Vergeving – waartoe?
2012-09-29
Vergeving. Daar draait het ten eerste en ten laatste om in de Bijbel, zo stelde drs. Henk de Jong in een recent verschenen boek. Maar blijft het daarbij of is er meer? Waartoe worden onze zonden vergeven? De profeet Haggai geeft een opmerkelijk actueel antwoord op die vraag, schrijft Bob Wielenga in deel twee van een tweeluik.- Jaargang 56
- nummer 19
Vergeving – waartoe? Deze vraag roept het profetenboekje Haggai bij ons op, zagen we de vorige keer. En we krijgen van hem een duidelijk antwoord.
Als centraal onderdeel van de altaardienst maakte de vergeving van zonden het de Here God mogelijk om onder Israël te wonen, in de tempel.
Zonder de tempel verloor het altaar zijn functie. Vanuit de tempel werkte God aan zijn toekomst. Die toekomst betrof het gezegende leven op deze aarde voor Israël en de volken (Genesis 12:3). Ook na de ballingschap bleef dit overeind staan.
De altaardienst in de ruïnes van de tempel bracht het volk na de ballingschap niet wat ze ervan verwachtten: een genadige God die hun zonden vergaf en hun zijn zegen verleende.
Het staken van de herbouw van de tempel zag Haggai als bewijs dat men God niet echt de werkruimte gaf waar Hij recht op had. Vandaar dat de altaardienst niet aan zijn doel beantwoordde (Haggai 2:10-14). Zonder Gods actieve aanwezigheid op de Sionsberg kon men op zondevergeving niet rekenen.
Om dit met de woorden van het Nieuwe Testament te vertalen naar onze tijd: zonder Gods aanwezigheid onder ons, in de kracht van de Heilige Geest, zal het offer van Christus aan het kruis geen effect hebben. Jezus is onze pleitbezorger in de hemel om de zondevergeving zeker te stellen (1 Johannes 2:1 en verder). Maar Hij komt zonder werk te zitten als we in ons leven geen ruimte maken voor het werk van de Heilige Geest. In dogmatische taal uitgedrukt: rechtvaardiging en heiliging gaan, zoals Paulus en Jacobus, hand in hand. Nee, we worden niet gerechtvaardigd door de werken van de wet, maar ook niet zonder hen.
Stenen
Het was voor de Joden een grote schok te moeten horen dat God de tempel vervangen had. Hij stelde Jezus ervoor in de plaats. Hij is onze tempel. In Hem heeft God in al zijn volheid willen wonen (Kolossenzen 1:19). In Hem is God in deze wereld aan het werk, door de kracht van de Heilige Geest. Waar de Geest is, daar is onze tempel, Jezus.
In het verlengde hiervan wordt ook de kerk, als lichaam van Christus, tempel genoemd. Tempel van de Heilige Geest (1 Korintiërs 3:16). Waar de Geest is, daar is onze tempel, de kerk.
Vanuit Jezus, schrijft Paulus, groeit het hele gebouw uit tot een tempel die gewijd is aan God. Steen voor steen.
Apostelen en profeten vormen het fundament, terwijl Jezus de hoeksteen is. De gelovigen vormen samen een plaats waar God woont door zijn Geest (Efeziërs 2:21 en verder).
Vanzelf denken we dan ook aan wat Petrus schrijft in zijn eerste brief (1 Petrus 1:5) over een geestelijke tempel waaraan we moeten bouwen en waarvoor we ons moeten laten gebruiken als levende stenen.
Jezus is echter ook onze hogepriester die met zijn offer aan het kruis de aardse altaardienst overbodig maakte.
Alle offers vonden hun bestemming in Hem. Vergeving van zonden vloeit voort uit Jezus’ kruisoffer.
In de tempel van de Heilige Geest, de kerk, gedenken wij nog altijd het offer dat Hij bracht in onze plaats, zodat wij vrede met God zouden hebben (Romeinen 5:1) en vrede met elkaar.
De tempel van de Heilige Geest kan er alleen maar zijn omdat Jezus de altaardienst tot een goed einde heeft gebracht. We ontvangen de vergeving door zijn bloed om deel te kunnen uitmaken van zijn lichaam, de tempel van de Geest. Zo kunnen we als levende stenen gebruikt worden voor de bouw van de geestelijke tempel, de kerk.
In Jezus zijn altaar en tempel verbonden, ons ten goede. We ontvangen zondevergeving in de tempel van de Heilige Geest, in gemeenschap met Christus en zijn lichaam.
Eredienst
Wij worden op deze manier betrokken bij de tempeldienst, waarbij de Heilige Geest de drijvende kracht is. Alle bedieningen uit de vroegere tempel keren terug: de bediening van woord en gebed, het leeronderricht en ook de offers. In de viering van de sacramenten gedenken we het kruisoffer. We worden opgeroepen God het dankoffer van ons leven te brengen (Romeinen 12:1). Dat is onze ware eredienst, die vanuit de tempel, de kerk, overvloeit naar ons dagelijkse leven in de wereld.
Er ligt ook een verband tussen onze tempeldienst en de rechtspraak in de samenleving. Henk de Jong liet dat onlangs nog zien in een meditatie over Psalm 122 (Theocratie, in de Opbouw van 9 juni 2012).
Elders (1 Korintiërs 12-14) beschrijft Paulus hoe het eraan toe moet gaan in de tempel van de Geest. Zo spreekt het vanzelf dat die tempel naar alle kanten open moet staan. Matteüs eindigt zijn evangelie niet met het kruis of de opstanding, maar met de zendingsopdracht (Matteüs 28:16-20).
Jezus gaf deze opdracht aan de grondleggers van de kerk, op het moment dat zij Hem aanbaden. Fundament en hoeksteen van de geestelijke tempel worden zo zichtbaar.
Sindsdien zijn we aan het werk aan de kerk, maar ten dienste van de wereld.
Na Pinksteren stelt de vergeving van zonden ons in staat om volken tot leerlingen en volgelingen van Christus te maken. Onze ‘tempeldienst’ is er ten bate van de wereld, waarin God in zijn toekomst het door Hem gezegende leven voluit zal laten aanbreken.
Introvert
Een eenzijdig accent op zondevergeving zou wel eens de momenteel bepleite ‘wending naar de kerk’ kunnen bespoedigen. Het project ‘verbeter de wereld’ dat in het tijdperk van het modernisme op de agenda van de grote kerkgenootschappen stond, heeft schipbreuk geleden. De wereld blijkt niet maakbaar en lijkt nauwelijks verbeterbaar.
In onze postmoderne tijd, die in ons land steeds onchristelijker trekken vertoont, pleit men daarom voor kleinschalige gemeenschappen die een alternatief bieden voor het leven in onze ontkerstende samenleving. Als contrastgemeenschappen kunnen ze laten zien hoe het er in de volmaakte samenleving van de toekomst uit zal zien. Deze visie op de kerk werd ontwikkeld en in praktijk gebracht door de mennonieten, van wie de bekende theoloog Stanley Hauerwas een vertegenwoordiger is.
Wat we ook kunnen leren van deze ‘anabaptistische optie’ (en dat is veel): laten we niet vergeten kritisch te blijven. Deze traditie kent een lange geschiedenis van gemeenschappen die afgekeerd van de wereld leefden. Hun wereldvreemde levensstijl beoefenden ze in een soort ‘parallelle samenleving’, die amper contactpunten met de wereld had. Een eenzijdig opgevatte visie op zondevergeving zou deze kerkelijke introvertie kunnen stimuleren. In zo’n geestelijk klimaat wordt de vergeving de kern van persoonlijke vroomheid en een naar binnen gekeerde ethiek.
Dat gevaar kennen wij ook in onze eigen traditie (de vrijgemaakte zuil en tegenwoordig de refozuil). Daar moeten we niet naar terug willen keren. De zondevergeving is gegeven om Gods wonen en werken onder ons mogelijk te maken, de wereld ten goede.
We leven niet alleen in de schaduw van het kruis, maar ook in het licht van de opstanding. We ontvangen niet alleen dagelijks vergeving van zonden, maar ook kracht om op te staan tot een vernieuwd leven. We hebben een altaar (het kruis), maar wij zijn de tempel van de levende God van waaruit Hij wonen en werken wil. Totdat onze verrezen Heer terugkomt.
Laten we ons niet ‘wenden naar de kerk’, maar ons richten op Jezus en die gekruisigd. Dan komt het met de kerk wel goed. Dan wordt ze meer en meer de tempel van de Heilige Geest in het midden van deze wereld. Daar kan de wereld alleen maar wel bij varen, al brengt het lijden mee voor de kerk, in navolging van haar Heer (Openbaring 12). Niet optimisme maar verwachting bepaalt dan ook het geestelijke klimaat in de kerk die tempel van de Heilige Geest wil zijn. We verwachten een betere toekomst voor deze wereld en daarom geloven we in onze Heer Jezus Christus en die gekruisigd.
Ds. Bob Wielenga woont in Zuid-Afrika en is emeritus predikant van de NGK Kampen.