Over geloofsbelijdenis en avondmaal vieren (1)
1976-05-07
Mijn gesprekspartner in het nr. van 9 april jl. br C. P. Kleingeld, maakte op mij, naar aanleiding van mijn meditatie op de voorpagina van Opbouw van 19 maart, de aanmerking dat ik daarin dingen had behandeld, die beter pasten in de rubriek kerkelijk leven.- Jaargang 20
- nummer 19
Het ging over belijdenis doen en kinderen toelaten aan de Tafel des Heren. Hij had daar wel een beetje gelijk in, al geloof ik, dat je met een Schrift-overdenking wel degelijk een bijdrage kunt leveren aan het gesprek over een kerkelijke of confessionele actualiteit.
Dat deed ik bijvoorbeeld ook met mijn voorpagina-artikel over het ter aarde vallende musje van Mattheüs 10.
Misschien is het zelfs een beetje kenmerkend voor Opbouw van de laatste jaren, dat de eerste en de tweede pagina niet al te streng meer van elkaar gescheiden zijn.
In de rubriek Kerkelijk Leven immers van pagina 2 (en 3) willen wij niet zozeer de kerkelijke actualiteit als losstaand gegeven becommentariëren, maar wat ons vooral interesseert is de plaats en de actualiteit van de Heilige Schrift in wat er op kerkelijk en geestelijk gebied gaande is. Wat is er nou van waar, zo willen we weten, wat komt er nu bij de kerkelijke problemen van terecht dat Gods Woord een lamp voor de voet en een licht op het pad is. Wij weten allemaal wel, dat het kerkelijk leven zich zo gemakkelijk bij een dichte Bijbel kan afspelen. Een kerkblad kan net als een kerkeraadsvergadering met een Bijbellezing geopend worden, terwijl bij de rest van het programma de Schrift nu wel niet dicht gaat, maar toch niet meer beheersend in het midden staat. Wij hebben nu het naïeve idealisme, dat het misschien toch anders zou moeten en heel misschien ook zou kunnen.
Vandaar dat u wel eens beschouwingen in deze rubriek aantreft, waarvan u denkt: is dat nou kerkelijk leven? En daarmee samenhangend kan er op de voorpagina wel eens iets staan, dat verkeerd terecht gekomen lijkt. Zowel het één als het ander moet verklaard worden uit de wil om die twee rubrieken zo dicht mogelijk bij elkaar te houden. Verdraagt u ons maar in deze eigenaardigheid.
Maar dit is waar, er valt natuurlijk over het onderwerp meer te zeggen dan toen op die voorpagina's van 19 en 26 maart gebeurd is. (Daar zijn trouwens ook wat reacties op binnengekomen, die ik in het vervolg hoop te verwerken.) Maar ook nu zal het wel geen uitputtende behandeling worden. Wat' is 'uitputtend' wel niet voor een groot woord! Aan één zaak zitten zoveel kanten.
In die Schriftoverdenkingen benaderde ik het aanzitten van kinderen aan de tafel des Heren van een bepaalde zijde, vanuit het kerkelijke instituut van de openbare belijdenis des geloofs. Sommigen hebben daaruit opgemaakt, dat dat mijn enige argument was en aangezien ze het met dat argument niet eens waren, vroegen ze: zijn er dan toch geen Schriftuurlijke argumenten tegen deelname van de kinderen aan de Maaltijd des Heren?
Maar dat is een misverstand. Ik wilde helemaal niet volledig zijn, maar mijn opzet was om een vóór-en tegen-gesprek over dit onderwerp, dat zo gemakkelijk vast loopt, omdat van weerszijde herhaaldelijk dezelfde dingen worden gezegd, te dienen met een nieuw 'argument dat het gesprek weer verlevendigt, Het nieuwe van mij was hierin gelegen, dat ik de discussie over het onderwerp plaatste in· het licht van de ook aan onze deur kloppende charismatische beweging.
Lange tijd immers hebben we over het kinderavondmaal kunnen spreken in een besloten eigen kring.
Maar het is kenmerkend voor onze tijd dat oude vraagstukken ineens onder een nieuw licht verschijnen, zodat een nieuwe argumentatie nodig is. Dat is ook hier het geval.
Kort geschetst: het leek vanuit de vrijgemaakte verbondsbeschouwing, die een sterk objectiverende trek vertoont, mogelijk de in de hervormde kerk opkomende praktijk van kinderen aan het avondmaat te volgen. Maar nu zijn er onder de jeugd allerlei groeperingen (Youth for Christ, Ichthus, Navigators - om van de pinkstergemeente nu te zwijgen) die scherp reageren op die hervormde (of misschien beter: groot-kerkelijke) situatie en verwijtend zeggen: jullie hebben een kerk van een vanzelfsprekendheidgeloof!
En velen zien in de kinderdoop het grote symbool van dat kerkelijke vanzelfsprekendheidgeloof.
Dat heeft mij tot nadenken gebracht. En daarbij ben ik terecht gekomen bij dat ietwat verwaarloosde of tenminste ondergewaardeerde instituut onder ons: de openbare belijdenis des geloofs. Zou het kunnen zijn dat wanneer wij dat weer in ere herstellen, wij een goed en houdbaar antwoord hebben op dat verwijt?
Dat verwijt van vanzelfsprekendheidgeloof houdt mij sterk bezig, ook dn de ambtelijke praktijk.
Jongelui die afhaken, hoor je nog wel eens zeggen: "Ik ben nooit op een persoonlijke geloofskeuze voorbereid, Men nam gewoon aan dat ik geloofde." Ik ben dan geneigd, ze daarin te geloven. Ook onder ons immers leeft wel de leer van de veronderstelde wedergeboorte.
Anders, op andere gronden dan destijds onder onze synodale broeders en zusters, dat wel, maar niettemin. AIs ik bijvoorbeeld lees (ik citeer br Kleingeld nog maar eens, uit het nr. van 9 april jl.): ,,Ik ben als Nederlander geboren, of ik dat nu leuk. vond of niet, en een publieke verklaring, dat ik er in toestem, Nederlander te zijn, is volmaakt zinloos. Ik kan wèl wat doen om Nederlander-
af te worden, namelijk in vreemde krijgs- of staatsdienst gaan (c.q. mij scharen onder de Vianen van de satan)" - mag ik dan in alle broederlijkheid een zorg uitspreken? Niet als buitenstaander, maar als insider, die van de vrijgemaakte kerken (b.v.) en hun theologie houdt? Zou het kunnen zijn dat in dit opzicht bij ons toch een schadelijk. stukje weg aanwezig is?
Want dit komt toch hierop neer, dat je als gedoopt kind alleen nog maar gelovige-af kunt worden.
Niet het gelovig worden, maar het gelovig-af worden vergt een bewuste keuze. Dat doet me wat denken aan wat de Roomsen (vroeger?) leerden, dat je de sacraments-genade alleen maar kon komen te missen, als je je er bewust tegen verzette. Dat heeft bij de roomsen een lekendom opgeleverd, dat 'het wel geloofde' in plaats van bewust geloofde. Dat kan toch bij ons ook?
Natuurlijk bedoelt niemand dat.
Ik ben er ook van overtuigd, dat in onze gezinnen meer dan in de doorsnee roomse levend en warm over de dienst des Heren gesproken wordt; dat dus de ouders zowel het zaad des Woords, als ook het zaad des geloofs in de harten van hun kinderen zaaien. Maar het is toch de Here, die voor beiderlei zaad de wasdom moet geven.
Daar is van ons uit gezien mets vanzelfsprekends aan.
Zeker, als je het hebt over de rijkdom van de belofte van God in Christus, dan is het gepast om te zeggen: wie zou door ongeloof durven weigeren? Natuurlijk aanvaard je toch die belofte met een waar geloof? De oproep en de eis tot geloof zijn dus vanzelfsprekend, maar het geloof zelf niet.
Helaas niet. Vandaar mijn nadruk op de noodzaak van een persoonlijke en bewuste geloofskeuze en dus ook op het geijkte gebruik van de publieke geloofsbelijdenis. Dat is. niet om. een subjectief tegenwicht te vinden tegenover de te grote aandacht voor de objectieve zijde van het verbond, want ik geloof niet in een evenwichtsconstructie russen subjectief en objectief.
Prof. B. Holwerda heeft me dat afgeleerd. *) Nee, laat er maar veel nadruk vallen op de heilsbelofte en laat er groot gedacht worden van de Here die een goed werk begonnen is en dat ook voltooien zal. De aandacht daarvoor moet niet verduisterd worden door te spreken van een subjectief tegenwicht.
Zo interessant is ons geloven niet.
Maar er is iets anders. Wij zijn onbesnedenen van hart en oren. Dat heeft Stephanus vastgesteld als conclusie uit de hele oudtestamentische verbondsgeschiedenis (Hand. 7 : 51). Het is door een lange historie onomstotelijk komen vast te staan: wij van onszelf wij wederstaan de Heilige Geest. Daarom en daarom alleen zeggen wij, dat ons geloven niet vanzelfsprekend is. En het is om deze hardigheid des harten, dat openbaar belijdenis doen zin heeft. We spreken ons daarmee voor God en zijn gemeente uit en verachten ook van beiden hulp om bij het aangenomen geloof te blijven. Openbare geloofsbelijdenis is zo ook een publiek getuigenis van eigen armoede, een ernst maken met het feit, dat ons hart van zichzelf uit niet naar geloven staat.
Het is dus onze verdorven natuur die een expresse verklaring van onnodig maakt, dat wij ons heil buiten onszelf in Jezus Christus zoeken.
Volgende week hoop ik op het onderwerp 'kinderavondmaal' door te gaan aan de hand van vragen, die mij daarover gesteld zijn.
*) Zie "Cursus tot ontwikkeling van het Geref. kerkelijk denken" van destijds onder redaktie van Schippers-Spier, 2e cursus, les 3, 4 en 5.