Het Goddelijk moeten
1976-05-14
In het publieke leven van Jezus op aarde; de periode tussen zijn doop in de Jordaan en zijn dood aan het kruis, zijn duidelijk drie perioden te onderscheiden. Na het wonder op de bruiloft te Kana, het eerste van de tekenen die hij deed, gaat Jezus naar Jeruzalem en Judea en werkt daar ongeveer een jaar. Ook Hij begint zijn arbeid in het centrum van Israël in Jeruzalem, Van wat Jezus in die stad en de omtrek daarvan deed weten we maar heel weinig. We horen alleen van een tempel reiniging, het gesprek met Nicodemus en van tekenen die Hij daar deed.- Jaargang 20
- nummer 20
Als de Heere te weten komt dat de Farizeeën hadden vernomen dat Hij meer discipelen maakte en doopte dan Johannes de Doper, verlaat Hij Judea en gaat naar Galilea, In Galilea predikt Jezus het Evangelie van het Koninkrijk in alle steden en dorpen ongeveer anderhalf jaar. Bijna alles wat de Evangelisten over de prediking en de wonderen van de Heiland verhalen valt in die periode. Maar ten slotte komt ook aan die prediking een eind. Het blijkt dat het joodse volk globaal genomen zijn prediking verwerpt. Speciaal was dat het geval met de leidslieden.
Als het zover is ontslaat Christus zijn discipelen van hun onderworpenheid aan deze overheden van het volk, Hij zegt ronduit: Wacht u voor het zuurdeeg, de leer van de Farizeeën en Sadduceeën!
Van dat ogenblik af zal Jezus zich voornamelijk wijden aan het onderwijs van zijn discipelen. Hij gaat hen voorbereiden op zijn lijden en op de geweldige taak die hun ná zijn opstanding wacht.
Jezus zo zijn prediking tot de massa van het Joodse volk heeft voleind, gaat Hij met zijn discipelen naar het buitenland, hoog in het noorden, naar de landstreken van Caesarea Filippi, En dan komt het rot een hoogtepunt in het leven van Jezus. Als hij in de kring van zijn discipelen is gezeten vraagt Hij hen hoe de mensen over Hem denken. Achteraf ween wij dat deze vraag de inleiding vormt op de grote beslissing waarvoor Christus hen daarna stellen zal. De discipelen antwoorden op dse eerste vraag met het noemen van een reeks namen van mensen die de Joden in Jezus menen te zien: Johannes de Doper, Elia, Jeremia of een andere profeet.
Merkwaardig: het zijn alle namen van mannen die reeds gestorven zijn en omtrent wie de Joden dus geloven dat zij in Jezus herrezen.
Maar - en dat is het aangrijpende - zij betekenen alle een radikale en totale misduiding van Hem.
Wanneer nu de discipelen zo hebben weergegeven wat de mensen, wat "men" van Jezus denkt, stelt Jezus hen de vraag waarom het Hem uiteindelijk te doen is. En Hij stelt die recht op de man af. Hij vraagt namelijk: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?
Het moet ons opvallen dat Jezus die vraag dàn pas stelt. Meer dan twee jaar is Hij dag in dag ujt met hen omgegaan. Ontelbare malen hebben zij Jezus horen spreken.
Veel wonderen hebben zij Hem Zien doen. Maar nu pas vraagt de Heiland wie zij in Hem zien. Jezus is geen demagoog die de mensen opzweept. Hij forceert niets en niemand. Hij is wars van iedere vorm 'van pressie. Want het is Hem te doen om het geloof in Hem. Hij zaait het zaad en wacht rustig af tot het door de macht van zijn woord ontkiemt, wortel schiet en vruchten voortbrengt.
Op Jezus' vraag antwoordt Petrus - ongetwijfeld ook als tolk van allen - Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Met diepe vreugde reageert onze Heiland op deze belijdenis van Petrus - ze zal de kern worden van het belijden van de kerk aller eeuwen met de woorden: Zalig zijt gij, Simon Barjona. want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is!
Deze belijdenis van Petrus betekent inderdaad een hoogtepunt in het leven van Jezus. Want Hij hoort in dit woord dat zijn werk niet tevergeefs is geweest. Maar, en daar dienen we goed op te letten: Hij aanvaardt de vrucht daarvan niet als het resultaat van eigen prestaties maar uitsluitend en alleen als een geschenk van zijn Vader. Van zijn Vader ontvangt Hij de eerstelingen van de grote oogst die Hij bij de voleinding der eeuwen zal binnenhalen. Of, anders gezegd: Hij ontvangt van zijn Vader de kiem, de kern van zijn gemeente, zijn kerk, een kern die tegelijk het fundament daarvan zal vormen. Onmiddellijk nadat dit is geschied organiseert Christus zijn gemeente door Petrus, en straks ook de andere discipelen, te roepen tot en te bevestigen in het - apostolische - ambt.
Wanneer Jezus zo de nieuwtestamentische kerk heeft geformeerd gaat Hij spreken over zijn lijden, sterven en opstanding uit de doden.
Van toen aan, zo lezen we begon Jezus zijn discipelen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden van de zijde der oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden.
Voordien heeft Jezus over dit alles gezwegen. Zijn discipelen zouden dat niet hebben kunnen dragen. Maar nu zij Hem als de beloofde Messias en de Zoon van God hebben geloofd en beleden, nu moeten zij ook weten - hoe verpletterend dat ook voor hen zal zijn - op welke wijze, Jezus zijn messiaanse verlossingsarbeid moet en zal volbrengen.
Wij willen op een paar bizondere aspecten van deze eerste lijdensaankondiging van Jezus letten.
Het eerste opvallende daarin is wel dat uit deze woorden duidelijk blijkt dat de Heiland het lijden en sterven vrijwillig tegemoet gaat. Het zou voor Hem gemakkelijk zijn geweest dat te ontlopen.
Bovendien verklaarde Hij eens uitdrukkelijk dat God Hem "macht" had gegeven zijn leven af te leggen en te behouden. Maar er is bij de Heiland geen sprake van een ontwijken van het lijden en de dood. Volkomen vrijwillig is Hij van de aanvang van zijn leven af de weg van lijden en dood opgegaan. In de grote, beslissende verzoeking in de woestijn waarin Satan Hem de koninkrijken der wereld aanbood zonderde donkere tunnel van lijden en kruisdood door te gaan is Hij staande gebleven en wees Hij de Satan af door de macht van zijn woord. En nu, door deze aankondiging van wat Hem in Jeruzalem te wachten staat, verbindt Hij zich onherroepelijk de via dolorosa te gaan tot het bittere einde. Later zal Hij wat Hij nu tot de apostelen zegt keer op keer bevestigen, En ten slotte zal Hij, na de zware geloofsworsteling in Gethsemané die Hem het bloed uit de poriën perste, tot zijn discipelen zeggen: Zie het uur is gekomen, het uur van mijn moordenaars en van de macht der duisternis, Nu wordt de Zoon des mensen overgeleverd in de handen van de zondaren. Staat op laten wij gaan. Zie, die mij overlevert is nabij. En daarna geeft Jezus zich geheel vrijwillig over aan de mensen die Hem ten slotte aan het kruis zullen slaan. Inderdaad: Niemand ontneemt Hem naar eigen gril en uit eigen macht het leven. Hij legt het uit Zichzelf af.
Maar er is nog een tand er aspect aan het woord van Jezus.
Hij verzekert namelijk dat Hij zal lijden en gedood wonden door de oudsten, de overpriesters en de Schriftgeleerden.
Deze kategorieën van de élite van Israël duiden achtereenvolgens aan: vooreerst de burgerlijke overheidspersonen, voorts de hogepriesters met de oud-hogepriesters en de leden van de geslachten uit welke de hogepriesters werden gekozen; en ten slotte de kenners en onderzoekers van "de Wet", het Oude Testament, de geleerden die ook het onderwijs in de Wet gaven. Deze drie categorieën van aanzienlijke lieden waren vertegenwoordigd in het Sanhedrin, de vergadering die eens door iemand raalk werd getypeerd als het hoogste gerechtshof van het Joodse volk, de synode van de oudtestamentische kerk en het college van de theologen in Israël. In het Sanhedrin was op deze wijze om zo te zeggen het gehele volk van God uit het Oude Testament geconcentreerd.
Deze vergadering zal nu met een elementaire verkrachting van het recht Jezus Christus ter dood veroordelen.
Dat is een verbijsterend gebeuren. Want het betekent dat het volk van God, in zijn hoogste vergadering, de Zoon van God, Gods grootste geschenk aan dat volken aan heel de wereld, in naam van God, wegens Godslastering ter dood veroordeelt!
Indien er notulen van deze vergadering waren bewaard gebleven zou men daarin hebben kunnen lezen dat de voorzitter, Kajafas, de vergadering met gebed opent en daarin in 't bijzonder om Gods leiding smeekt met het oog op de moeilijke zaak van Jezus van Nazareth die aan de orde zal komen.
En dat hij aan het eind van die vergadering God dankt voor diens bijzondere bijstand omdat zij met zo grote eenstemmigheid Jezus ais Godslasteraar heeft ontmaskerd 'en veroordeeld tot de dood!
Inderdaad, het is een huiveringwekkend woord als Jezus aankondigt dat Hij van de zijde der oudsten, overpriesters en schriftgeleerden veel lijden zal en gedood worden. Jezus zegt hier dat hij niet door de "wereld" maar door de - afvallige - kerk, na een afschuwelijk spel!van haat en onrecht, zal worden verdoemd en gedood.
Er is nóg een aspect van de lijdensaankondiging van Christus dat onze aandacht hebben moet. Het is het allesbeheersende. Het is dit dat Jezus verklaart dat Hij naar Jeruzalem gaat om te lijden en te sterven onder de klem van een Goddelijk moeten.
Wat straks in Jeruzalem gaat gebeuren is een gruwelijk onrecht. Er openbaart zich daarin een samenknoopsel van menselijke gemeenheid en wreedheid die haar weerga in de geschiedenis niet kent. Want het gaat in wat met Jezus bedreven wordt om een misdaad, een gerechtelijke moord, gepleegd op een volmaakt goed mens, die ook niets anders dan goeds heeft gedaan.
Maar toch zegt Jezus tot de apostelen dat Hij naar Jeruzalem moet gaan. En Hij verklaarde keer op keer dat Hij lijden en sterven moest opdat de Schriften, het Woord van Zijn Vader, zou worden vervuld. Moest de Christus niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan, 'horen de Emmaüsgangers uit Jezus mond. De Heiland zal de lijdensbeker uiteindelijk niet uit de hand van mensen maar uit die van zijn Vader aannemen en verklaren dat, omdat Hij dat doet, zijn Vader Hem liefheeft!
In en door het misdadige optreden van de mensen tegen Hem zal zo naar het woord van Jezus - op voor ons volkomen ondoorzichtige wijze - een goddelijk plan, een heilsplan worden verwerkelijkt.
Dat goddelijke moeten betekent in geen enkel opzicht een dwang.
Noch wat betreft allen die bij de moord op Jezus betrokken zijn.
Noch wat Jezus zelf betreft. De mensen die Jezus mishandelen en doden doen dat geheel vrijwillig, met vol zelfbewustzijn, hun verantwoordelijkheid wordt door het Goddelijk moeten niet voor het geringste opgeheven.
En ook Jezus ondergaat het nameloze lijden, waardoor Hij ten slotte de dood wordt ingedreven, geheel vrijwillig. Hij had de bevoegdheid twaalf legioenen engelen te mobiliseren om Hem uit de hand van zijn moordenaars te redden. Maar Hij maakt van die bevoegdheid geen gebruik. Niemand had macht Hem zijn leven te ontnemen. Hij legt het zelf, vrijwillig, af.
Zo gaat Christus in zijn lijden en sterven de wereld verlossen. Neen, Hij wordt niet door God vervloekt - maar Hij dráágt wèl de vloek die ons treffen moest. Neen - Hij wordt in Gods gericht niet veroordeeld - maar Hij dráágt wel voor ons het goddelijk gericht over onze zonde en schuld. Zie. Daarom, omdat Christus als antwoord op het Goddelijk moeten, heeft geleden en is gestorven, horen we in de Schrift de veelstemmige lofzang op wat Christus voor ons heeft gedaan. Hij ,is de goede Herder die zijn leven stelt voor de schapen, Christus is om onze zonden overgeleverd aan Satan, dood en hel. Door zijn Moed worden wij gerechtvaardigd en door zijn dood met God verzoend, Door zijn bloedstorting heeft Christus bij de voleinding der eeuwen onze zonden voor eeuwig weggedaan en voor eeuwig vrede gemaakt.
Nog één opmerking moge ik maken. Als Jezus bij Caesarea Filippi tot zijn discipelen heeft gezegd dat Hij naar Jeruzalem moet gaan om te lijden en te sterven, komt Petrus daar met alle felheid tegen op. Hij pakt jezus bij de hand en gaat Hem bestraffen! God moge U bewaren voor het lijden waarover U sprak zegt hij. Zo iets kan en zal nooit gebeuren. Maar als Jezus is opgestaan en de Heilige Geest op de apostelen is uitgestort verklaart dezelfde Petrus: Jezus, de Nazoreeër, een man door God zelf aan u aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in Uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, deze Jezus, die naar de vastgestelde raad en voorkennis van God werd uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen, aan het kruis genageld en gedood!
Op de grote Pinksterdag heeft Petrus het goddelijk moeten van het lijden en sterven van Jezus Christus verstaan en aan de kerk bewaren voor het lijden waarover