Atheïsme
2012-09-29
Is het redelijk om te geloven in God?- Jaargang 56
- nummer 19
Eén van de meest geharnaste strijders tegen dat idee is de Utrechtse hoogleraar wijsbegeerte Herman Philipse. Geloven is niet redelijk, zegt Philipse.
Wat doe je als christen in de confrontatie met het militante atheïsme?
Voor de meesten van ons is dat eenvoudig: we weten niet wat we ermee aan moeten en dus negeren we het.
In Theologia Reformata (september 2012) gaat dr. Rik Peels op basis van argumenten het gesprek aan met Philipse, naar aanleiding van een recent boek van hem, God in the Age of Science? Ik neem een gedeelte uit Peels’ artikel over:
Een ander voorbeeld van een filosofisch problematische redenering is Philipses behandeling van een bepaalde versie van het kosmologisch argument voor het bestaan van God.
Vóór 1929 waren er alleen filosofische argumenten voor de gedachte dat het universum een begin heeft. Vanaf 1929 werden met name door Edwin Hubble ontdekkingen gedaan die bevestigden dat het universum zo’n 13,7 miljard jaar geleden ontstaan is, naar alle waarschijnlijkheid door een big bang. () Maar het lijkt hoogst onwaarschijnlijk (zo niet onmogelijk) dat uit niets iets ontstaat, dus moet er iets immaterieels geweest zijn dat deze big bang veroorzaakt heeft. Abstracte dingen, zoals eigenschappen en getallen, kunnen niets veroorzaken, dus moet het een concrete entiteit geweest zijn en bovendien een zeer machtige entiteit.
Het gaat dus om een persoon. En wie zou die persoon anders zijn dan God zelf?
In respons hierop zegt Philipse onder meer dat ‘waarom-vragen’ – vragen naar een oorzaak – alleen zinnig zijn binnen een raamwerk van tijd en ruimte. Omdat bij de big bang tijd en ruimte zelf ontstonden, is de vraag waardoor de big bang veroorzaakt werd geen zinvolle vraag. Ik begrijp niet waarom Philipse hier zo dogmatisch is. Vóór de big bang was er niets – geen energie, geen materie, geen tijd en geen ruimte – en toen ontstond in één keer de kosmos. Dit schreeuwt om een verklaring. Het zal naar alle waarschijnlijkheid geen natuurwetenschappelijke verklaring zijn, maar waarom zou dat de enig goede verklaring zijn? Als God bestaat, dan kan Hij direct dingen in de werkelijkheid teweegbrengen. De gedachte dat alleen van een oorzaak gesproken kan worden binnen een raamwerk van tijd en ruimte sluit het bestaan van God per definitie uit en doet daarmee geen recht aan de zaak.
Ik kom wel eens mensen tegen die menen dat godsdienstfilosofische discussies, zoals we die in dit boek van Philipse vinden, zinloos zijn. Geloof is een zaak van het hart, zo zeggen zij, en met discussies als deze schieten we weinig op. Dit lijkt me om minstens twee redenen onjuist. Ten eerste roept Christus ons op om God lief te hebben, ook met heel ons verstand (Matteüs 22:37). Een goede manier om hier invulling aan te geven is door, voor zover mogelijk, nauwkeurig na te gaan wat in deze wereld vóór en tegen het bestaan van God pleit en uit te werken wat de theoretische en praktische implicaties zijn zowel van geloof in God als van ongeloof. Ten tweede volgen we het voorbeeld van de apostelen, zoals Paulus en Petrus, als we dat doen. Paulus beriep zich niet alleen op een gevoel of een ervaring, maar ging op het marktplein en de Areopagus ook in debat (Handelingen 17:22-34, 19:8-10). Ik denk niet dat het vaak gebeurt dat mensen op basis van argumenten alleen tot geloof komen, hoewel ik wel degelijk zulke mensen ken. Veel vaker is het zo dat mensen door een ervaring of een ontmoeting met God via het lezen van de Bijbel tot geloof komen; maar vaak is dit pas mogelijk als argumenten tegen Gods bestaan of tegen geloof in God uit de weg zijn geruimd. Het apologetische gesprek is dus vaak cruciaal om obstakels tussen God en mensen uit de weg te halen.
Maar hebben gelovigen dan iets aan dit boek, dat immers beoogt argumenten voor Gods bestaan te weerleggen?
Ik denk het zeker wel. Ten eerste geeft het ons een gedetailleerde kritiek op argumenten voor geloof in God en ook een enkel argument tegen het bestaan van God. Als we deze kritiek kunnen weerleggen, dan kunnen we heel veel atheïstische kritiek weerleggen.
Ten tweede hebben christenen en atheïsten één ding gemeen: ze achten het onderwerp van belang.
Of God bestaat en of mensen wel of niet in Hem geloven, dat doet ertoe, zowel volgens atheïsten als volgens christenen. Hierin verschillen zij van het overgrote deel van de bevolking van West-Europa, die er simpelweg niet mee bezig is en die het ook nauwelijks interesseert. Wat dat betreft beschouw ik de recente felle kritiek van atheïsten op religieus geloof als een zegen. Het is misschien wat paradoxaal, maar als ik het goed zie, helpen atheïsten ons zo om te zijn waartoe Christus ons roept: een zoutend zout, een stad op een berg en een licht in de wereld.
Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK Enschede.