Over geloofsbelijdenis en avondmaal vieren (2)
1976-05-14
Een broeder uit het land stuurde mij een vriendelijke brief met vragen over wat ik ten aanzien van het kinderavondmaal geschreven had in de twee Schriftoverdenkingen van 19 en 26 maart j.l. Zoals ik de vorige maal beloofd heb, zal ik daarop nu ingaan. Tussen haakjes: de term kinderavondmaal, door mij gebruikt, vond hij fout.- Jaargang 20
- nummer 20
Als thuis de kinderen mee aan tafel zitten, is die maaltijd toch geen kindermaaltijd? Als er 's zondags kinderen in de gemeentedienst zitten, is dat toch geen kinderkerkdienst?"
Dat kan toegestemd worden; toch zijn kinderen aan de maaltijd des Heren een ongewoner verschijnsel dan kinderen aan de gezinstafel of in de kerkdienst.
Het woord kinder-avondmaal duidt dat ongewone aan, als gesprekspunt waar het nu over gaat.
Zoals wij het met baptistische broeders kunnen hebben over kinderdoop, zonder daarmee de doop tot de kinderen te beperken. Maar dit is natuurlijk een kleinigheid.
De eerste vraag betreft wat ik stelde in mijn meditatie over Deutr. 26: 16-19, dat nl. het volk Gods een eenheid is, die gevormd wordt door persoonlijk toegetredenen.
Het bezwaar betreft het laatste woord: toegetredenen. "Immers: bij toegetredenen denk je aan mensen, die van buiten de gemeente binnen komen. Zij treden toé, Ze komen uit de duisternis tot het licht. Maar bij kinderen, die vanaf hun geboorte lid van de gemeente zijn en die nu komen tot persoonlijk geloof, is het beter te spreken van 'aanvaarden' dan van 'toetreden'.
Deutr, 26: 16-19 spreekt trouwens ook van 'aanvaarden'.
Waarom een schriftuurlijke term vervangen voor een andere?" Voor dit bezwaar kan ik wel wat voelen.
Inderdaad komt een gedoopt kind, dat gelovig kiest voor de dienst des Heren, niet van buiten.
Ik heb met het woord 'toetreden' trouwens ook het woord 'aanvaarden' niet willen vervangen. Beide woonden zijn wel te gebruiken, denk ik. Wanneer ik, ook van een gedoopt kind, zeg, dat het door geloof toetreedt tot het volk van God, dan heb ik het oog op de werkelijkheid die in het doopsformulier is aangeduid ais 'de wereld verzaken en de oude natuur doden'.
Ook een gedoopt kind moet een overgang maken. Of die overgang nu uitgesmeerd ligt over het gehele leven of meer in een ogenblik van krachtdadige bekering geconcentreerd of allebei - we moeten ons niet methodistisch op één weg vast leggen - een overgang blijft het. En dat maakt het woord 'toetreden' bruikbaar. naast andere woorden. Let je op de belofte van God,dan kun je het gaan geloven van een gedoopt kind omschrijven als een 'aanvaarden' van die belofte. Maar let je op wat het kind van nature is, dan heeft 't woord 'toetreden' z'n voordelen.
De lezer merkt aan alles, dat ik sterk onder de indruk ben van de werkelijkheid, "dat wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn, zodat wij in Gods Rijk niet kunnen komen, tenzij wij opnieuw geboren worden." We kunnen, dacht ik, deze werkelijkheid niet laten vervagen, door te zeggen, dat wij vanwege de verbondsbelofte eigenlijk binnen zijn en niet meer binnen behoeven te gaan. De belofte is inderdaad, dat wij vanwege het verzoeningswerk van Christus binnen zijn. Van deze belofte-werkelijkheid ben ik niet minder, zelfs nog meer onder de indruk dan zoëven van die andere.
Laat ze volluit verkondigd worden!
Maar daarnaast moet de oproep voortdurend gedaan worden om nu ook binnen te gaan en toe te treden. We zullen hier wel nooit verder komen dan het spreken met twee woorden. (Voor het woord 'toetreden' vergelijk nog: 2 Kon. 23 : 3.)
Het gedeelte waarover deze vraag werd gesteld nog eens nalezend in Opbouw, kwam ik ook de zin weer tegen, dat in het Oude Testament sinds de prediking der profeven het behoren tot Israël meer dan voorheen aan een persoonlijke beslissing gebonden is. Ik vond deze gedachte heel frappant en ook op een erg overtuigende manier bevestigd in een preek van prof. dr K. Schilder over I Petr. 4 : 17a (Preken I, p. 190). Ik wil, de lezers het betreffende citaat niet onthouden: ,,'t Is als in Ezechiëls dagen: 't teken was wel aan de voorhoofden, maar niet aan de deurposten. Hebt ge daar wel op gelet? Twee maal vinden we in de Heilige Schrift, in het Oude Testament, een teken ter beveiliging.
In den nacht van den uittocht uit Egypte, het bloed van het lam aan de deurposten. Dan ging het verderf voorbij. In Ezechiëls visioen (hfst. 9) het teken aan de voorhoofden. Het teken aan de deurposten had betrekking op hele gezinnen. Het teken aan de voorhoofden slechts op de enkele personen. Zo was het nu in Petrus' dagen: geen gezinnen, doch personen droegen nog het reken. De ene christen wel, de andere niet. Dat waren droeve toestanden. Zo. is het in onze gemeente. Zo is het daar buiten, Waar zijn de gezinnen, die het bloed aan de deurpost strijken? Ge kunt ze tellen! Meer en meer draagt men een teken aan de voorhoofden, persoonlijk, niet als gezin. Ze zijn er nog wel, die zuchten, uitroepen. Maar niet gemeenschappelijk.
Het gezinsleven wordt verwoest... Is het teken wel aan onze deurposten? We mogen niet tevreden zijn met het teken alleen maar aan de voorhoofden!
Wij moeten Ezechiël en Exodus samenvoegen! Deurpost èn voorhoofd, Verbondsprediking èn persoonlijk geloof. Gezin èn enkeling!"
Dit is een prachtig stukje oecumenische theologie. Oecumenisch vooral vanwege dat èn ... èn. Wij worden zo vaak door de theologie van vandaag in een óf-óf-stelling gedrongen. Voor heilloze dilemma's worden we dan geplaatst.
Zo is de ene kerk met de verbondsprediking aan de haal gegaan en de andere weet van niets anders dan van de oproep tot persoonlijk geloof. Tot schade van elk van belde. Bij Schilder werden ze reeds in 1918 (!) prachtig bij elkaar gehouden.
Was er maar meer naar geluisterd! Dat had misschien het verschil tussen synodalen en bezwaarden voorkomen. Maar dat is nakaarten. Wij hebben nu wéér met dit tweeërlei te maken. En we moeten russen deze twee niet gaan kiezen, want dat wordt delen. Inderdaad: verbondsprediking èn persoonlijk geloof, en niet: verbondsprediking Of persoonlijk geloof.
Dit is geen uitgekiende evenwicht-constructie, maar een recht doen aan de beide werkelijkheden van zonde en genade.
Ik lijk van ons onderwerp afgedwaald te zijn. Toch is dat niet zo.
Kinderen aan het avondmaal toelaten lijkt mij het gevolg van een eenzijdige verbondsprediking, die de aandacht voor het persoonlijke geloof overschaduwt en de bewuste daad van belijdenis doen onderschat.
Maar schat ik op mijn beurt dat belijdenis doen niet te hoog?
Mijn briefschrijver zegt: "U geeft toe, dat we over het instituut van openbare belijdenis in het Nieuwe Testament niets lezen. U vergelijkt het dan met de kinderdoop, waarover we ook niet met zoveel woorden wat lezen. En dan stapelt U eigenlijk twee moeilijke dingen op elkaar. U verdedigt het ene te verdedigen instituut met het andere te verdedigen instituut. En als we maar genoeg van die dingen hebben, raken we met onze gebruiken wel ver weg van de Nieuwtestamentische woorden."
Ja, ik begrijp dit bezwaar goed en moet het in z'n algemeenheid beamen, ]k hou er ook niet van dat men het ene gebrek met het andere goedpraat. Toch ligt het in dit geval anders. Ik denk, dat er een verband bestaat tussen het zwijgen van het Nieuwe Testament over de kinderdoop en het zwijgen over openbare geloofsbelijdenis van hen die als kind gedoopt zijn. Ik beweer, dat je in de apostolische geschriften eigenlijk geen aandacht voor deze problematiek mag verwachten, omdat ze typisch eigen is aan de tweede en volgende generaties van gelovigen, die dus leefden nadat de apostelen gestorven waren. Aanvankelijk, toen hele gezinnen tot het geloof toetraden, leverde de kinderdoop geen problemen op. Men presenteerde zich als 'huis', dat wil zeggen: gezinsgewijs, voor de doop. Misschien dar ook de direct volgende genera nies nog die gezinsdoop in een zekere vanzelfsprekendheid hebben doorgetrokken naar de kleinkinderen en achterkleinkinderen van degenen, die het eerst geloofden.
Maar dan kwamen er vragen, zo steil ik me voor. Doen wij wel goed? Daar is dan van die tijd af verschillend over geoordeeld, wat in de kerkgeschiedenis zo gebleven is. Nu vind ik, dat het stelsel van kinderdoop, aangevuld met openbare geloofsbelijdenis op een later tijdstip, de meest evenwichtige oplossing is, die aan alles het meest recht doet. Maar wie voor dit stelsel als zodanig, of voor onderdelen daarvan, Schriftuurlijke bewijsplaatsen zoekt, overvraagt het Nieuwe Testament. Je moet hier meer argumenteren met de algemene lijn der Schriften, wil je niet rot biblicisme vervallen. Het Nieuwe Testament kent geen regel voor wat er moest gebeuren met de kinderen van hen die als kind met het gezin mee gedoopt waren.
Daar heeft de kerk zelf een oplossing voor moeten verzinnen, met inachtneming van algemene Schriftuurlijke richtlijnen inzake verbond en persoonlijk geloof. Zo berusten beide, kinderdoop en geloofsbelijdenis, en wel deze beide sámen, op een gelovige conclusie uit het geheel der Schriften. Vecht je één van beide aan, dan moet je weten, dat je aan een zeer subtiel evenwicht raakt. Een vroom uitgekiend stelsel, waarvan ik dan ook nog wel wil zeggen, dat ik het 't meest oecumenisch vind, omdat het zo fijnzinnig recht doet aan alles wat de Schrift hierover zegt.
Maar er is natuurlijk niets tegen dat we, wat op deze wijze bereikt werd, opnieuw in discussie brengen.
Deze onderwerpen staan uiteraard open voor gesprek. Er is dan ook geen haar op mijn hoofd die erover denkt, een kerk die in dezen meent een betere oplossing gevonden te hebben, te verwerpen.
Laten de argumenten rustig op tafel gelegd worden. Alleen het biblicisme vermag over deze dingen niet vrij te spreken. Het snijdt het gesprek over dingen, die niet in de Schrift geregeld worden, met vermeende bewijsplaatsen af.
Volgende week verder.