

• Breuklijn

Dus blijf ik het woord mondigheid gebruiken. In kerkelijke zin. Als aanduiding van de verantwoordelijkheid en de volwassenheid van de gelovige.
In de bijbel staat dat Israël een paedagoog, een kinder-leider, wilt u: een kleuterleidster nodig had.
Dat duurde tot op de tijd van Christus. Daarna behoeft Gods volk niet meer bij de hand genomen te worden. We hebben de volwassenheid en verantwoordelijkheid teruggekregen. Al bijna 2000 jaar lang: dat laatste lijnstuk van die lange lijn tussen schepping en wederkomst.
"In den beginne" sprak God met de mens als met zijn vriend. Volwassen - van aangezicht tot aangezicht.
Hij vertrouwde hem de wereld toe. En de mens kreeg Gods zegen mee (Gen. 1 : 28). Door de zondeval komt er een breuklijn in die situatie. De mens wil als God zijn. Eigen baas en niemands knecht. Aan niemand verantwoording schuldig. De aarde in eigen beheer. God uitgesloten van medezeggenschap.
Jawel. Maar als Gods zegen wordt teruggewezen, blijft de vloek over.
Uw smart vermeerderd. In het zweet uws aanschijns... En de man zal heersen over de vrouw.
Moord en doodslag. Metterdaad.

• Een "hulpe"

"De man zal heersen over de vrouw." Ook dat is een element van de vloek der gestoorde harmonie.
Zo is het van den beginne niet geweest ... Moet het zo dan wel tot het einde blijven?
Voor die onontkoombare vraag sta je, als je vraagt naar de plaats van de vrouw - zeker in de kerkelijke samenleving met haar lange traditie.
Zie ik het goed, dan is God sinds de zondeval bezig geweest met "de wederherstelling aller dingen".
Met het herstel van de oorspronkelijke situatie, toen alles nog goed en gaaf, met elkaar in harmonie, in staat van vrede was.
In die oorspronkelijke situatie was het als volgt. Blijkens het "voorbericht" (Gen. 1-2 : 3) schiep God de mens naar zijn beeld - naar Gods beeld schiep Hij hem: man-(nelijk) en vrouw(elijk) schiep Hij hen. In deze twee-eenheid kan de mens(heid) de HERE God op aarde vertegenwoordigen.
In het eerste hoofdstuk (2 : 4-4 : 26) krijgen we nadere, ter zake doende informatie. Onder andere dat de HERE God zèlf zegt: "het is niet goed, dat de mens alleen zij.
Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past".
Die "hulp" heeft niets te maken met een hulpje in de huishouding.
Met "behulpsel" - waarbij je denkt: het blijft toch maar behelpen! Eerder moeten we denken aan een pendant, een tegenhanger, aan rechter- en linkerhand. Samen zijn man en vrouw een "set", een 'bij elkaar passend "stel". Als, Adam - de man - déze schepping van God een naam gaat geven, zegt hij dan ook niet "Eva" maar "mannin" (2: 23; vgl. het engelse man - woman).

• Gelijkwaardigheid
Die twee-eenheid heeft niet alléén te maken met het huwelijk. Anders zou je moeten concluderen dat een ongetrouwde man of vrouw incompleet was. Het is de mensheid die compleet is in haar mannelijk èn vrouwelijk zijn. Het huwelijk is een van de vormen van samenleving, maar niet de enige.
Na de uittocht zingt Israël, een heel volk, zijn loflied - Mozes met de mannen, Mirjam met de vrouwen. Eén lied. Twee-stemmig.
Elke stem eigen-aardig. Beide stemmen gelijk-waardig. Dat klinkt al heel anders dan Lamechs gebral ten aanhoren van Ada en Zilla, zijn vrouwen. Nog daargelaten dat de laatsten hun mond hebben te houden. Deze vrouwen vormen het publiek tot wie Lamech zich nicht - in de linie van Kaïn is God uit het zicht verdwenen.
Maar in Ex. 15 horen we een heel volk - mannelijk en vrouwelijk - zich tot God richten. Vanwege zijn grote daden. Man en vrouw hebben elkaar weer gevonden in eensgezinde erkenning van hun Maker. Lamechs dissonanten hebben plaatsgemaakt voor de harmonie van de meerstemmigheid.
Een samen-klank, een symphonie voor God de HERE!
Paulus' glorieuze betoog in de brief aan de Epheziërs (eens "wilde beesten"! 1 Cor. 15 : 32) loopt uit op een grandioos slotkoor.
Luister maar: ... wordt vervuld van de Heilige Geest (zo kun je weer beeld Gods zijn). Spreekt onder elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubel t de Here van harte (als Israël in Ex. 15). Dankt te allen tijde den naam van onze Here Jezus Christus God de Vader voor alles (als "in den beginne"!). En weest elkander onderdanig in de vreze van Christus ... (5 : 18-21).

• Onderdanigheid?

Jammer, dat die symphonie eindigt met een dissonant, denk je. En dan juist na dat schitterende middengedeelte vol "mysterie": de aanstootgevende muur tussen jood en heiden is door Christus weggebroken (2 : 14 v.v.). Opeens toch weer "onderdanigheid". Drievoudig onderstreept.
Vrouwen weest aan uw man onderdanig. Kinderen weest uw ouders gehoorzaam. Slaven weest uw heren gehoorzaam (5 : 22; 6 : 1; 6 : 5). Dat laatste is toch helemaal een wanklank? Hoe kunnen door de Geest vervulde mensen in zulke verhoudingen sámen zingen? Zo is het toch "van den beginne"
niet geweest? En opnieuw zou ik willen vragen: moet het zo dan wel tot het einde blijven? Ook in die laatste periode van de geschiedenis, die "het einde der dagen" wordt genoemd? Anders gezegd: leggen we ons bij de feitelijke situatie neer? Zingen we berustend: stil maar, wacht maar - alles wordt nieuw? Of zal de nieuwtestamentische gemeente zich bewust zijn van haar "mondigheid"?
Zal ze, in Gods oog volwassen en mede-verantwoordelijk, het "nieuwe Jeruzalem" vorm en gestalte gaan geven? Is de "wederherstelling aller dingen" uitsluitend een zaak van later of verwezenlijkt zij zich gaandeweg hier en nu? Over die vraag zou ik u graag opnieuw eens laten meedenken! U bent tenslotte toch mondig?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief